Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 9 maart 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:2809Zaaknummer C/02/397856 / FA RK 22-2276
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 9 maart 2026
- Publicatiedatum
- 20 april 2026
- Zaaknummer
- C/02/397856 / FA RK 22-2276
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
eindbeschikking na afloop UHA
De rechtbank:
stelt de volgende (definitieve) zorgregeling vast: de minderjarige [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019, verblijft de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw (co-ouderschap);
wijzigt de door de man te betalen voorlopige kinderalimentatie, zoals vastgesteld in de beschikking van deze rechtbank van 28 juli 2023 en stelt deze bijdrage vanaf 10 maart 2025 op nihil;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, tevens kinderrechter, en in tegenwoordigheid van de griffier, mr. Knops-Pijper in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Volledige tekst
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/397856 / FA RK 22-2276
Beschikking van 9 maart 2026
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 1],
advocaat: mr. C.G.M. Baas te Bergen op Zoom,
tegen
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2],
advocaat: mr. M.A. Breewel-Witteveen te Bergen op Zoom.
1. Het verdere procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 16 augustus 2022 en van 28 juli 2023 en de daarin vermelde stukken;
- de afsluitende rapportage UHA, ontvangen op 20 mei 2025;
- het F9-formulier van 18 september 2025 van mr. Baas;
- de brief van mr. Breewel-Witteveen van 2 november 2025;
- de brief van mr. Baas van 14 november 2025;
- het F9-formulier van 15 december 2025 van mr. Breewel-Witteveen;
- het F9-formulier van 12 januari 2026 van mr. Breewel-Witteveen;
- het F9-formulier van 13 januari 2026 van mr. Baas.
2 De verdere beoordeling
Bij beschikking van 28 juli 2023 heeft de rechtbank:
- het verzoek van de vrouw met betrekking tot het gezag afgewezen; partijen oefenen daarom nog steeds het gezamenlijk gezag uit over de minderjarige; - bepaald dat de minderjarige haar hoofdverblijf zal hebben bij de vrouw;
- bepaald dat de voorlopige zorgregeling, zoals vastgelegd in de beschikking van 16 augustus 2022, wordt voortgezet;
- de verdeling van de zomer- en herfstvakantie 2023 vastgesteld;
- een door de man aan de vrouw te betalen (voorlopige) kinderalimentatie vastgesteld; omdat de rechtbank al een voorlopige kinderbijdrage heeft vastgesteld, heeft zij het provisionele verzoek van de vrouw om vaststelling van een voorlopige kinderalimentatie (zaaknummer C/02/412282 / FA RK 23-3557) afgewezen;
- bepaald dat de man de ontstane achterstand in de te betalen kinderalimentatie in termijnen zal voldoen.
Ook heeft de rechtbank partijen verwezen voor een (jeugd)hulpverleningstraject binnen het Uniform Hulpaanbod. De rechtbank heeft het verwijzingsformulier en de resultatenlijst naar het loket van de zorgregio West-Brabant-West verzonden met het verzoek om de verwijzing verder in behandeling te nemen en om uiterlijk op de familiekamerrol van 6 februari 2024 de rapportage over het verloop en het resultaat van het traject in te dienen.
De beslissing op het verzoek over de definitieve zorgregeling is aangehouden in afwachting van het resultaat van het hulpverleningstraject. De beslissing over de definitieve kinderbijdrage is aangehouden totdat er definitief is beslist over de zorgregeling.
Het hulpverleningstraject heeft meer tijd gekost dan de oorspronkelijke termijn van zes maanden die in de beschikking staat. Op verzoek van het loket heeft de rechtbank de termijn meerdere keren verlengd. De rechtbank ontving de afsluitende rapportage op 20 mei 2025, waarin staat dat het traject positief is afgerond. De uitkomst van het traject is dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de zorgregeling en dat zij de minderjarige verzorgen in een co-ouderschapsvorm, waarbij beide partijen gelijk de zorg voor de minderjarige delen.
In de daarna van partijen ontvangen reacties hebben beide partijen aangegeven dat de co-ouderschapsregeling, zoals afgesproken in het hulpverleningstraject, als definitieve zorgregeling kan worden opgenomen in een eindbeschikking. Verder hebben partijen aangegeven dat zij zijn overeengekomen dat de man met de start van de co-ouderschapsregeling geen kinderalimentatie meer aan de vrouw verschuldigd is. Beide partijen hebben de rechtbank verzocht de zaak schriftelijk af te doen.
De rechtbank zal de overeengekomen zorgregeling vastleggen in het dictum van deze beschikking, ook omdat niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet. De voorlopige zorgregeling die bij beschikking van 16 augustus 2022 was vastgesteld, vervalt nu partijen een andere regeling zijn overeengekomen.
Over de kinderalimentatie hebben partijen ook overeenstemming bereikt. Omdat partijen de minderjarige verzorgen in een co-ouderschapsvorm, zijn zij overeengekomen dat de man geen kinderalimentatie meer betaalt. Zij hebben ervoor gekozen om de kosten van de minderjarige te voldoen uit de kinderbijslag en het kindgebonden budget, waarbij de vrouw maandelijks de helft van het kindgebonden budget en elk kwartaal de helft van de kinderbijslag aan de man overmaakt.
Nu partijen een andere regeling zijn overeengekomen, dient de door de rechtbank bij beschikking van 28 juli 2023 vastgestelde voorlopige kinderalimentatie te worden gewijzigd. Deze is namelijk niet meer in overeenstemming met de nieuwe afspraken tussen partijen.
Partijen hebben afgesproken dat de man geen kinderalimentatie meer aan de vrouw hoeft te betalen, omdat zij een co-ouderschapsregeling hebben. Uit de brief van 14 november 2025 van mr. Baas blijkt dat de co-ouderschapsregeling op 10 maart 2025 is ingegaan. Vanaf die datum hoeft de man dus geen kinderalimentatie meer aan de vrouw te betalen.
Bij de start van de co-ouderschapsregeling bestond kennelijk nog een achterstand in de betaling van kinderalimentatie. De rechtbank begrijpt uit de reactie van de vrouw dat deze achterstand zag op reeds vervallen termijnen en dat deze is verrekend met het aandeel van de man in de door de vrouw ontvangen kinderbijslag en het kindgebonden budget. De rechtbank leidt hieruit af dat er nu geen achterstand meer openstaat.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank in het dictum opnemen dat de kinderalimentatie die de man aan de vrouw betaalt vanaf 10 maart 2025 op nihil wordt gesteld. Indien de bijdrage eerst per datum van deze beschikking op nihil zou worden gesteld, zoals de vrouw heeft verzocht, zou dat ten onrechte impliceren dat de alimentatieverplichting tot die datum heeft voortgeduurd, terwijl tussen partijen vaststaat dat deze met de start van de co-ouderschapsregeling per 10 maart 2025 is geëindigd.
3 De beslissing
De rechtbank:
stelt de volgende (definitieve) zorgregeling vast: de minderjarige [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019, verblijft de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw (co-ouderschap);
wijzigt de door de man te betalen voorlopige kinderalimentatie, zoals vastgesteld in de beschikking van deze rechtbank van 28 juli 2023 en stelt deze bijdrage vanaf 10 maart 2025 op nihil;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, tevens kinderrechter, en in tegenwoordigheid van de griffier, mr. Knops-Pijper in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.