Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 7 oktober 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:10238Zaaknummer 12040460 \ CV EXPL 26-57

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
7 oktober 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
12040460 \ CV EXPL 26-57
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Declaratie zorgkosten ambulancerit. Verzekeraar stelt dat gedaagde door ambulance is vervoerd en vordert (gedeelte van) kosten. Gedaagde betwist gemotiveerd dat hij degene was die door ambulance werd vervoerd. Hij verbleef in buitenland. Niet vast komen te staan dat gedaagde door ambulance is vervoerd. Vordering afgewezen.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

wijst de vorderingen van CZ af,

4.2.

veroordeelt CZ in de proceskosten van [gedaagde], tot op heden vastgesteld op € 150,00,

4.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. Paijmans en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V. en
  2. 1 De procedure
  3. 2 Het geschil
  4. 3 De beoordeling
  5. 4 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: 12040460 \ CV EXPL 26-57

Vonnis van 7 oktober 2026

in de zaak van

1 CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V. en

2. DE ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ CZ GROEP U.A.,

gevestigd te Tilburg,

eisende partijen,

hierna te noemen: CZ,

gemachtigde: Flanderijn,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

procederend in persoon.

De zaak in het kort

Deze zaak gaat over een onbetaald gebleven zorgkostenfactuur. CZ stelt dat [gedaagde] door een ambulance naar het Amsterdam UMC is vervoerd. Een gedeelte van de kosten van de ambulancerit komt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze kosten volgens CZ als eigen risico voor rekening komen van [gedaagde]. CZ vordert het eigen risico van € 385,00, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. [gedaagde] betwist dat hij het bedrag verschuldigd is. Hij voert aan dat hij niet met een ambulance naar het Amsterdam UMC vervoerd is. Volgens [gedaagde] is sprake van een persoonsverwisseling. [gedaagde] verbleef op het moment dat de ambulancerit plaatsvond in Uganda. De kantonrechter is van oordeel dat niet is vast komen te staan dat [gedaagde] door een ambulance is vervoerd. CZ heeft onvoldoende onderbouwd dat het inderdaad [gedaagde] was die op de bewuste dag met de ambulance naar het Amsterdam UMC werd vervoerd. De kantonrechter wijst de vordering van CZ daarom af. [gedaagde] hoeft het gevorderde bedrag niet te betalen aan CZ. De kantonrechter legt hierna zijn oordeel uit.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 27 november 2025 met producties;
  • het extract audiëntieblad van 7 januari 2026 met producties;
  • de conclusie van dupliek van 21 januari 2026 met producties;
  • het extract audiëntieblad van 4 februari 2026 met producties;
  • de rolbeslissing van 18 maart 2026;
  • de akte van CZ van 15 april 2026 met producties;
  • het extract audiëntieblad van 29 april 2026 met producties;
  • de akte van CZ van 13 mei 2026.
1.2.

Daarna is een datum bepaald waarop dit vonnis wordt uitgesproken.

2 Het geschil

2.1.

CZ vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 452,55. Dit bedrag bestaat uit de hoofdsom van € 385,00 en is vermeerderd met rente en kosten. CZ heeft gesteld dat [gedaagde] bij haar verzekerd is (geweest). Voor [gedaagde] zijn zorgkosten gedeclareerd, onder andere voor een ambulancerit op 26 januari 2025. CZ heeft aan [gedaagde] het wettelijk eigen risico van € 385,00 in rekening gebracht. [gedaagde] heeft dit bedrag onbetaald gelaten. Omdat [gedaagde] deze kosten wel verschuldigd is, vordert CZ betaling van dit bedrag, vermeerderd met rente en kosten.

2.2.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] is verschenen tijdens drie rolzittingen en heeft mondeling verweer gevoerd. Hij betwist dat hij door een ambulance is vervoerd op 26 januari 2025. [gedaagde] voert aan dat hij op dat moment in Uganda verbleef. Omdat sprake is van een persoonsverwisseling, vindt [gedaagde] dat de vordering moet worden afgewezen.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3 De beoordeling

Wat heeft CZ gesteld?

3.1.

CZ heeft gesteld dat [gedaagde] op 26 januari 2025 door een ambulance is vervoerd naar het Amsterdam UMC en daarna is opgenomen in het Amsterdam UMC van 26 januari 2025 tot en met 31 januari 2025. CZ heeft declaraties ontvangen voor deze zorg. Een gedeelte van de kosten die zijn gemaakt van de ambulancerit komt voor rekening van [gedaagde], omdat zijn wettelijk verplicht eigen risico van € 385,00 nog niet verbruikt was. CZ heeft [gedaagde] meerdere malen gemaand tot betaling, maar [gedaagde] heeft de factuur onbetaald gelaten. Na het mondeling verweer van [gedaagde] tijdens de rolzitting heeft CZ aan de hand van de door [gedaagde] verleende medische machtiging informatie opgevraagd bij Ambulance Amsterdam B.V. en het Amsterdam UMC. Uit deze informatie blijkt dat de ambulancedienst op 26 januari 2025 is opgeroepen door de politie en dat de ambulancemedewerkers de persoonsgegevens van de persoon in de ambulance hebben overgenomen van de politie. Het Amsterdam UMC heeft zelfstandig de persoonsgegevens van de binnengebrachte persoon genoteerd. Deze gegevens komen met elkaar overeen en zijn de persoonsgegevens van [gedaagde]: het BSN, de voorletters en achternaam, de geboortedatum en de plaats waar het paspoort is afgegeven. Het Amsterdam UMC, noch Ambulance Amsterdam B.V., heeft een kopie van het identiteitsbewijs van [gedaagde]. Het Amsterdam UMC heeft aan CZ medegedeeld niet met volledige zekerheid te kunnen vaststellen dat [gedaagde] de binnengebrachte persoon is geweest, maar dat ook niet uitgesloten kan worden dat hij het wel was.

Hoe luidt de betwisting van [gedaagde]?

3.2.

[gedaagde] heeft betwist dat hij door de ambulance is vervoerd naar het ziekenhuis op 26 januari 2025. Zo heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij op dat moment in Uganda verbleef. Ter onderbouwing heeft hij een boekingsbevestiging overgelegd van vliegtickets voor een vlucht naar Uganda op 9 januari 2025 en terug naar Nederland op 12 februari 2025. Daarnaast heeft [gedaagde] een kopie van zijn paspoort overgelegd. Op de kopieën zijn stempels te zien waaruit blijkt dat [gedaagde] Uganda binnenkwam op 10 januari 2025 en verliet op 12 februari 2025. Deze data komen overeen met de data van de vliegtickets. [gedaagde] heeft toegelicht dat iemand anders op 26 januari 2025 in zijn auto heeft gereden. [gedaagde] is door de politie opgeroepen om een verklaring af te leggen als verdachte van rijden onder invloed op 26 januari 2025. Toen hij zich meldde op het politiebureau, deelde de politie hem mede dat hij niet degene was die in de auto reed en met de ambulance naar het Amsterdam UMC is vervoerd op 26 januari 2025. [gedaagde] heeft de oproeping van de politie overgelegd.

Is vast komen te staan dat [gedaagde] met de ambulance is vervoerd op 26 januari 2025?

3.3.

De vraag die voorligt aan de kantonrechter is of vast is komen te staan dat [gedaagde] daadwerkelijk op 26 januari 2025 door de ambulance naar het Amsterdam UMC is vervoerd. Als dat vast komt te staan, is [gedaagde] gehouden het bedrag van € 385,00 aan wettelijk verplicht eigen risico aan CZ te betalen. Als dat niet vast komt te staan, is hij niet gehouden dat bedrag te betalen. Ter beantwoording van deze vraag stelt de kantonrechter voorop dat de stelplicht en bewijslast rusten op CZ. Dat is zo op grond van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), omdat CZ een rechtsgevolg (betaling van een bedrag) inroept. Het is daarom aan CZ om te stellen en te onderbouwen dat [gedaagde] haar dat bedrag verschuldigd is. Als CZ daarin slaagt, is het aan [gedaagde] om de vordering van CZ voldoende gemotiveerd te betwisten.

3.4.

De kantonrechter is van oordeel dat CZ heeft voldaan aan haar stelplicht. CZ heeft gesteld dat zij een vordering op [gedaagde] heeft. Zij heeft haar stelling met feiten onderbouwd, zoals een verzekeringspolis, een rekeningoverzicht en informatie van het Amsterdam UMC. Vervolgens is de vraag of [gedaagde] de vordering van CZ voldoende gemotiveerd heeft betwist. De kantonrechter is van oordeel dat ook dat het geval is: [gedaagde] heeft de vordering consistent en zelfs zeer gemotiveerd weersproken en met stukken onderbouwd. [gedaagde] is tijdens drie rolzittingen verschenen. Telkens heeft hij stukken overgelegd die zijn betwisting van de vordering ondersteunen. Zo heeft hij een boekingsbevestiging van vliegtickets, een kopie van zijn paspoort met visumstempels en een oproeping van de politie overgelegd. Daarnaast heeft [gedaagde] zich meewerkend opgesteld door aan CZ een medische machtiging te verstrekken, waarmee CZ informatie kon opvragen bij het Amsterdam UMC.

3.5.

De kantonrechter benadrukt dat het aan CZ als stellende partij is om te onderbouwen dat het inderdaad [gedaagde] was die op 26 januari 2025 door de ambulance naar het Amsterdam UMC werd vervoerd. Gelet op de uitvoerig gemotiveerde betwisting van [gedaagde] is CZ daar naar het oordeel van de kantonrechter niet in geslaagd. Daarbij speelt ook een rol dat uit de overgelegde informatie van het Amsterdam UMC blijkt dat het ziekenhuis niet met zekerheid kan vaststellen dat het [gedaagde] was die op 26 januari 2025 naar het Amsterdam UMC is vervoerd en daar is opgenomen. Met andere woorden: het ziekenhuis weet (ook) niet zeker of [gedaagde] zijn patiënt was.

3.6.

Gelet op de gemotiveerde en onderbouwde betwisting door [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat niet vast is komen te staan dat [gedaagde] de persoon was die op 26 januari 2025 met de ambulance naar het Amsterdam UMC is vervoerd en daar is opgenomen. Omdat dit niet vast is komen te staan en er geen bewijsaanbod is gedaan waarmee dit alsnog kan komen vast te staan, is bewijslevering op dit punt niet aan de orde. De vordering is niet toewijsbaar. De kantonrechter wijst de vordering van CZ daarom af.

Proceskosten

3.7.

CZ is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden vastgesteld op € 150,00 (3 x € 50,00), omdat [gedaagde] drie keer op de rolzitting is verschenen en verweer heeft gevoerd.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

wijst de vorderingen van CZ af,

4.2.

veroordeelt CZ in de proceskosten van [gedaagde], tot op heden vastgesteld op € 150,00,

4.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. Paijmans en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.