Uitspraak · Belastingrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 oktober 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:10288Zaaknummer BRE 25/1616

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
BRE 25/1616
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

inhouding loonheffing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 23 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffierrechter

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Feiten
  5. Beoordeling door de rechtbank
  6. Conclusie en gevolgen
  7. Beslissing
  8. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 25/1616

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2023 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente. Belanghebbende is het niet eens met de aanslag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt of de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd. Dit betekent dat de aanslag in stand blijft. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 114.682. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur € 405 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).

2.1.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 februari 2025 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.

Feiten

3. Belanghebbende heeft in 2023 inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking ontvangen van de [gemeente 1] en de [gemeente 2].

3.1.

Belanghebbende heeft over 2023 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.694, bestaande uit een loon van de [gemeente 1] van € 69.229, ingehouden loonheffingen van € 22.310 en een aftrek wegens negatieve inkomsten uit eigen woning van € 3.535.

3.2.

Bij brief van 30 september 2024 heeft de inspecteur belanghebbende meegedeeld af te wijken van de ingediende aangifte, omdat belanghebbende volgens de loongegevens van zijn werkgevers in 2023 in totaal € 118.217 aan loon heeft ontvangen, waarop in totaal € 38.669 aan loonheffing is ingehouden. Volgens het renseignement bedraagt het van de [gemeente 2] ontvangen loon € 48.988 en hierop is € 16.359 aan loonheffingen ingehouden.

3.3.

De inspecteur heeft de definitieve aanslag IB/PVV 2023 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 114.682, bestaande uit een inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking van € 118.217 en een aftrek wegens negatieve inkomsten uit eigen woning van € 3.535. De inspecteur heeft verschuldigde IB/PVV berekend op € 48.111. Na verrekening van de ingehouden loonheffingen van € 38.669 en de verleende voorlopige teruggave van € 1.549 leidt de aanslag leidt tot een te betalen bedrag van € 10.991. Daarnaast is aan belanghebbende € 405 belastingrente in rekening gebracht.

Beoordeling door de rechtbank

Vooraf – verzoek uitstel zitting

3.4.

Belanghebbende heeft op 6 september 2026 verzocht om uitstel van de zitting wegens een kort verblijf in het buitenland. De rechtbank heeft in het licht van een goede procesgang en voortgang van de zaak besloten de zitting buiten aanwezigheid van belanghebbende te laten doorgaan. De rechtbank heeft daaraan voorrang gegeven boven het belang van belanghebbende om de behandeling van de zaak op een ander moment te laten plaatsvinden. Bij deze beslissing heeft de rechtbank meegewogen dat belanghebbende op 31 juli 2026 is uitgenodigd voor de zitting, maar hij het verzoek om uitstel pas circa vijf weken na ontvangst van de zittingsuitnodiging heeft gedaan. Dit terwijl de verhindering al eerder bij hem bekend was, uit de boekingsgegevens die belanghebbende heeft bijgevoegd blijkt dat het verblijf reeds op 22 mei 2026 is geboekt. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek niet zo spoedig als mogelijk is gedaan. Daarom heeft de rechtbank het verzoek om uitstel afgewezen.

De aanslag

3.5.

Vast staat dat de werkgevers van belanghebbende loonheffing hebben ingehouden tegen het tarief van 36,93% en de loonheffingskorting is toegepast. Door het samenvoegen van de twee afzonderlijke inkomstenbronnen is op het arbeidsinkomen van belanghebbende tevens de derde schijf van het progressieve tarief van de inkomstenbelasting (box 1) van toepassing. Dit leidt tot een hoger bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting dan aan loonheffing is ingehouden. Omdat de ingehouden loonheffing een voorheffing is van de IB/PVV moet belanghebbende de verschuldigde IB/PVV over zijn loon bijbetalen op de aanslag IB/PVV. Dit vloeit rechtstreeks voort uit de toepassing van de geldende wettelijke bepalingen.

3.6.

Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Dat beide werkgevers het tarief van 36,93% en de loonheffingskorting hebben toegepast, is niet onjuist. De werkgevers weten immers niet hoeveel loon belanghebbende in totaal ontving in 2023 en ook niet dat belanghebbende meerdere werkgevers had. Daarnaast leidt de inhouding tegen het lagere tarief er alleen toe dat belanghebbende een deel van de door hem verschuldigde IB/PVV later (bij de aanslag) voldoet dan wanneer de heffingen meteen van zijn loon waren ingehouden. In totaal betaalt belanghebbende dus niet meer belasting dan in de situatie dat de werkgevers de loonheffingen mede tegen de derde schijf van het progressieve tarief hadden ingehouden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur het op de aanslag te betalen bedrag juist berekend.

3.7.

Voor zover belanghebbende stelt dat de aanslag niet mocht worden opgelegd omdat er geen sprake is van een bewuste fout oordeelt de rechtbank als volgt. De belastingschuld vloeit rechtstreeks uit de wet voort. De inspecteur heeft de belastingschuld vastgesteld door het opleggen van de aanslag binnen drie jaren na het jaar waarover belasting geheven wordt. De vraag of sprake is een bewuste fout van de zijde van belanghebbende is daarbij niet relevant. Het beroep van belanghebbende op de uitspraak van Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 18 september 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2945, baat hem ook niet omdat in het geval van belanghebbende de inhoudingsplichtigen op de juiste wijze loonheffingen hebben ingehouden.

Evenredigheidsbeginsel

3.8.

Belanghebbende stelt dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.

3.9.

In het geval van belanghebbende is de rechtbank van oordeel dat de wet in overeenstemming is toegepast met hetgeen de wetgever voor ogen heeft gehad. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van bijzondere of onvoorziene omstandigheden waarvan redelijkerwijs aangenomen moet worden dat de wetgever deze niet heeft verdisconteerd bij het opstellen van de relevante wetgeving. Bovendien had belanghebbende zelf initiatief kunnen nemen om een (nadere) voorlopige aanslag aan te vragen, waardoor belanghebbende al eerder de voorlopige teruggave van € 1.549 had kunnen terugbetalen. Gelet hierop is van een zodanig uitzonderlijke situatie, die toepassing van de wet in dit geval tot een evident onredelijke uitkomst zou maken, geen sprake.

Motiveringsbeginsel

3.10.

Belanghebbende stelt dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd omdat de inspecteur zijn standpunt herhaalt en niet onderbouwt waarom de individuele omstandigheden geen andere beoordeling rechtvaardigen.

3.11.

De rechtbank overweegt dat schending van het motiveringsbeginsel – zo daar al sprake van is – in beginsel niet leidt tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar. Naar het oordeel van de rechtbank is in het voorliggende geval geen sprake van een schending van het motiveringsbeginsel. In de uitspraak op bezwaar komt voldoende specifiek naar voren waarom de aanslag is gehandhaafd. Dat belanghebbende het niet eens is met dit standpunt, maakt niet dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd.

Belastingrentebeschikking

3.12.

Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 23 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffierrechter

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.