Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27 mei 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:5674Zaaknummer C/02/441920 / JE RK 25-2016

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
C/02/441920 / JE RK 25-2016
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Nadere beschikking. Toewijzing resterend verzoek tot verlening machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van 6 maanden wegens forse zorgen over de veiligheid van de minderjarige.

3 De beslissing

De kinderrechter:

3.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 3 juni 2026 tot 3 december 2026;

3.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 8 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere verloop van de procedure
  2. 2 De nadere beoordeling
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/441920 / JE RK 25-2016

Datum uitspraak: 27 mei 2026

Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

Zeeland-West-Brabant, Breda,

hierna te noemen: de Raad,

over

[minderjarige],

geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 1],

advocaat: mr. S. Gerrits uit Eindhoven,

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

locatie Tilburg,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).

De kinderrechter merkt als informant aan:

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats 2].

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • de in deze zaak gegeven beschikking van 3 december 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • de brief van de GI aan de Raad van 21 april 2026;
  • het rapport van de Raad van 22 april 2026.
1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:

- een vertegenwoordiger van de Raad;

  • twee vertegenwoordigers van de GI;
  • de advocaat van de moeder.
1.3.

De vader is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de zitting verschenen.

2 De nadere beoordeling

2.1.

Bij beschikking van 3 december 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 3 december 2025 tot 3 december 2026. Bij dezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 3 december 2025 tot 3 juni 2026 en het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing aangehouden.

2.2.

Ter beoordeling ligt nu het resterende verzoek van de Raad voor om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

2.3.

Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. Er is sprake geweest van ernstige onveiligheid van [minderjarige]. De vader is veroordeeld wegens zware mishandeling van de zus van [minderjarige], hetgeen niet los kan worden gezien van de situatie rondom het letsel van [minderjarige]. In situaties van ernstige onveiligheid kan pas gesproken worden over een thuisplaatsing als de ouders intensieve hulp krijgen, erkennen wat er is gebeurd en de ernst ervan inzien. Hiervan is in deze zaak geen sprake. Het strafrechtelijk onderzoek naar het letsel van [minderjarige] is nog niet afgerond. Ook over de tenuitvoerlegging van de straf die de vader opgelegd heeft gekregen in België is nog geen duidelijkheid.

De moeder is niet consistent in wat zij zegt over het aanhouden van de relatie met de vader, waardoor het lastig is om het perspectief te bepalen. De moeder en [minderjarige] kunnen niet in een moeder-kind huis geplaatst worden zolang de moeder samen blijft met de vader, degene die mogelijk verantwoordelijk is voor het letsel van [minderjarige]. Op dit moment wordt niet gezien dat de ouders de stappen zetten die nodig zijn om het vertrouwen te krijgen dat [minderjarige] weer veilig thuis kan wonen. De ouders leveren weinig inspanning om verandering te brengen in de situatie. De moeder is nog niet gestart met een opleiding en beide ouders werken niet. De ouders hebben geen duidelijk toekomstplan. Zij verblijven bij de grootouders vaderszijde (vz).

Er is nog geen perspectief biedend pleeggezin gevonden voor [minderjarige]. De Raad maakt zich ernstige zorgen over de aanvaardbare termijn, gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige]. De termijn is aan het verstrijken en is mogelijk al verstreken. Er is de afgelopen zes maanden zo weinig gebeurd dat de Raad niet verwacht dat de ouders de komende maanden wel alle stappen gaan zetten die nodig zijn. [minderjarige] kan daar niet langer op wachten. Er moet op korte termijn duidelijk worden waar [minderjarige] kan opgroeien.

2.4.

Namens de moeder is verzocht het resterende verzoek van de Raad af te wijzen. De moeder weet niet waar het aan schort, los van de relatie met de vader. De moeder is transparant en eerlijk over het behouden van de relatie. De ouders hebben een goede en stabiele relatie. Op de vorige zitting was besproken dat de GI moest onderzoeken of er een perspectief biedend pleeggezin voor [minderjarige] is of dat [minderjarige] teruggeplaatst zou kunnen worden bij de moeder. Op dit moment is er geen perspectief biedend pleeggezin beschikbaar en er is volgens de moeder onvoldoende onderzocht of een terugplaatsing mogelijk is. De moeder vindt dat een terugplaatsing mogelijk is. Zij heeft niet het idee dat er iets in haar eigen situatie ten behoeve van [minderjarige] moet veranderen. Er is een stabiel en veilig netwerk samen met de vader en grootouders (vz). Er kan hulpverlening komen bij de grootouders (vz) thuis, maar die mogelijkheid is nooit onderzocht. Ook voor een plaatsing in een moeder-kind huis staat de moeder open. De moeder werkt mee aan alle hulpverlening en is alle contactmomenten nagekomen. De moeder is op zoek naar een woning, maar dat duurt langer dan gewild.

2.5.

Door de GI is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Het gaat goed met [minderjarige] in het pleeggezin. Na een onrustige start is het gelukt om met de moeder een kennismakingsgesprek in te plannen en wordt gezien dat het de moeder over het algemeen goed lukt om bij afspraken aanwezig te zijn. De omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de ouders vinden plaats op het kantoor. Dit verloopt positief. De moeder kan aansluiten bij [minderjarige], maar er worden weinig opvoedvaardigheden gezien. De samenwerking tussen de moeder en de pleegouders kan stroef verlopen, maar dit houden zij goed bij zich zodat [minderjarige] er geen last van heeft.

De GI is, anders dan de moeder, van mening dat geen sprake is van een veilig netwerk. De vader is veroordeeld voor zware mishandeling van de zus van [minderjarige] en de opgelegde gevangenisstraf moet nog ten uitvoer worden gelegd. Dat in combinatie met het letsel dat is vastgesteld bij [minderjarige], maakt dat het netwerk bij de grootouders (vz) niet veilig is aangezien de vader daar ook verblijft. Bovendien hebben de ouders geen werk en staan zij niet ingeschreven bij de grootouders (vz) en hebben dus feitelijk ook geen onderkomen. De GI maakt zich daarnaast zorgen over de emotieregulatie van de moeder. De ouders maken weinig aanstalten om verandering te brengen in de huidige situatie. De moeder moet laten zien wat zij te bieden heeft, zodat de GI kan onderzoeken hoe zij haar kan ondersteunen. Het initiatief ligt bij de ouders.

De moeder is standvastig in haar besluit om bij de vader te blijven en samen voor [minderjarige] te zorgen. Dit maakt een opname in een moeder-kind huis niet mogelijk. De GI is van mening dat de houding van de moeder ten aanzien van het letsel van [minderjarige] en de grote zorgen rondom de rol van de vader bij het letsel, maken dat een thuisplaatsing op dit moment niet mogelijk is. De aanvaardbare termijn lijkt te verstrijken voor [minderjarige], gelet op zijn jonge leeftijd. Er moet duidelijkheid komen waar [minderjarige] kan gaan opgroeien. Het pleeggezin waar [minderjarige] nu verblijft is niet perspectief biedend en het is op dit moment onduidelijk of hij naar het pleeggezin waar zijn zus verblijft kan worden overgeplaatst.

2.6.

De kinderrechter overweegt dat uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, blijkt dat er nog steeds forse zorgen zijn over de veiligheid van [minderjarige] in de thuissituatie bij de ouders. De situatie is nauwelijks veranderd ten opzichte van de situatie zoals beschreven in de beschikking van 3 december 2025. Het strafrechtelijk onderzoek naar het letsel van [minderjarige] is nog niet afgerond. De situatie rondom het letsel van [minderjarige] kan niet los worden gezien van de eerdere veroordeling van de vader wegens zware mishandeling van [persoon], de zus van [minderjarige]. De moeder toont onvoldoende inzicht in de ernst van de situatie. Ondanks de veroordeling van de vader blijft zij voor hem kiezen. Dat de moeder aangeeft niet te weten waar het aan schort, acht de kinderrechter gegeven de situatie zeer zorgelijk. Gezien het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat er nog steeds forse zorgen bestaan over de veiligheid van [minderjarige] indien hij zou worden teruggeplaatst bij de ouders. Dit alles maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk is de GI te machtigen [minderjarige] langer uit huis te plaatsen. Het resterende verzoek van de Raad zal daarom worden toegewezen voor de volledige duur. Het is gezien de onveranderde situatie van de ouders niet de verwachting dat de situatie op korte termijn zal veranderen. De ouders zijn standvastig in hun besluit hun relatie voort te zetten en erkennen en herkennen de zorgen niet of onvoldoende. Er kan daarom geen hulpverlening voor de ouders worden ingezet en ouders lijken ook onvoldoende te ondernemen om de situatie te veranderen.

2.7.

[minderjarige] ontwikkelt zich goed in het pleeggezin waar hij verblijft, maar kan daar niet blijven. Gelet op de forse zorgen en de jonge leeftijd van [minderjarige] is de kinderrechter met de Raad van oordeel dat er zo snel mogelijk duidelijkheid moet komen over het perspectief van [minderjarige]. Het is aan de GI om de komende periode uit te zoeken of [minderjarige] geplaatst kan worden in het pleeggezin waar zijn zus [persoon] verblijft dan wel, indien dat niet mogelijk is, een ander perspectief biedend pleeggezin.

2.8.

De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

2.9.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

3 De beslissing

De kinderrechter:

3.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 3 juni 2026 tot 3 december 2026;

3.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 8 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.