Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 9 maart 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:2720Zaaknummer C/02/445187 / FA RK 26-873

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
C/02/445187 / FA RK 26-873
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Toewijzing 1e RM - 4 maanden i.p.v. 6 maanden met als opdracht om samen aan een plan van aanpak te werken voor de terugkeer naar huis van betrokkene

De rechtbank:

6.1.

verleent een machtiging tot opname en verblijf voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1959 in [geboorteplaats];

6.2.

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 9 juli 2026.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026 door mr. Janssen, rechter, in aanwezigheid van Vermare, griffier en op schrift gesteld op 19 maart 2026.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 Wat vaststaat
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/445187 / FA RK 26-873

Datum uitspraak: 9 maart 2026

Beschikking rechterlijke machtiging

op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor

[betrokkene],

geboren op [geboortedag] 1959 in [geboorteplaats],

hierna te noemen betrokkene,

wonend in [plaats 1],

verblijvende in de [accommodatie] te [plaats 2],

advocaat mr. J.H.P.M. Verhagen uit Breda.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 18 februari 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 maart 2026. Daarbij zijn gehoord:

  • betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
  • de heer [persoon 1], echtgenoot;
  • de heer [persoon 2], zoon;
  • mevrouw [persoon 3], mentor;
  • mevrouw [persoon 4], specialist ouderengeneeskunde;
  • mevrouw [persoon 5], verzorgende.

2 Wat vaststaat

2.1.

Betrokkene verblijft in de [accommodatie] te [plaats 2].

2.2.

Voor betrokkene is mentorschap ingesteld.

3 Het verzoek

3.1.

Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden.

4 De standpunten

4.1.

Betrokkene brengt, samengevat, naar voren dat zij van mening is dat haar welzijn thuis beter is dan wanneer zij in de accommodatie verblijft. Betrokkene geeft aan dat zij al langere tijd tegen haar zin verblijft in de accommodatie. In de weekenden gaat betrokkene overdag naar huis (vrijdag, zaterdag en zondag). Ze wordt dan na het ontbijt opgehaald door haar zoon en na het avondeten terug gebracht. Betrokkene komt de dagen moeilijk door maar probeert zichzelf goed te houden en overal aan mee te doen zodat de dag snel voorbij gaat. Voorts geeft betrokkene aan dat zij zich onder druk gezet voelt door de mentor en een hoofdverpleegkundige op het moment dat zij moest beslissen over een opname. Betrokkene geeft aan dat haar echtgenoot inmiddels een gastvrouw en opvang heeft geregeld voor wanneer zij terug naar huis mag.

4.2.

De mentor verklaart dat zij het idee heeft dat het goed met betrokkene gaat sinds haar verblijf in de accommodatie. De mentor snapt de wens van betrokkene om naar huis te gaan, maar zij is van mening dat de zorg passender is in de accommodatie dan wanneer betrokkene thuis verblijft. Daarnaast hebben [accommodatie] en [stichting] aangegeven dat zij de zorg niet kunnen leveren indien betrokkene naar huis gaat. Betrokkene heeft intensieve zorg nodig met name ook in de nachten.

4.3.

De specialist ouderengeneeskunde voert, samengevat, aan dat de zorg die betrokkene nodig heeft in de accommodatie geboden kan worden. Sinds het begin van de opname wordt er een achteruitgang gezien in haar fysieke toestand. Voor wat betreft de behandeling lopen de behandelaren een beetje vast. De verzorging van betrokkene wordt moeilijker vanwege haar spasme. Geheugenproblemen staan bij betrokkene niet op de voorgrond maar zijn er wel, aldus de specialist ouderengeneeskunde.

4.4.

De verzorgende geeft aan dat betrokkene met twee man wordt verzorgd omdat het aanraken van het lichaam vaak een spasme veroorzaakt, hetgeen pijnlijk is voor betrokkene. Ook in de nacht heeft ze regelmatig hulp nodig.

4.5.

De echtgenoot verklaart dat betrokkene thuis op haar best is en zich goed voelt. Er wordt van alles gedaan om het leven voor betrokkene zo aangenaam mogelijk te maken. De echtgenoot geeft aan dat hij met plezier de zorg draagt voor zijn vrouw.

4.6.

De zoon geeft aan dat het belangrijk is dat betrokkene gehoord wordt. Sinds betrokkene onder dwang is geplaatst in de accommodatie gaat het heel slecht met haar. Volgens hem zijn de aantijgingen van VeiligThuis volledig uit context gehaald.

4.7.

De advocaat voert, samengevat, aan dat betrokkene vol zit van de gang van zaken rondom haar plaatsing in de accommodatie. Betrokkene geeft aan dat zij heel graag naar huis wil. Volgens de onafhankelijk specialist ouderengeneeskunde zijn er minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel af te wenden, aldus de advocaat. Alleen wordt er met een beschuldigende vinger naar de echtgenoot en zoon gewezen. Betrokkene relativeert dit en zegt dat het sterk overtrokken is, maar vooral uit verband is getrokken. De zoon van betrokkene rijdt meerdere malen op en neer om zijn moeder op te halen en te brengen. De echtgenoot is elke dag bij zijn echtgenote te vinden in de accommodatie als ze niet thuis is. Het valt de advocaat op dat er weinig wordt samengewerkt in deze zaak. Volgens de advocaat dient iedereen zijn schouders eronder te zetten en samen te werken waarbij het doel gericht kan zijn op een terugkeer van betrokkene naar huis. De advocaat vindt het heel jammer dat betrokkene de dupe is van de gang van zaken. De advocaat bepleit een status quo, waarbij betrokkene in de accommodatie verblijft met de voorgeschreven medicatie en nog steeds naar huis kan in de weekenden. Daarnaast dient er gewerkt te worden aan een plan waarbij de neuzen dezelfde richting opstaan en er openlijk wordt gesproken over de mogelijkheden om betrokkene thuis te verzorgen. Daarbij moeten zowel de echtgenoot als de zoon enerzijds en het zorgteam anderzijds het belang van betrokkene voorop stellen en echt willen samenwerken. De advocaat bepleit dan ook primair voor afwijzing omdat er sprake is van vrijwilligheid. Subsidiair pleit de advocaat voor aanhouding voor een aantal maanden zodat er gekeken kan worden wat er mogelijk is en hoe de terugkeer van betrokkene gerealiseerd kan worden. Echter, eist dit een hele andere houding van alle aanwezigen. Betrokkene verdient dit en heeft hier ook recht op.

5 De beoordeling

5.1.

De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van vier maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.

5.2.

Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een ziekte of aandoening die op grond van artikel 1, vierde lid van de Wet zorg en dwang (Wzd) gelijkgesteld is aan een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap, te weten neurocognitieve stoornis ten gevolge van multiple sclerose.

5.3.

Het gedrag dat voortvloeit uit deze aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige verwaarlozing en bedreiging van de veiligheid van betrokkene al dan niet doordat betrokkene onder invloed van een ander raakt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat bij betrokkene sprake is van een lichamelijke en psychische toestand waardoor zij haar eigen belangen niet goed kan overzien of behartigen. Binnen het gezin worden de medische adviezen in twijfel getrokken. De echtgenoot en zoon kiezen voor een andere aanpak dan door de behandeld artsen wordt geadviseerd. Betrokkene geeft zelf aan te weten dat zij niet van MS zal genezen, maar vindt het fijner thuis te zijn in de omgeving die haar lief is en rust geeft. Voorts is betrokkene voorafgaand aan de opname sterk vermagerd en was sprake van ernstige vitaminetekorten. In de thuissituatie waren er signalen van verbale en fysieke mishandeling. Eerder heeft de thuiszorg aangegeven de zorg te willen afschalen vanwege de schrijnende situatie en de grote impact op de medewerkers. De echtgenoot en zoon zouden zich meermalen dreigend hebben uitgelaten richting zorgverleners, waardoor zij zich vaak onveilig voelen tijdens het uitvoeren van hun werkzaamheden.

5.4.

De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Door de vergevorderde MS van betrokkene is zij niet goed in staat om voor zichzelf op te komen of zichzelf te beschermen tegen verkeerde beslissingen van anderen, waaronder haar echtgenoot en zoon. Omdat betrokkene kwetsbaar en afhankelijk is van anderen, is terugkeer naar huis zonder adequate zorg onveilig en mogelijk levensgevaarlijk.

5.5.

Betrokkene verzet zich hiertegen. Zij heeft een sterke wens om thuis verpleegd te worden. Betrokkene geeft aan dat zij zich door haar mentor onder druk gezet voelt en dat de opname voor haar niet als vrijwillig wordt ervaren. Betrokkene begrijpt niet waarom zij de benodigde zorg niet thuis kan ontvangen en is het oneens met de beoordeling dat de thuissituatie onveilig zou zijn.

5.6.

Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Duidelijk is dat de huidige situatie op dit moment gecontinueerd moet worden. Er lijkt een strijd gevoerd te worden over het hoofd van betrokkene heen over welke zorg nu adequaat is. De rechtbank vindt, gelet op de intrinsieke wens van betrokkene thuis verpleegd te worden dat er nog eenmaal een poging gewaagd moet worden om te kijken of de behandelaren en de echtgenoot en zoon op een lijn kunnen komen voor wat betreft de benodigde zorg. Als er met echtgenoot en zoon duidelijke afspraken gemaakt zouden kunnen worden over wat wel en niet is toegestaan, en als de thuiszorg extra hulp en toezicht zou geven, dan zou het misschien mogelijk zijn dat zij thuis kan wonen zonder dat dit haar schaadt. Maar dit lijkt op dit moment helaas niet haalbaar.

5.7.

Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor verlening van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd. De machtiging zal worden verleend voor de duur van vier maanden. De rechtbank heeft de termijn beperkt, als signaal dat er gewerkt dient te worden aan een gezamenlijk plan, waarbij de (on)mogelijkheden in kaart worden gebracht voor de terugkeer naar huis van betrokkene.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

verleent een machtiging tot opname en verblijf voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1959 in [geboorteplaats];

6.2.

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 9 juli 2026.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026 door mr. Janssen, rechter, in aanwezigheid van Vermare, griffier en op schrift gesteld op 19 maart 2026.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.