Uitspraak · Omgevingsrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:5607Zaaknummer BRE 26/2512

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
10 augustus 2026
Zaaknummer
BRE 26/2512
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Omgevingsrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Omgevingswet | omgevingsvergunning voor bouw-, uitweg en kapactiviteit | schorsing kapactiviteit.

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de omgevingsvergunning te schorsen voor zover deze ziet op de activiteit vellen van een houtopstand. Aan dit onderdeel van de omgevingsvergunning kleven dusdanig veel gebreken dat de voorzieningenrechter twijfelt of dit onderdeel in beroep stand zal houden. De voorzieningenrechter zal dit onderdeel schorsen tot twee weken na de uitspraak in beroep.

13. Omdat het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegekend, krijgen verzoekers een vergoeding van de proceskosten en moet het college het griffierecht vergoeden. De proceskostenvergoeding bedraagt in totaal € 1.868,- . Dat is gebaseerd op twee punten (één punt voor het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening en één voor het bijwonen van de zitting) van € 934,- er punt. Het griffierecht bedraagt €200,-.

Besluit

De voorzieningenrechter:

  • schorst de omgevingsvergunning van 10 september 2024 voor wat betreft de activiteit vellen van een houtopstand tot twee weken na de uitspraak in beroep;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoekers moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier, op 25 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage Wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 7:11, eerste lid, bepaalt dat indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

Artikel 7:11, tweede lid bepaalt dat voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestuursorgaan het bestreden besluit herroept en het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit neemt.

Artikel 7:12, eerste lid, - voor zover hier relevant – bepaalt dat de beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.

Artikel 7:13, zevende lid, bepaalt dat indien de beslissing op het bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, wordt in de beslissing de reden voor die afwijking vermeldt en wordt het advies met de beslissing meegezonden.

Invoeringswet Omgevingswet

Artikel 4.3, aanhef en onder a bepaalt dat als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van toepassing: als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het bouwen van een bouwwerk.

Artikel 2.2., eerste lid bepaalt – voor zover hier relevant – dat voor zover ingevolge een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist voor:

e. een uitweg te maken, te hebben, te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen; én

g. een houtopstand te vellen of te doen vellen, een zodanige bepaling geldt als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit die activiteiten uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Artikel 2.10, eerste lid, bepaalt dat een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt geweigerd in geval van – kort gezegd – a) strijd met het Bouwbesluit b) strijd met de bouwverordening c) strijd met het bestemmingsplan en d) strijd met de redelijke eisen van welstand.

Artikel 2.18 bepaalt dat voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.

Algemene plaatselijke verordening Waalwijk 2022

Artikel 1:4, eerste lid, bepaalt dat aan een vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen kunnen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

Artikel 1:8, eerste lid, bepaalt dat een vergunning of ontheffing in ieder geval door het bevoegd gezag of het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan worden geweigerd in het belang van:

  • de openbare orde;
  • de openbare veiligheid;
  • de volksgezondheid;
  • e bescherming van het milieu.

Artikel 2:12, eerste lid en onder a bepaal dat het verboden is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een uitweg te maken naar de weg.

Artikel 2.12, tweede lid, bepaalt dat een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van:

  • de bruikbaarheid van de weg;
  • het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
  • de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
  • e bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

Artikel 4:10 bepaalt dat in deze afdeling wordt verstaan onder:

b. houtopstand: één of meer bomen mogelijk onderdeel uitmakend van een boomzone of boomstructuur.

i. project: een openbare (gemeentelijke) of particuliere activiteit of werkzaamheid die de fysieke leefomgeving ter plaatse van (een) houtopstand(en) wijzigt, en van invloed is op de houtopstand(en). Als voorbeelden kunnen worden genoemd het bouwen, of realiseren van gebouwen, bouwwerken, wegen, parken, watergangen etc.

Artikel 4:11, eerste lid, bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen die staan op percelen grond die in eigendom zijn van de gemeente Waalwijk, alsmede die zijn aangeduid in een nader door het college te nemen aanwijzingsbesluit.

Artikel 4:11, tweede lid, bepaalt dat in afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als de waarde van de houtopstand hoger is dan, of gelijk is aan de verwijderingsbelangen (overlast) van de houtopstand. Als sprake is van een project dan kan in afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 de vergunning worden geweigerd indien de waarde van de houtopstand 35 punten of meer is als bedoeld in de gemeentelijke beleidsregels.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  3. Conclusie en gevolgen
  4. Besluit
  5. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
  6. Bijlage Wettelijk kader

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/2512

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juni 2026 in de zaak tussen

1. [verzoekende partij 1]uit [plaats],

2. [verzoekende partij 2] ,uit [plaats],

3. [verzoekende partij 3]uit [plaats],

4. [verzoekende partij 4]uit [plaats],

5. [verzoekende partij 5]uit [plaats],

6. [verzoekende partij 6]uit [plaats]

7. [verzoekende partij 7]uit [plaats],

8. [verzoekende partij 8]uit [plaats],

9. [verzoekende partij 9]uit [plaats],

hierna gezamenlijk: verzoekers

(gemachtigde: mr. M. van Bladel-Oltean),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk, het college

(gemachtigde: mr. H. van de Werken).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Magna Capital Partners B.V. uit Waalwijk (vergunninghoudster)

(gemachtigde: mr. J. Mohuddy).

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen van drie appartementengebouwen, het vellen van houtopstanden (29 bomen) en het aanleggen van een uitweg op de locatie achter [adres]. Verzoekers zijn het niet mee eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij hebben daarom beroep ingesteld en hebben gelijktijdig verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

1.1.

Het college heeft een verweerschrift ingediend. Ook vergunninghoudster heeft schriftelijk gereageerd.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekers met [verzoekende partij 1], [verzoekende partij 2], [verzoekende partij 5], [verzoekende partij 6], namens het college de gemachtigde met [persoon 1] en namens vergunninghoudster mr E.P. Euverman (vervanger van de gemachtigde) met [persoon 2].

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Vergunninghoudster wil het perceel kadastraal bekend [kadastrale aanduiding] gaan ontwikkelen. Op 21 september 2023 heeft de gemeenteraad van de gemeente Waalwijk – om deze ontwikkeling planologisch mogelijk te maken – het Bestemmingsplan “ [adres] ” gewijzigd vastgesteld.

2.1.

Vergunninghoudster heeft vervolgens op 2 oktober 2023 een aanvraag om omgevingsvergunning voor het kappen van 43 houtopstanden ingediend en op 21 december 2023 een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van drie appartementengebouwen met in totaal 28 appartementen en voor het aanleggen van een uitrit.

2.2.

Tegen de vaststelling van het bestemmingsplan is door omwonenden beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS).

2.3.

Bij besluit van 10 september 2024 (primair besluit) heeft een college één omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten: het bouwen van een bouwwerk, het aanleggen van een uitweg en het vellen of doen vellen van een houtopstand (29 bomen) op het perceel kadastraal bekend [kadastrale aanduiding] gelegen achter [adres].

2.4.

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt.

2.5.

Op 13 december 2024 heeft de AbRS bij wijze van voorlopige voorziening het bestemmingsplan “ [adres] ” geschorst.

2.6.

Op 13 februari 2025 heeft de bezwaarschriftencommissie advies uitgebracht en geadviseerd de bezwaren gericht tegen de omgevingsvergunning gegrond te verklaren omdat de aanvraag getoetst is aan een – inmiddels – geschorst bestemmingsplan. De commissie adviseert het college om een nieuwe beslissing op de aanvraag te nemen aan de hand van de geldende planologische kaders. De overige bezwaargronden worden door de commissie niet besproken omdat dat volgens de commissie zou leiden tot gefragmenteerde besluitvorming.

2.7.

Bij brief van 20 februari 2025 heeft het college de beslistermijn van de beslissing op bezwaar verdaagd tot 25 augustus 2025 omdat voor het nemen van een nieuwe beslissing op de aanvraag om omgevingsvergunning de uitgebreide voorbereidingsprocedure moet worden gevolgd. Bij brief van 24 juni 2025 heeft het college de beslissing op bezwaar – met instemming van de bezwaarmakers – uitgesteld tot acht weken nadat de AbRS uitspraak heeft gedaan in de beroepen die zien op het bestemmingsplan “ [adres] ”.

2.8.

Op 25 februari 2026 heeft de AbRS uitspraak gedaan. Het bestemmingsplan is met wijziging van twee planregels in stand gelaten.

2.9.

Bij bestreden besluit van 19 maart 2026 heeft het college besloten het primair besluit na herroeping te toetsen aan het geldende planologische kader. De aanvraag past binnen het geldende bestemmingsplan “ [adres] ” waardoor het college heeft besloten dat de omgevingsvergunning van 10 september 2024 inclusief alle voorschriften alsnog in stand kan blijven.

Toetsingskader

3. Het bestreden besluit is gebaseerd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die wet is vervallen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet, blijft het oude recht van toepassing op een besluit op een aanvraag die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend. De aanvragen om omgevingsvergunning zijn ingediend op respectievelijk 2 oktober 2023 en 21 december 2023. Dit betekent dat de Wabo in dit geval van toepassing blijft

3.1.

De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Spoedeisend belang

5. De voorzieningenrechter treft enkel een voorlopige voorziening indien onverwijlde spoed dat vereist.[_b8312adf-0d85-4633-b28c-0950d4e9cdbb] Dat is onder andere het geval als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen, waardoor de uitkomst van de beroepsprocedure niet kan worden afgewacht. Eén van de met de omgevingsvergunning vergunde activiteiten ziet op het vellen van 29 bomen. Hierin ziet de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang.

Geen kortsluiting

6. De voorzieningenrechter zal niet ook direct uitspraak te doen in de hoofdzaak. Uit de hierna volgende bespreking volgt dat het bestreden besluit nogal wat gebreken kent. Deze gebreken zijn mogelijk te repareren. Door niet kort te sluiten stelt de voorzieningenrechter het college in de gelegenheid om – desgewenst – een poging te doen om de geconstateerde gebreken te herstellen en daarvoor de tijd tot de behandeling van het inhoudelijk beroep te gebruiken. De rechtbank streeft ernaar het inhoudelijk beroep zo snel mogelijk te behandelen en zal proberen een zitting te plannen in het vierde kwartaal van 2026.

Is het bestreden besluit het resultaat van een heroverweging als bedoeld in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht?

7. De voorzieningenrechter stelt vast dat de omgevingsvergunning van 24 september 2024 bestaat uit drie deelbesluiten: een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit, een omgevingsvergunning voor de uitwegactiviteit en een omgevingsvergunning voor de activiteit vellen voor een houtopstand. Het college maakt bij de behandeling van de bij hem ingediende bezwaarschriften gebruik van een onafhankelijke bezwaarschriftencommissie die adviseert over de ingediende bezwaarschriften. Ook in het voorliggende geval zijn de ingediende bezwaren voorgelegd aan deze commissie. In het uitgebrachte advies heeft de commissie echter enkel geadviseerd over het deelbesluit dat ziet op de activiteit bouwen. Over de bezwaargronden die zien op de andere deelbesluiten is geen advies uitgebracht. Uit het advies blijkt dat de commissie dit bewust heeft gedaan om gefragmenteerde besluitvorming te voorkomen. Het college heeft er vervolgens voor gekozen om – na de wijziging van het planologisch kader – de commissie niet te vragen om een (aanvullend) advies uit te brengen over de nog onbesproken bezwaargronden.

7.1.

Het bestreden besluit verwijst vervolgens voor de motivering naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, het in bezwaar ingebrachte verweerschrift van het college en de uitspraak van de AbRS over het bestemmingsplan. Uit het bestreden besluit blijkt niet welke stuk ziet op welke bezwaargrond, of er bezwaargronden slagen en wat daarvan de gevolgen voor de omgevingsvergunning zijn. Dat er één of meerdere bezwaargronden slagen, lijkt te volgen uit het feit dat een proceskostenvergoeding toegekend. Welke grond of gronden dit zijn blijkt niet uit het bestreden besluit.

7.2.

In het bestreden besluit wordt verder enerzijds vermeld dat de omgevingsvergunning van 10 september 2024 wordt herroepen en anderzijds dat deze omgevingsvergunning in stand blijft. De toelichting van het college op zitting heeft hierover ook geen duidelijkheid verschaft Het college had een keuze moeten maken. Of gemotiveerd afwijken van het advies van de bezwaarschriftencommissie en de omgevingsvergunning – met een aanvullende motivering over het bestemmingsplan – in stand laten. Of het advies van de commissie volgen en gelijktijdig daadwerkelijk een nieuwe beslissing op de aanvraag nemen.

7.3.

Gelet op het bovenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit een aantal procedurele gebreken kent en niet kan worden gesteld dat het bestreden besluit het resultaat is van een heroverweging als bedoeld in artikel 7:11 van de Awb. Dit is echter geen aanleiding voor de voorzieningenrechter om het bestreden besluit te schorsen. Het college zou deze procedurele gebreken immers kunnen herstellen door een zogenaamd 6:19 besluit[_5b77f577-71ff-400f-a0cb-174d46d7e472] te nemen.

Voorlopige beoordeling van de omgevingsvergunning

8. De voorzieningenrechter heeft hiervoor al vastgesteld dat de omgevingsvergunning van 10 september 2024 uit drie deelbesluiten bestaat. Ter zitting heeft vergunninghoudster een toelichting op de werkzaamheden gegeven. Zij wil eerst gebruik maken van de ‘kapvergunning’ omdat voor de bouw van in ieder geval een van de drie appartementengebouwen dit noodzakelijk is voordat met de bouwactiviteiten kan worden gestart. Vanuit economisch oogpunt wil zij daarna gelijktijdig de drie appartementengebouwen gaan oprichten Hieronder zal de voorzieningenrechter per deelbesluit een voorlopig oordeel vellen.

Bouwactiviteit

9. De voorzieningenrechter stelt vast dat de beroepsgronden die zien op de bouwactiviteit overeenkomen met de gronden die verzoekers hebben aangevoerd in de bestemmingsplanprocedure bij de AbRS. Het bouwplan past binnen het door de AbRS in stand gelaten bestemmingsplan “ [adres] ”, wat maakt dat de beoordeling van die gronden al heeft plaatsgevonden bij de procedure bij de AbRS. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft dit als gevolg dat in ieder geval de rechtsgevolgen van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit in stand kunnen blijven. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te schorsen.

Uitwegactiviteit

10. Verzoekers hebben aangevoerd dat de verkeersveiligheid door het vergunnen van de uitwegactiviteit in het geding is. De voorzieningenrechter stelt vast dat ook de uitweg onderdeel is geweest van de procedure bij de AbRS. Hoewel de procedure bij de AbRS niet zag op de omgevingsvergunning voor de uitwegactiviteit, betekent dat niet dat verkeerskundige rapporten uit die procedure niet ook van toepassing kunnen zijn in de omgevingsvergunningprocedure. Een eventueel motiveringsgebrek in de omgevingsvergunning voor de uitwegactiviteit zou kunnen worden hersteld, wat maakt dat de voorzieningenrechter geen reden tot twijfel heeft dat de rechtsgevolgen van de omgevingsvergunning voor de uitwegactiviteit in stand zouden kunnen blijven. Gelet daarop is er geen aanleiding voor schorsing van de omgevingsvergunning voor de uitwegactiviteit.

Vellen van een houtopstand (kapactiviteit)

11. De voorzieningenrechter stelt vast dat de aanvraag van 2 oktober 2023 ziet op het vellen van 43 houtopstanden (bomen). Met de omgevingsvergunning wordt een vergunning verleend voor het vellen van 29 houtopstanden. Uit de omgevingsvergunning blijkt niet wat er met de 14 resterende bomen is gebeurd en ook in het bestreden besluit wordt hierover niet gerept. Ter zitting werd aangegeven dat deze bomen niet vergunningplichtig zouden zijn. Dit blijkt niet uit de omgevingsvergunning en ook is de aanvraag op dit onderdeel niet (positief) geweigerd. Voor de voorzieningenrechter is bovendien op dit moment niet duidelijk op welke 29 bomen de omgevingsvergunning ziet en welke 14 bomen zullen worden behouden.

11.1.

De aanvraag is door het college met toepassing van de Werkwijze bomen Gemeente Waalwijk (hierna: Werkwijze) beoordeeld. Gelet op het overgangsrecht in de Beleidsregels Bomen 2025 en Beleidsregels bomen 2024 heeft het college terecht dat beleid toegepast. Uit de Werkwijze volgt dat allereerst aan de hand van beoordelingscriteria de waarde van een boom moet worden vastgesteld. Bij de (aanvraag om) omgevingsvergunning zit geen waardering per boom, maar een waardering van groepen bomen. Hierdoor is onduidelijk welke waarde een individuele boom heeft en of het college heeft in redelijkheid heeft kunnen besluiten om het vellen van die boom te vergunnen. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat hoe hoger de waarde van een boom op grond van de beoordelingscriteria, hoe zwaarder de motiveringsplicht voor het college om te onderbouwen dat de boom toch moet worden geveld.

11.2.

Tot slot volgt uit de omgevingsvergunning dat het college vergunninghoudster een herplantplicht voor 46 bomen heeft opgelegd. Dit lijkt het resultaat te zijn van de belangenafweging die geleid heeft tot de beslissing om het vellen van 29 bomen ondanks hun waarde en (deels) potentiële verplantbaarheid toch te vergunnen. Het is voor de voorzieningenrechter niet duidelijk waar welke bomen zullen worden herplant en of dit inderdaad voor alle 46 bomen op eigen terrein zal zijn. Het door het college overgelegde “ontwerp – aanplant tbv kapvergunning mei 2024” schept daarover alleen meer onduidelijkheid, nu er een verschil is tussen de tabel en de tekening. Er zal een duidelijke tekening moeten komen waarop alle 46 bomen staan met een bijbehorende tabel waarin per boom een soortaanduiding en minimale aanplantmaat wordt aangegeven.

11.3.

Gelet op het bovenstaande ziet de voorzieningenrechter wel aanleiding voor het schorsen van de omgevingsvergunning voor de kapactiviteit (vellen van 29 houtopstanden).

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de omgevingsvergunning te schorsen voor zover deze ziet op de activiteit vellen van een houtopstand. Aan dit onderdeel van de omgevingsvergunning kleven dusdanig veel gebreken dat de voorzieningenrechter twijfelt of dit onderdeel in beroep stand zal houden. De voorzieningenrechter zal dit onderdeel schorsen tot twee weken na de uitspraak in beroep.

13. Omdat het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegekend, krijgen verzoekers een vergoeding van de proceskosten en moet het college het griffierecht vergoeden. De proceskostenvergoeding bedraagt in totaal € 1.868,- . Dat is gebaseerd op twee punten (één punt voor het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening en één voor het bijwonen van de zitting) van € 934,- er punt. Het griffierecht bedraagt €200,-.

Besluit

De voorzieningenrechter:

  • schorst de omgevingsvergunning van 10 september 2024 voor wat betreft de activiteit vellen van een houtopstand tot twee weken na de uitspraak in beroep;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoekers moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier, op 25 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage Wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 7:11, eerste lid, bepaalt dat indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

Artikel 7:11, tweede lid bepaalt dat voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestuursorgaan het bestreden besluit herroept en het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit neemt.

Artikel 7:12, eerste lid, - voor zover hier relevant – bepaalt dat de beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.

Artikel 7:13, zevende lid, bepaalt dat indien de beslissing op het bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, wordt in de beslissing de reden voor die afwijking vermeldt en wordt het advies met de beslissing meegezonden.

Invoeringswet Omgevingswet

Artikel 4.3, aanhef en onder a bepaalt dat als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van toepassing: als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het bouwen van een bouwwerk.

Artikel 2.2., eerste lid bepaalt – voor zover hier relevant – dat voor zover ingevolge een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist voor:

e. een uitweg te maken, te hebben, te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen; én

g. een houtopstand te vellen of te doen vellen, een zodanige bepaling geldt als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit die activiteiten uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Artikel 2.10, eerste lid, bepaalt dat een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt geweigerd in geval van – kort gezegd – a) strijd met het Bouwbesluit b) strijd met de bouwverordening c) strijd met het bestemmingsplan en d) strijd met de redelijke eisen van welstand.

Artikel 2.18 bepaalt dat voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.

Algemene plaatselijke verordening Waalwijk 2022

Artikel 1:4, eerste lid, bepaalt dat aan een vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen kunnen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

Artikel 1:8, eerste lid, bepaalt dat een vergunning of ontheffing in ieder geval door het bevoegd gezag of het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan worden geweigerd in het belang van:

  • de openbare orde;
  • de openbare veiligheid;
  • de volksgezondheid;
  • e bescherming van het milieu.

Artikel 2:12, eerste lid en onder a bepaal dat het verboden is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een uitweg te maken naar de weg.

Artikel 2.12, tweede lid, bepaalt dat een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van:

  • de bruikbaarheid van de weg;
  • het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
  • de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
  • e bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

Artikel 4:10 bepaalt dat in deze afdeling wordt verstaan onder:

b. houtopstand: één of meer bomen mogelijk onderdeel uitmakend van een boomzone of boomstructuur.

i. project: een openbare (gemeentelijke) of particuliere activiteit of werkzaamheid die de fysieke leefomgeving ter plaatse van (een) houtopstand(en) wijzigt, en van invloed is op de houtopstand(en). Als voorbeelden kunnen worden genoemd het bouwen, of realiseren van gebouwen, bouwwerken, wegen, parken, watergangen etc.

Artikel 4:11, eerste lid, bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen die staan op percelen grond die in eigendom zijn van de gemeente Waalwijk, alsmede die zijn aangeduid in een nader door het college te nemen aanwijzingsbesluit.

Artikel 4:11, tweede lid, bepaalt dat in afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als de waarde van de houtopstand hoger is dan, of gelijk is aan de verwijderingsbelangen (overlast) van de houtopstand. Als sprake is van een project dan kan in afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 de vergunning worden geweigerd indien de waarde van de houtopstand 35 punten of meer is als bedoeld in de gemeentelijke beleidsregels.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.