Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20 januari 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:2112Zaaknummer C/02/443465 / JE RK 25-2311
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 20 januari 2026
- Publicatiedatum
- 26 maart 2026
- Zaaknummer
- C/02/443465 / JE RK 25-2311
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Resterende deel verzoek PGJ afgewezen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/443465 / JE RK 25-2311
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Nadere beschikking machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
hierna te noemen: de voogdes,
gevestigd in Eindhoven,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige],
advocaat: mr. R.T.K. Davidse uit Middelburg.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. F. Pool uit Rotterdam,
[minderjarige],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2].
1 Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 20 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken.
De nadere zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige], die voorafgaand aan de mondelinge behandeling ook apart is gehoord, met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat mr. Witteveen, kantoorgenoot van mr. Pool;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de voogdes.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
Het verzoek is, gelijktijdig met het verzoek van de GI tot een voorwaardelijke machtiging gesloten plaatsing (C/02/445390 / JE RK 26-321) behandeld tijdens de zitting van 10 maart 2026. In laatstgenoemde procedure is afzonderlijk beslist.
2 De feiten
Bij beschikking van deze rechtbank van 11 januari 2022 is [minderjarige] onder voogdij gesteld van de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering.
Bij beschikking van deze rechtbank van 14 oktober 2025 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 14 oktober 2025 en tot 28 oktober 2025, zonder voorafgaand horen van de belanghebbenden. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
Bij beschikking van deze rechtbank van 24 oktober 2025 is een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 24 oktober 2025 en tot 24 januari 2026.
Bij beschikking van 20 januari 2026 is een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 20 januari 2026 en tot 20 maart 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
[minderjarige] verblijft op grond van de laatstgenoemde machtiging bij [accommodatie].
3 Het (resterende) verzoek
De voogdes verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden.
Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek voor de periode 20 maart 2026 tot 20 april 2026.
4 De nadere standpunten
De voogdes heeft tijdens de zitting het verzoek tot machtiging gesloten jeugdhulp voor het nog resterende deel gehandhaafd. De voogdes wil zekerheid dat er een passende dagbesteding voor [minderjarige] beschikbaar is voordat hij definitief naar huis gaat. De voogdes vreest dat het ontbreken van een dagbesteding kan leiden tot terugval. Indien de intake bij de dagbesteding bij [dagbesteding] positief verloopt en [minderjarige] daar kan starten ziet de voogdes ruimte voor beëindiging van de gesloten plaatsing en voortzetting van het traject in het kader van de eveneens verzochte voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp. [dagbesteding] is op de hoogte van de situatie van [minderjarige] en de intake vindt in de week na de zitting plaats. Dat kon niet eerder, mede door de afwezigheid van de voogdes. Bij een akkoord van het [dagbesteding] en instemming van [minderjarige] kan hij daar per direct starten. Verder merkt de voogdes op dat [minderjarige] zich de afgelopen periode positief heeft ontwikkeld binnen [accommodatie]. Hij houdt zich aan afspraken, zijn verloven verlopen goed en er zijn geen recente incidenten geweest. Volgens de voogdes is het perspectief gericht op terugkeer naar huis bij de moeder.
Door en namens de moeder wordt tijdens de zitting verzocht om afwijzing van het resterende deel van het verzoek tot machtiging gesloten jeugdhulp. De moeder geeft aan dat dit verzoek zich niet verdraagt met het eveneens ingediende verzoek tot een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp waarin juist wordt uitgegaan van een terugkeer naar huis. Volgens de moeder heeft [minderjarige] zich positief ontwikkeld, houdt hij zich aan de afspraken en zijn de verloven zonder problemen verlopen. Dat de dagbesteding nog niet volledig geregeld is, kan volgens de moeder geen grond vormen voor een verlenging van een ingrijpende vrijheidsbeperkende maatregel als een gesloten plaatsing. De moeder is akkoord dat per 20 maart 2026 een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp wordt toegewezen met duidelijke voorwaarden waaronder het niet gebruiken van drugs of alcohol.
De Raad adviseert tijdens de zitting het resterende deel van het verzoek tot machtiging gesloten jeugdhulp af te wijzen. Volgens de Raad is een gesloten plaatsing een ultimum remedium en staat deze maatregel niet langer in verhouding tot de huidige positieve ontwikkeling van [minderjarige]. Het enkel afwachten van een dagbestedingsplek vormt volgens de Raad geen voldoende grond om de gesloten plaatsing voort te zetten. De Raad acht het passend dat [minderjarige] na afloop van de huidige machtiging naar de moeder terugkeert onder de voorwaarden van een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp, zoals opgenomen in het hulpverleningsplan.
5 De nadere beoordeling
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is het de kinderrechter gebleken dat op dit moment wordt toegewerkt naar een terugplaatsing van [minderjarige] naar de thuissituatie bij zijn moeder. De kinderrechter overweegt dat de gesloten plaatsing in oktober 2025 noodzakelijk werd geacht vanwege ernstige escalaties in de thuissituatie waarbij sprake was van agressief gedrag van [minderjarige] richting zijn moeder en een instabiele situatie binnen het gezin. De zorgen over veiligheid en het ontbreken van een passende daginvulling maakten destijds dat een gesloten plaatsing noodzakelijk werd geacht om verdere escalaties te voorkomen en om stabiliteit te creëren.
De kinderrechter constateert nu dat [minderjarige] zich gedurende zijn verblijf bij [accommodatie] positief heeft ontwikkeld. Hij heeft laten zien dat hij bereid is om samen te werken met de hulpverlening en dat hij afspraken beter kan nakomen. Daarnaast wordt gewerkt aan uitbreiding van verlof en voorbereiding op een terugkeer naar huis. De verloven die reeds hebben plaatsgehad, waaronder een recent verlof van vier dagen bij de moeder, zijn goed verlopen. De thuissituatie bij de moeder is ten positieve gewijzigd. Er is een hulpverleningsplan voor een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp opgesteld waarin afspraken zijn vastgelegd voor [minderjarige] om de thuissituatie bij de moeder voldoende stabiel en veilig te laten zijn. Binnen dit kader wordt onder meer ingezet op Multidimensionele Familietherapie (MDFT), een buddytraject en het realiseren van een passende dagbesteding. Het doel van het verzoek tot de voorwaardelijke machtiging is om de positieve ontwikkeling van [minderjarige] te behouden en terugval te voorkomen terwijl tegelijkertijd een vangnet beschikbaar blijft voor het geval de situatie opnieuw onveilig wordt. Een belangrijke voorwaarde binnen dit traject is dat [minderjarige] structurele dagbesteding heeft. Naar verwachting zal deze dagbesteding plaatsvinden bij [dagbesteding] als overbrugging richting verdere scholing zoals een MBO-opleiding.
Gelet op de positieve ontwikkeling van [minderjarige], de inzet van hulpverlening en het perspectief op een terugkeer naar huis onder duidelijke voorwaarden is de kinderrechter van oordeel dat een voortzetting van de gesloten plaatsing niet langer noodzakelijk is. De verwachting is bovendien dat [minderjarige] zijn motivatie voor het goed laten verlopen van de plaatsing zal verliezen indien de machtiging gesloten plaatsing voor langere duur zal worden uitgesproken. De huidige machtiging gesloten jeugdhulp loopt nog tot 20 maart 2026 waarna kan worden overgegaan tot een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp in het kader van de terugkeer naar huis. Deze voorwaardelijke machtiging is uitgesproken op 10 maart 2026.
Vanwege het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de gesloten plaatsing moet worden afgewezen.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6 De verdere beslissing
De kinderrechter:
wijst het resterende deel van het verzoek van de voogdes af.
| Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 19 maart 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.