Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 april 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:4786Zaaknummer C/02/439857 / FA RK 25-4747

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
C/02/439857 / FA RK 25-4747
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Overeenstemming kinderalimentatie. Intrekken verzoek vaststelling zorgregeling voor erkend, maar niet biologisch, kind.

De rechtbank

4.1

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man als bijdrage in de kosten van de minderjarige [minderjarige 1], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2022 voldoet:

- met ingang van 1 oktober 2025 een bedrag van € 202,= (tweehonderdentwee euro) per maand;

- met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 211,29 (tweehonderdelf euro en negenentwintig eurocent) per maand,

voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

4.2

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man als bijdrage in de kosten van de minderjarige [minderjarige 2], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2019 voldoet:

- met ingang van 1 april 2025 een bedrag van € 308,= (driehonderdenacht) per maand;

- met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 322,17 (driehonderd tweeëntwintig euro en zeventien eurocent) per maand,

voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

4.3

wijst af het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2].

Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/439857 / FA RK 25-4747

Datum uitspraak 30 april 2026

Beschikking over omgang en kinderalimentatie

in de zaak van

[de vrouw],

wonende in [woonplaats 1],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. J.M.G. Cox,

en

[de man],

wonende in [woonplaats 2],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. J.B. de Bree.

1 Het verloop van de procedure

1.1 In de beschikking van 12 september 2025 heeft de rechtbank, voor zover van belang, de zaak verwezen naar het cluster Familierecht van deze rechtbank voor de volgende verzoeken van de vrouw:

- vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2];

- vaststelling van een zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2].

1.2 In deze procedure heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:

- het op 18 september 2025 ontvangen verweerschrift met daarin zelfstandige verzoeken met bijlagen 1 tot en met 6 van de vrouw;

- de brief van mr. Cox van 3 november 2025;

- de brief van mr. De Bree van 6 november 2025;

- de brief van mr. Cox van 20 november 2025;

- de brief van mr. De Bree van 21 november 2025;

- het op 9 december 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandige verzoeken met bijlagen 1 tot en met 4 van de man;

- de brief van mr. Cox van 17 maart 2026;

- de brief van mr. De Bree van 20 maart 2026.

1.3 De zitting in deze zaak stond gepland op 2 april 2026. Op verzoek van partijen is deze zitting niet doorgegaan.

2 Wat vaststaat

2.1 Tussen partijen staat het volgende vast:

- partijen hebben een relatie met elkaar gehad;

- tijdens deze relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren:

[minderjarige 1], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2022;

- de man is de biologische vader van [minderjarige 1];

- voordat partijen een relatie kregen, is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren:

[minderjarige 2], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2019;

- de man is niet de biologische vader van [minderjarige 2];

- beide kinderen zijn door de man erkend en partijen hebben samen het ouderlijk gezag over hen.

2.2 In de beschikking van 4 november 2025 heeft de rechtbank bij wijze van provisionele voorziening bepaald dat de man, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist, de volgende bijdrage in de kosten van de kinderen moet betalen:

- met ingang van 1 oktober 2025 een voorlopige bijdrage in de kosten van [minderjarige 1] van € 202,= per maand;

- met ingang van 1 april 2025 een voorlopige bijdrage in de kosten van [minderjarige 2] van

€ 308,= per maand.

3 De beoordeling

3.1

Zoals hiervoor overwogen, moet op de volgende verzoeken van de vrouw in deze procedure nog worden beslist:

- vaststelling van een zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2];

- vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

Zorgregeling

3.2

In haar brief van 17 maart 2026 heeft de vrouw haar verzoek tot vaststelling van een zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2] ingetrokken. Dit verzoek hoeft daarom geen verdere inhoudelijke bespreking en zal worden afgewezen.

Kinderalimentatie

3.3

Uit de ingekomen stukken volgt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een door de man te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Partijen hebben het volgende met elkaar afgesproken:

- met ingang van 1 oktober 2025 betaalt de man een bijdrage in de kosten van [minderjarige 1] van € 202,= per maand. Vanaf 1 januari 2026 bedraagt deze bijdrage vanwege de wettelijke indexering € 221,29 per maand;

- met ingang van 1 april 2025 betaalt de man een bijdrage in de kosten van [minderjarige 2] van

€ 308,= per maand. Vanaf 1 januari 2026 bedraagt deze bijdrage vanwege de wettelijke indexering € 322,17 per maand.

3.4

De rechtbank beschouwt het verzoek van de vrouw als gewijzigd conform de gemaakte afspraken en zal dienovereenkomstig beslissen.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man als bijdrage in de kosten van de minderjarige [minderjarige 1], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2022 voldoet:

- met ingang van 1 oktober 2025 een bedrag van € 202,= (tweehonderdentwee euro) per maand;

- met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 211,29 (tweehonderdelf euro en negenentwintig eurocent) per maand,

voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

4.2

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man als bijdrage in de kosten van de minderjarige [minderjarige 2], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2019 voldoet:

- met ingang van 1 april 2025 een bedrag van € 308,= (driehonderdenacht) per maand;

- met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 322,17 (driehonderd tweeëntwintig euro en zeventien eurocent) per maand,

voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

4.3

wijst af het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2].

Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.