Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 april 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:4119Zaaknummer C/02/443472 FA RK 25-6728
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 14 april 2026
- Publicatiedatum
- 4 juni 2026
- Zaaknummer
- C/02/443472 FA RK 25-6728
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Overeenstemming over de omgangsregeling en de kinderalimentatie.
De rechtbank
bepaalt dat de man en de minderjarigen
1. [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2012,
2. [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2018;
recht hebben op omgang met elkaar:
- éénmaal per twee weken van vrijdag einde werktijd van de man tot zondag na het avondeten, waarbij de man de kinderen ophaalt bij de vrouw en ze daar ook weer terugbrengt;
- ieder jaar tijdens drie aaneengesloten weken in de zomervakantie, waarbij voor het jaar 2026 geldt dat de kinderen -zoals al is afgesproken door partijen- in week 32, 33 en 34 bij de man zijn en met dien verstande dat het verblijf in de zomervakanties uiterlijk in december van het voorafgaande jaar door partijen in overleg wordt vastgesteld;
- ieder jaar gedurende één week van de meivakantie, waarbij voor 2026 geldt dat de kinderen -zoals al is afgesproken tussen partijen- bij de man zijn van 26 april 2026 tot 3 mei 2026;
- tijdens de helft van de herfst-, carnaval- en kerstvakantie, in overleg te bepalen;
- tijdens overige feestdagen volgens de reguliere (weekend-)regeling;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, dus vanaf 23 december 2025, ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen aan de vrouw -voor de toekomst bij vooruitbetaling- moet voldoen een bedrag van € 150,= (honderdvijftig euro) per maand per kind.
Deze beschikking is gegeven door mr. van Oijen, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/443472 FA RK 25-6728
datum uitspraak: 28 april 2026
beschikking betreffende omgangsregeling en levensonderhoud
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 1],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. W.H.P. de Jongh,
en
[de man],
wonende te [woonplaats 2],
hierna te noemen de man,
zonder advocaat.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 23 december 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- de brief van mr. De Jongh van [geboortedag 2] 2026 met bijlage;
- de brief van mr. De Jongh van 2 april 2026 met bijlagen
- de brief van de griffier aan de man van 4 februari 2026.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 9 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw en haar advocaat. De man is niet verschenen.
1.3 Na te noemen minderjarigen zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Zij hebben geen gebruik gemaakt van die gelegenheid.
2 De feiten
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad;
- uit hun relatie zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2012,
2. [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2018;
- genoemde kinderen zijn door de man erkend;
- de vrouw is belast met het ouderlijkgezag over die minderjarigen;
- er is geen rechterlijke uitspraak van kracht ter zake de omgang;
- er is geen rechterlijke uitspraak van kracht op grond waarvan de man een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen moet voldoen.
3 Het verzoek
De vrouw verzoekt, samengevat:
- vaststelling van een omgangsregeling;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen van € 150,= per maand per kind met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift.
4 De beoordeling
Over de goederen van de vrouw is bewind ingesteld. De bewindvoerder heeft aan de vrouw toestemming gegeven om deze procedure zelfstandig te voeren. De vrouw is dus de formele procespartij in deze zaak.
Bij voormelde brief heeft de griffier de man opgeroepen voor de zitting. De man is echter niet verschenen. Hij heeft ook geen verweerschrift ingediend. De rechtbank zal de verzoeken daarom als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Tijdens de zitting heeft de vrouw verklaard dat zij en de man voor de meivakantie in 2026 en de zomervakantie in 2026 al met elkaar hebben afgesproken wanneer de kinderen bij de man zullen zijn. Op verzoek van de vrouw zal de rechtbank deze regeling vastleggen in deze beschikking.
5 De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat de man en de minderjarigen
1. [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2012,
2. [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2018;
recht hebben op omgang met elkaar:
- éénmaal per twee weken van vrijdag einde werktijd van de man tot zondag na het avondeten, waarbij de man de kinderen ophaalt bij de vrouw en ze daar ook weer terugbrengt;
- ieder jaar tijdens drie aaneengesloten weken in de zomervakantie, waarbij voor het jaar 2026 geldt dat de kinderen -zoals al is afgesproken door partijen- in week 32, 33 en 34 bij de man zijn en met dien verstande dat het verblijf in de zomervakanties uiterlijk in december van het voorafgaande jaar door partijen in overleg wordt vastgesteld;
- ieder jaar gedurende één week van de meivakantie, waarbij voor 2026 geldt dat de kinderen -zoals al is afgesproken tussen partijen- bij de man zijn van 26 april 2026 tot 3 mei 2026;
- tijdens de helft van de herfst-, carnaval- en kerstvakantie, in overleg te bepalen;
- tijdens overige feestdagen volgens de reguliere (weekend-)regeling;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, dus vanaf 23 december 2025, ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen aan de vrouw -voor de toekomst bij vooruitbetaling- moet voldoen een bedrag van € 150,= (honderdvijftig euro) per maand per kind.
Deze beschikking is gegeven door mr. van Oijen, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.