Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18 februari 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:2829Zaaknummer C/02/443362 FA RK 25-6654
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 18 februari 2026
- Publicatiedatum
- 20 april 2026
- Zaaknummer
- C/02/443362 FA RK 25-6654
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoek voorlopige pal toegewezen. Man niet uitgeschreven op adres voormalige gezamenlijke woning. Uitgaan van inkomen dat de man heeft verdiend en van werkelijke woonlasten. Inkomensvergelijking.
De rechtbank
bepaalt dat de man met ingang van de datum van deze beschikking aan de vrouw voor levensonderhoud bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 160,= (honderdzestig euro) per maand;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Jong, rechter, in tegenwoordigheid van mr. Van Egeraat, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/443362 FA RK 25-6654
18 februari 2026
beschikking betreffende voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. B. Krijnen,
en
[de man],
ingeschreven te [woonplaats],
hierna te noemen de man,
advocaat mr. G.S. de Haas.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 24 december 2025 ontvangen verzoekschrift met producties 1 tot en met 4;
- de op 13 januari 2026 ontvangen brief van mr. Krijnen met daarbij producties 5 tot en met 7;
- het op 14 januari 2026 ontvangen verweerschrift met producties 1 tot en met 4; en
- de op 16 januari 2026 ontvangen brief van mr. Krijnen met daarbij productie 8;
- het op 19 januari 2026 door mr. De Haas ingediende F9-formulier met productie 5.
1.2. De zaak is behandeld op de zitting van 19 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.
1.3. Na de zitting heeft de rechtbank, op verzoek van partijen, de zaak twee weken aangehouden. Op 3 februari 2026 heeft mr. Krijnen de rechtbank verzocht om beschikking te wijzen.
2 De verzoeken
De vrouw verzoekt, samengevat, te bepalen dat de man een onderhoudsbijdrage aan haar van € 1.000,= bruto per maand moet betalen.
De man voert verweer.
3 De beoordeling
Uitschrijving BRP
Voordat de rechtbank het verzoek tot vaststelling van een voorlopige partneralimentatie zal beoordelen, merkt de rechtbank het volgende op.
Uit de stukken en tijdens de zitting is duidelijk geworden dat het werkelijke geschilpunt tussen partijen is gelegen in de inschrijving van de man in de Basisregistratie Personen op het adres van de voormalige gezamenlijke woning in [woonplaats], waar de vrouw nog altijd woont. De man heeft die woning verlaten, maar heeft zich nog niet van dat adres laten uitschrijven. Volgens de vrouw kan zij daardoor geen aanvullende uitkering en/of huurtoeslag aanvragen. Het is om die reden dat de vrouw een (aanvullende) onderhoudsbijdrage van de man nodig heeft. Hoewel in dat verband geen verzoek aan de rechtbank voorligt, is daarover met partijen tijdens de zitting uitgebreid gesproken. De vrouw heeft toen gezegd dat zij haar verzoek zou intrekken als de man zich laat uitschrijven van bedoeld adres. Op verzoek van partijen heeft de rechtbank de zaak twee weken aangehouden om de man in de gelegenheid te stellen die uitschrijving te regelen. Daarbij heeft de man aan de vrouw toegezegd voorlopig een bedrag van € 344,= te betalen als tegemoetkoming in de huurlasten.
Uit het bericht van mr. Krijnen van 3 februari 2026 blijkt dat de man nog altijd staat ingeschreven op het adres van de voormalige gezamenlijke woning, zodat de vrouw haar verzoek tot vaststelling van een voorlopige partneralimentatie handhaaft. In deze beschikking zal de rechtbank dat verzoek daarom beoordelen en een beslissing geven.
Voorlopige partneralimentatie
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
De man heeft niet weersproken dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage van de man in haar levensonderhoud, omdat zij nu niet kan beschikken over een aanvullende uitkering en/of huurtoeslag. De man betwist de draagkracht te hebben tot betaling van enige bijdrage. Omdat het debat tussen partijen zich ook in die zin heeft beperkt, zal ook de rechtbank volstaan met het bepalen van de (hoogte van de) bij de man aanwezige financiële draagkracht om een onderhoudsbijdrage te voldoen.
Draagkracht van de man
De financiële draagkracht van de man om een bijdrage ten behoeve van de vrouw te betalen wordt in 2026 bij een netto besteedbaar inkomen (NBI) vastgesteld aan de hand van de formule 60% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,=)].
NBI van de man
Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens.
De man ontvangt volgens de ingediende uitkeringsspecificaties van het UWV een inkomen van € 1.606,89 bruto per maand op grond van een Wajong-uitkering, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag.
De vrouw heeft erop gewezen dat de man daarnaast een dienstverband heeft bij [bedrijf] in [woonplaats] waaruit hij aanvullend inkomen genereert. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat met dat inkomen geen rekening moet worden gehouden, omdat hij sinds 16 december 2025 van [bedrijf] geen salaris meer ontvangt. Uit een door de man overgelegde brief blijkt dat zijn werkgever de salarisbetaling per die datum heeft opgeschort omdat de man zich op 6 oktober 2025 heeft ziekgemeld en daarna niet meer bereikbaar is geweest. Verder heeft de man aangevoerd dat hij op dit moment in [plaats] verblijft. Daar wil de man zich vestigen. Gezien de afstand tot [woonplaats] is niet te verwachten dat de man nog een vervolg kan geven aan zijn dienstverband bij [bedrijf]. Om die reden moet volgens de man geen rekening worden gehouden met een aanvullend inkomen.
De rechtbank is van oordeel dat wel rekening moet worden gehouden met het inkomen van de man uit zijn dienstverband bij [bedrijf]. Weliswaar ontvangt de man dat inkomen op dit moment feitelijk niet, maar dat komt door zijn eigen handelen. Het is een (vrije) keuze geweest van de man om naar [plaats] te verhuizen, waardoor het niet meer mogelijk is om zijn werkzaamheden voor [bedrijf] te verrichten. Bovendien heeft de man tijdens de zitting gezegd dat hij met een jobcoach op zoek is naar ander werk in [plaats] waarmee hij hoopt over niet al te lange tijd eenzelfde aanvullend inkomen te verwerven.
Voor het geval de rechtbank zou oordelen dat met het inkomen van de man van [bedrijf] rekening gehouden moet worden, heeft de man zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat gerekend moet worden met een inkomen van € 600,= bruto per maand. De rechtbank zal de man daarin volgen. Tijdens de zitting heeft de man zijn loonstroken van november en december 2025 overgelegd. Uit de loonstrook van december 2025 leidt de rechtbank af dat de man in 2025 van [bedrijf] in totaal een bruto loon heeft ontvangen van € 5.896,=. Dat betekent dat het inkomen dat de man van [bedrijf] heeft ontvangen in ieder geval niet hoger is geweest dan € 600,= bruto per maand. Daar zal de rechtbank voor de berekening van het NBI van de man, naast zijn Wajong-uitkering, dan ook van uitgaan, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen, waaronder de jonggehandicaptenkorting, en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man op een bedrag van € 1.922,= per maand. De rechtbank verwijst naar de aangehechte berekening.
Woonbudget
Partijen zijn het niet eens over de hoogte van het woonbudget dat bij de berekening van de draagkracht van de man in aanmerking moet worden genomen. Volgens de vrouw heeft de man geen woonlasten. De man heeft aangevoerd dat hij op dit moment € 300,= per maand aan kostgeld betaalt, waarvan € 200,= ziet op wonen en € 100,= op eten en drinken. De vrouw heeft die stelling van de man betwist. De rechtbank laat in het midden of de man zijn huidige woonlast voldoende heeft onderbouwd. Niet in geschil is immers dat de man de voormalige gezamenlijke woning in [woonplaats] heeft verlaten en op zoek is naar een (eigen) woonruimte waar hij zich kan inschrijven. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet realistisch om ervan uit te gaan dat de man ergens kan wonen zonder kosten te maken. De rechtbank vindt het daarom niet redelijk om in het geheel geen rekening te houden met een woonlast zoals de vrouw betoogt. De rechtbank zal aansluiten bij het door de man genoemde bedrag van € 200,=, welk bedrag de man naar verwachting minimaal kwijt zal zijn aan woonkosten in de toekomst.
Draagkracht en fiscaal voordeel
De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 214,= per maand.
Als de man partneralimentatie betaalt, dan mag hij de betaalde partneralimentatie als aftrekpost opvoeren in de belastingaangifte. Daardoor betaalt de man minder belasting, zodat hij meer ruimte heeft voor het betalen van partneralimentatie. De rechtbank telt daarom dat belastingvoordeel op bij de draagkracht. Daarmee komt de draagkracht van de man op een bedrag van € 333,- bruto per maand.
Inkomensvergelijking
Het betoog van de man dat beide partijen een inkomen op minimumniveau hebben en dat het (daarom) onredelijk is als de een zou moeten bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de ander, begrijpt de rechtbank als een verzoek om een inkomensvergelijking.
Om te kunnen vaststellen of de vrouw bij vaststelling van genoemde onderhoudsbijdrage niet in een betere financiële positie wordt gebracht dan de man, dat wil zeggen niet meer vrij besteedbaar overhoudt dan de man, zullen de financiële omstandigheden van de vrouw en de man worden vergeleken.
Voor wat betreft het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van een bedrag van € 1.723,= per maand, gebaseerd op een inkomen uit loondienst van € 1.516,18 per vier weken, te vermeerderen met vakantietoeslag.
Vergelijking van de financiële omstandigheden, daarbij rekening houdend met alle fiscale gevolgen, brengt de rechtbank tot het oordeel dat de vrouw en de man een gelijk bedrag vrij te besteden hebben wanneer de onderhoudsbijdrage wordt vastgesteld op een bedrag van € 160,= bruto per maand.
De rechtbank heeft een berekening gemaakt. Deze wordt als bijlage toegevoegd en maakt daarmee deel uit van deze beschikking.
Ingangsdatum
Gelet op de toezegging van de man ter zitting om in verband met de aanhouding van de zaak voor twee weken, aan de vrouw een bedrag van € 344,= te voldoen als tegemoetkoming in haar huurlasten, zal de rechtbank de ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage bepalen op de datum van deze beschikking.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van de datum van deze beschikking aan de vrouw voor levensonderhoud voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 160,= (honderdzestig euro) bruto per maand.
Tot slot
Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open. Uit artikel 824 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat alleen cassatie in het belang der wet kan worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft.
4 De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat de man met ingang van de datum van deze beschikking aan de vrouw voor levensonderhoud bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 160,= (honderdzestig euro) per maand;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Jong, rechter, in tegenwoordigheid van mr. Van Egeraat, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.