Uitspraak · Belastingrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 januari 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:315Zaaknummer BRE 25/929

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
BRE 25/929
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

8:54; Beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van

mr. W. Dekkers, griffier, op 23 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Informatie over verzet

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 25/929

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 10 juni 2024. Het beroep ziet op de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2020 met aanslagnummer [BSN].H.06.01.

1.1.

Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Toetsingskader

3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken.[_a31fe663-279e-41fe-a375-242c6440bc43] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar.[_2a909263-bfbd-453d-b90c-df17695a49e9] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.[_0be80c71-c090-416c-8bfd-0bb511f1f670]

3.1.

Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.[_5b19990d-7e0e-4200-81e8-9a247e88c656]

Is het beroep te laat ingediend?

4. Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 10 juni 2024 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 22 juli 2024.

4.1.

Belanghebbende heeft op 25 november 2024 digitaal beroep ingesteld. Dit beroep is in eerste instantie aangemerkt als beroep tegen de in rekening gebrachte aanmaningskosten bij de aanslag IB/PVV 2020 (BRE 24/7979). Naar aanleiding van de berichten van belanghebbende van 9 en 15 februari 2025 is het beroepschrift van 25 november 2024 ook aangemerkt als gericht tegen de aanslag IB/PVV 2020 (BRE 25/929).

Is het te laat indienen verontschuldigbaar?

5. Belanghebbende heeft hiervoor de volgende reden gegeven. Belanghebbende wist niet waar hij nog terecht kon, toen zijn bezwaar in de zomer van 2024 was afgewezen. Belanghebbende heeft op advies van de ombudsman een klacht ingediend, omdat hem niet duidelijk was wat de kosten van een beroepsprocedure zouden zijn. Belanghebbende heeft nooit een schriftelijke reactie op zijn klacht ontvangen.

5.1.

De door belanghebbende genoemde redenen zijn geen verontschuldiging voor dit verzuim. Er is geen sprake van niet aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheden die tot gevolg hadden dat het beroepschrift na de termijn is ingediend. De rechtbank acht ook geen sprake van geringe verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende. Uit de stukken volgt dat belanghebbende de uitspraak op bezwaar heeft ontvangen. Belanghebbende was binnen de beroepstermijn in de gelegenheid om een klacht in te dienen en had dus ook beroep in kunnen stellen of een ander in kunnen schakelen dit namens hem te doen. Indien

de afhandeling van de klacht voor belanghebbende reden was om (alsnog) beroep in te dienen, had belanghebbende dat eerder dan 25 november 2024 moeten doen. De rechtbank overweegt tot slot dat de hoogte van de kosten voor de beroepsprocedure is terug te vinden op de website van de rechtbank.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van

mr. W. Dekkers, griffier, op 23 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.