Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 6 maart 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:2605Zaaknummer C/02/445728 / JE RK 26-377 (spoed PGJ)

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
C/02/445728 / JE RK 26-377 (spoed PGJ)
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

spoed PGJ

5 De beslissing

De kinderrechter:

5.1.

verleent een spoedmachtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 11 maart 2026 en tot 25 maart 2026;

5.2.

houdt de behandeling van de verzoeken voor het overige aan en roept de GI, de moeder en [minderjarige] en haar advocaat op te verschijnen tijdens de mondelinge behandeling van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, in het gerechtsgebouw aan Kousteensedijk 2 te [locatie], op [datum] 2026 om [uur], teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;

5.3.

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de GI, de moeder, [minderjarige] en haar advocaat;

5.4.

bepaalt dat de vader via een aparte brief wordt opgeroepen voor de mondelinge behandeling.

Deze beschikking is gegeven door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026, in aanwezigheid van drs. Swint als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedures
  2. 2 De feiten
  3. 3 De verzoeken
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummers: C/02/445728 / JE RK 26-377 (spoed PGJ)

C/02/445730 / JE RK 26-379 (regulier PGJ)

Datum uitspraak: 6 maart 2026

Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp

in de zaak van

STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,

gevestigd te Middelburg,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),

betreffende

[minderjarige],

geboren op [geboortedag] 2011 te [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

advocaat: mr. N. Wouters te Middelburg.

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 1].

De kinderrechter merkt als informant aan:

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats 2].

1 Het verloop van de procedures

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoek van de GI met bijlagen van 6 maart 2026.

1.2.

Aan [minderjarige] is als advocaat toegevoegd mr. N. Wouters te Middelburg.

2 De feiten

2.1.

[minderjarige] is erkend door de vader.

2.2.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.3.

Bij beschikking van 4 juli 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met

ingang van 4 juli 2024 en tot 4 juli 2025. Daarnaast is een machtiging tot uithuisplaatsing

van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 4 juli 2024 en tot 4 januari 2025.

2.4.

Bij beschikking van 23 december 2024 heeft de kinderrechter een

spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor

jeugdhulp verleend voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 23 december

2024 en tot 6 januari 2025.

2.5.

Bij beschikking van 3 januari 2025 heeft de kinderrechter een machtiging om

[minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend voor de

duur van twee maanden, te weten met ingang van 3 januari 2025 tot 3 maart 2025. Het

resterende deel van het verzoek is aangehouden.

2.6.

Bij beschikking van 28 februari 2025 heeft de kinderrechter het resterende deel van de machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van één maand toegewezen, te weten met ingang van 3 maart 2025 en tot 3 april 2025.

2.7.

Bij beschikking van 2 april 2025 heeft de kinderrechter een machtiging tot

uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met

ingang van 2 april 2025 en tot 4 juli 2025.

2.8.

Bij beschikking van 5 juni 2025 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging om

[minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend voor de

duur van twee weken, te weten met ingang van 5 juni 2025 tot 19 juni 2025. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.

2.9.

Bij beschikking van 11 juni 2025 is het resterende deel van de spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp afgewezen en is een (reguliere) machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 11 juni 2025 en tot 4 juli 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.

2.10.

Bij beschikking van 25 juni 2025, hersteld bij beschikking van 31 juli 2025, is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd voor de duur van een jaar, te weten tot 4 juli 2026. Het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van een jaar is aangehouden.

2.11.

Bij separate beschikking van 25 juni 2025 heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 4 juli 2025 en tot 11 september 2025. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.

2.12.

Bij tussenbeschikking van 4 september 2025 is er een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden, met ingang van 11 september 2025 tot 11 december 2025.

2.13.

Bij beschikking van 5 december 2025 is er een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden, met ingang van 11 december 2025 tot 11 maart 2026.

3 De verzoeken

3.1.

De GI verzoekt een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur van drie weken. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

3.2.

De GI verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging voor gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur van vier maanden.

4 De beoordeling

4.1.

Uit de informatie van de GI volgt dat de voortgang van [minderjarige] binnen [accommodatie] is gestagneerd. Hiernaast zijn er zorgen over haar veiligheid binnen een open setting. Het is dan ook momenteel nog niet mogelijk voor [minderjarige] om terug naar huis te gaan. De afgelopen periode zou benut worden om vertrouwen te versterken, samenwerking te verbeteren en te onderzoeken welke vervolgstappen nodig waren voor een veilige thuissituatie. [minderjarige] is onvoldoende extern te motiveren om haar gedrag te veranderen en heeft regelmatig een beperkt reflectievermogen. Hoewel ze soms openheid kon tonen, zorgde de voortdurende onrust in haar omgeving ervoor dat zij zich emotioneel afsloot. Ze vermijdt gesprekken over haar gevoelens, trekt zich snel terug op haar kamer en kampt met depressieve gedachten. Deze patronen maken dat er momenteel nog onvoldoende draagkracht en veiligheid is om haar in een open setting of thuis te laten functioneren. Gezien dit gedragspatroon en de stagnatie in haar ontwikkeling acht de GI het noodzakelijk om gericht toe te werken naar de thuissituatie bij de moeder in grotere en concrete stappen, mits er passende intensieve hulpverlening wordt ingezet om de veiligheid en stabiliteit in het gezin te waarborgen. Een gesloten setting is gezien het bovenstaande voor nu nog noodzakelijk.

4.2.

De GI heeft het verzoek tot verlenging van de gesloten plaatsing van [minderjarige] op 27 februari 2026 bij de rechtbank ingediend. Gezien de afloopdatum van de huidige machtiging gesloten plaatsing, te weten 11 maart 2026 is het niet mogelijk gebleken om deze zaak tijdig mondeling te behandelen en de belanghebbenden te horen op het verzoek. Om deze reden heeft de GI heden een spoedverzoek ingediend. De kinderrechter ziet zich genoodzaakt om – in afwachting van een zitting waarin het verzoek besproken kan worden - de bestaande situatie ten aanzien van [minderjarige] te laten voortduren gezien de zorgen over [minderjarige]. De kinderrechter heeft een ernstig vermoeden dat er ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen zijn die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die ze nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen (artikel 6.1.3, tweede lid, Jeugdwet (Jw)). De gedragswetenschapper die [minderjarige] op 4 maart jl. heeft onderzocht heeft ingestemd met de verzochte plaatsing.

4.3.

De GI, [minderjarige], haar advocaat, de moeder en de vader worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hierna genoemde mondelinge behandeling. In afwachting van deze mondelinge behandeling zal de spoedmachtiging tot gesloten plaatsing voor de duur van twee weken worden verleend, te weten met ingang van 11 maart 2026 en tot 25 maart 2026. Het overige deel van het verzoek en het reguliere verzoek worden aangehouden.

5 De beslissing

De kinderrechter:

5.1.

verleent een spoedmachtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 11 maart 2026 en tot 25 maart 2026;

5.2.

houdt de behandeling van de verzoeken voor het overige aan en roept de GI, de moeder en [minderjarige] en haar advocaat op te verschijnen tijdens de mondelinge behandeling van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, in het gerechtsgebouw aan Kousteensedijk 2 te [locatie], op [datum] 2026 om [uur], teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;

5.3.

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de GI, de moeder, [minderjarige] en haar advocaat;

5.4.

bepaalt dat de vader via een aparte brief wordt opgeroepen voor de mondelinge behandeling.

Deze beschikking is gegeven door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026, in aanwezigheid van drs. Swint als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.