Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 april 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:3569Zaaknummer 25/4788, 25/4789, 25/4790, 25/4791

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
25/4788, 25/4789, 25/4790, 25/4791
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

hersteluitspraak griffierecht

De rechtbank:

- herstelt de tussen partijen onder bovengenoemd zaaknummer gedane uitspraak van 5 maart 2026 aldus, dat het kopje beslissing als volgt komt te luiden: “De rechtbank veroordeelt het college tot betaling van € 700,50 aan proceskosten aan verzoekster en bepaalt dat het college aan verzoekster het betaalde griffierecht € 212,00 (€ 53,00 per zaak) moet vergoeden.

- laat voornoemde uitspraak voor het overige ongewijzigd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier, op 30 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesverloop
  2. Overwegingen
  3. Beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/4788, 25/4789, 25/4790 en 25/4791

uitspraak van 30 april 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster], uit [plaats], verzoekster,

(gemachtigde: mr. M. Özgül),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente, het college.

Procesverloop

Op 5 maart 2026 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in bovengenoemde zaak.

Overwegingen

De gemachtigde van eiser heeft naar aanleiding van de uitspraak van 5 maart 2026 (hierna: de uitspraak) een e-mail gestuurd op 6 maart 2026. De gemachtigde merkt op dat in betreffende zaken één uitspraak is gewezen waarbij er sprake is van een proceskostenveroordeling. In de proceskostenveroordeling is bepaald dat slechts eenmaal het griffierecht van € 53,00 vergoed moet worden door het college, terwijl in alle vier de zaken het griffierecht is betaald door verzoekster.

De rechtbank oordeelt dat op basis van het bovenstaande gebleken is dat in het dictum (onder het kopje beslissing) van genoemde uitspraak een onjuistheid is vermeld. Het betreft het griffierecht van € 53,00. Eiser heeft immers in alle vier de beroepszaken afzonderlijk het griffierecht van € 53,- betaald. Daarom zal de rechtbank de uitspraak als volgt herstellen.

Beslissing

De rechtbank:

- herstelt de tussen partijen onder bovengenoemd zaaknummer gedane uitspraak van 5 maart 2026 aldus, dat het kopje beslissing als volgt komt te luiden: “De rechtbank veroordeelt het college tot betaling van € 700,50 aan proceskosten aan verzoekster en bepaalt dat het college aan verzoekster het betaalde griffierecht € 212,00 (€ 53,00 per zaak) moet vergoeden.

- laat voornoemde uitspraak voor het overige ongewijzigd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier, op 30 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.