Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 april 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:2971Zaaknummer 26/1163 WVW VV

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
26/1163 WVW VV
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Pkv. Griffierecht. Afgewezen. Niet tegemoetgekomen. Schorsing rijbewijs was al opgeheven voordat verzoek om voorlopige voorziening door verweerder was ontvangen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 14 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
  2. De directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder.
  3. Inleiding
  4. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  5. Beslissing
  6. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/1163

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

De directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het CBR in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van 23 februari 2026. Bij dit besluit is verzoekers rijbewijs ongeldig verklaard per 2 maart 2026. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

1.1.

De voorzieningenrechter heeft CBR in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling tot proceskosten. Het CBR heeft de voorzieningenrechter meegedeeld geen aanleiding te zien om de proceskosten/het griffierecht te vergoeden.

1.2.

De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.[_29fc6cbb-4a5a-4f1f-b6ee-f6c1cb10a002]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.

Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?

3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.[_57dc8e9b-832b-414e-b3a0-1d7443d579b3]

3.1.

Verzoeker heeft zelf een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Niet is gebleken dat sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Evenmin is gebleken dat andere kosten zijn gemaakt als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) waarop een proceskostenveroordeling betrekking kan hebben. Gelet daarop bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3.2.

Evenmin bestaat aanleiding te bepalen dat het CBR het griffierecht moet vergoeden.

Daarvoor zou aanleiding kunnen zijn indien het CBR aan het verzoek tot voorlopige voorziening tegemoet is gekomen.

Is het CBR aan het verzoek tegemoetgekomen?

4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het CBR niet tegemoet is gekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening.

4.1.

Verzoeker heeft op 26 februari 2026 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend inzake het besluit van het CBR van 23 februari 2026. Bij dat besluit heeft het CBR verzoekers rijbewijs ongeldig verklaard per 2 maart 2026.

4.2.

Uit het dossier blijkt dat de griffie het verzoek om voorlopige voorziening op 27 februari 2026 per post aan het CBR heeft toegezonden, zodat het CBR dit verzoek niet eerder dan op 28 februari 2026 kan hebben ontvangen. Het CBR heeft echter dezelfde dag, dat het verzoek door de griffie aan haar is toegezonden -op 27 februari 2026 dus- al beslist op het bezwaar van verzoeker. Daarbij is dit bezwaar kennelijk ongegrond verklaard, maar is uit coulance besloten om de ongeldigverklaring van verzoekers rijbewijs omgaand op te heffen.

4.3.

Omdat het CBR al had besloten om de ongeldigverklaring van verzoekers rijbewijs op te heffen voordat zij bekend kon zijn met het verzoek om voorlopige voorziening, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van tegemoetkomen aan de indiener van het verzoekschrift.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 14 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.