Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 april 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:4094Zaaknummer C/02/442988 / JE RK 25-2232

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
C/02/442988 / JE RK 25-2232
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Intrekkingsbeschikking restant machtiging uithuisplaatsing

4 De beslissing

De kinderrechter:

wijst het resterende deel van het verzoek ten aanzien van de uithuisplaatsing af.

Deze beslissing is gegeven door mr. De Beer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026, in aanwezigheid van Den Boer, griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 De nadere beoordeling
  4. 4 De beslissing

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/442988 / JE RK 25-2232

Datum uitspraak: 13 april 2026

Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),

gevestigd te Middelburg,

over

[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2018 te [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige 1],

[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige 2].

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats].

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • de beschikking van de kinderrechter van 8 januari 2026 met alle daarin vermelde stukken
  • het bericht van de GI met bijlagen, ontvangen op 27 maart 2026.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

2.2.

Bij beschikking van 7 oktober 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 7 oktober 2025 en tot 21 oktober 2025. Tevens heeft de kinderrechter bij deze beschikking een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend met ingang van 7 oktober 2025 en tot 21 oktober 2025.

2.3.

Bij beschikking van 17 oktober 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 17 oktober 2025 en tot 17 oktober 2026. Tevens is bij deze beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een netwerkpleeggezin verlengd met ingang van 17 oktober 2025 en tot 17 januari 2026.

2.4.

Bij beschikking van 8 januari 2026 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een netwerkpleeggezin verlengd met ingang van 17 januari 2026 en tot 17 april 2026. Het resterende deel van het verzoek van de GI is aangehouden.

2.5.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op grond van de laatstgenoemde machtiging in een netwerkpleeggezin.

3 De nadere beoordeling

3.1.

De kinderrechter verwijst naar de voornoemde eerder in deze procedure gegeven beschikking, waarbij de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een netwerkpleeggezin is verlengd tot 17 april 2026 en het resterende deel van het verzoek van de GI is aangehouden.

3.2.

De GI heeft in haar brief d.d. 27 maart 2026 geconcludeerd dat er inmiddels sprake is van een positieve ontwikkeling waarbij de kinderen inmiddels volledig thuis bij de moeder verblijven, onder inzet van passende en intensieve hulpverlening en met waarborging van de veiligheid volgens gemaakte veiligheidsafspraken. Gezien deze ontwikkeling wordt de machtiging tot uithuisplaatsing niet langer noodzakelijk acht.

3.3.

De kinderrechter stelt vast dat de GI het resterende deel van haar verzoek ten aanzien van de uithuisplaatsing niet langer handhaaft en dat dit geen inhoudelijke beoordeling en beslissing meer behoeft. De kinderrechter zal daarom het resterende deel van het verzoek afwijzen.

3.4.

De leidt tot de volgende beslissing.

4 De beslissing

De kinderrechter:

wijst het resterende deel van het verzoek ten aanzien van de uithuisplaatsing af.

Deze beslissing is gegeven door mr. De Beer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026, in aanwezigheid van Den Boer, griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.