Uitspraak · Belastingrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10082Zaaknummer BRE 23/11797
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 16 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- BRE 23/11797
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
BPM. Aan taxatierapport belanghebbende komt geen bewijskracht toe.
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Minister tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.500;
- veroordeelt de Minister tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier.
| griffier | rechter |
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrechtzaaknummer: BRE 23/11797
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente. Belanghebbende is het niet eens met de naheffingsaanslag en de belastingrente. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat de naheffingsaanslag en de belastingrente in stand blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag Bpm opgelegd.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur € 21 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking)
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 november 2023 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende (digitaal) en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1], [inspecteur 2] en [inspecteur 3]. Ter zitting heeft de rechtbank belanghebbende in de gelegenheid gesteld een afschrift van de inkoopfactuur van de auto in te brengen.
Bij bericht van 10 augustus 2026 heeft belanghebbende de in 2.4 bedoelde inkoopfactuur ingebracht.
Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft de inspecteur bij bericht van 24 augustus 2026 op de inkoopfactuur gereageerd.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten bij bericht van 4 september 2026 en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.
Feiten
3. Belanghebbende heeft op 19 september 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Mercedes-Benz GLC-klasse 43 AMG 4MATIC met [VIN-nummer] (de auto) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 8.669.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en bij de aangifte een taxatierapport gevoegd (het taxatierapport van belanghebbende). Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 42.925, gebaseerd op een koerslijst van Xray. In het taxatierapport van belanghebbende is de auto gewaardeerd op € 29.632.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm ter zake van de auto € 12.976 bedraagt en de naheffingsaanslag Bpm opgelegd.
Bij het verslag van DRZ is een koerslijst van Xray gevoegd waarin de taxatiewaarde van de auto is gesteld op € 46.240.
Volgens de inkoopfactuur heeft belanghebbende de auto gekocht voor een bedrag van € 47.849,15.
Beoordeling door de rechtbank
Vooraf
4. De rechtbank merkt op dat ter zitting is besproken dat belanghebbende de inkoopfactuur mocht inbrengen en dat de inspecteur daarop mocht reageren. De inspecteur heeft in de in 2.6 bedoelde reactie tevens op de koerslijst van Xray gereageerd. Omdat de rechtbank ter zitting uitdrukkelijk heeft bepaald dat de inspecteur (alleen) op de inkoopfactuur mocht reageren, zal de rechtbank in het onderstaande geen rekening houden met de hiervoor bedoelde reactie van de inspecteur op de koerslijst.
Het taxatierapport van belanghebbende
De inspecteur stelt dat het taxatierapport van belanghebbende onbetrouwbaar is omdat daaraan diverse formele en materiële gebreken kleven.
De rechtbank overweegt dat het verschil tussen het door belanghebbende voor de auto betaalde bedrag, van € 47.849,15, en de in het taxatierapport van belanghebbende genoemde waarde van de auto, van € 29.632, zo groot is dat het op de weg van belanghebbende had gelegen om een verklaring voor dit verschil te geven. Nu belanghebbende dit heeft nagelaten, kent de rechtbank geen bewijskracht toe aan het taxatierapport van belanghebbende.
Koerslijst van Xray
Subsidiair beroept belanghebbende zich op de koerslijst van Xray die bij de stukken van DRZ is gevoegd en waarin de handelsinkoopwaarde van de auto is gesteld op € 46.240 (zie 3.3). Belanghebbende stelt dat de koerslijst van Xray een in de handel algemeen toegepaste koerslijst is en dat deze daarom mag worden gebruikt bij het bepalen van de waarde van de auto. De inspecteur wenst daarom uit te gaan van de koerslijst Autotelexpro. Die koerslijst gaat uit van een handelsinkoopwaarde van € 62.284.
De inspecteur stelt dat aan de in 4.3 bedoelde koerslijst geen bewijskracht toekomt omdat deze niet is gebaseerd op handelstransacties.
De rechtbank constateert dat ook al wordt uitgegaan van de handelsinkoop van € 46.240, dit niet kan leiden tot een verlaging van de naheffingsaanslag en dus niet tot een gegrond beroep.
Conclusie met betrekking tot de hoogte van de naheffingsaanslag
Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, is de naheffingsaanslag niet te hoog vastgesteld.
Ten aanzien van de belastingrente
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.
Immateriële schadevergoeding
Belanghebbende maakt aanspraak op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het geschil beslecht had moeten zijn. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt.[_11c17663-bd8f-4969-b814-738f6d0a8b5e] Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 12 mei 2023 heeft ontvangen. De inspecteur heeft op 10 november 2023 uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank doet uitspraak op 16 oktober 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond achttien maanden overschreden. Belanghebbende heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1.500. Deze vergoeding komt volledig voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende heeft wel recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.
Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van de proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25.[_ded56a77-fa54-45da-826e-0c8cfe669149] De vergoeding bedraagt dan in totaal € 233,50. De Staat moet dit bedrag vergoeden.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriëleschadevergoeding is weliswaar gedaan vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024[_87edbc1e-a191-46cc-9301-3549206c1da1], maar op die datum was de redelijke termijn nog niet verstreken.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Minister tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.500;
- veroordeelt de Minister tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier.
| griffier | rechter |
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Voetnoten
- Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
- Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023.1526, r.o. 5.2.
- Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1 en 7.1.2.
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.