Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10010Zaaknummer 26/4766
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- 26/4766
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Sluiting woning artikel 13b Opiumwet. Verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van V.J. Wuijten, griffier, op 15 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: relevante regelgeving
Opiumwet
Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet
De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.
Amfetamine staat op lijst I en hennep staat op lijst II.
Beleidsregels artikel 13b Opiumwet
3. Handhavingsbeleid artikel 13b Opiumwet
(…)
Woningen en/of bij woningen behorende erven worden gesloten in de volgende gevallen:
- harddrugs in woningen en/of op bij woningen behorende erven
(…)
Indien in woningen of op bij woningen behorende erven drugshandel plaatsvindt ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs) met een hoeveelheid van > 1000 gram en/of > 2000 pillen is er sprake van een zeer ernstig geval waarbij de sanctie wordt opgelegd die hoort bij de 2de of volgende constatering.
- softdrugs in woningen en/of op bij woningen behorende erven
4. Samenloop
Bij cumulatie van op te leggen maatregelen, bijvoorbeeld als gevolg van het aantreffen van én een middel van lijst I of lijst II van de Opiumwet, én (een) voorwerp(en) en/of (een) stof(fen) ex artikel 10a, eerste lid, onder 3°, en/of 11a van de Opiumwet, is de zwaarst gestelde maatregel van toepassing of kan worden afgeweken van het beleid (hoofdstuk 6).
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
- Samenvatting
- Procesverloop
- Feiten en omstandigheden
- Wettelijk kader
- Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
- Welke gronden heeft verzoeker aangevoerd?
- Beoordeling door de voorzieningenrechter
- Omvang van het geding
- Conclusie en gevolgen
- Beslissing
- Rechtsmiddel
- Bijlage: relevante regelgeving
- 3. Handhavingsbeleid artikel 13b Opiumwet
- 4. Samenloop
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/4766 OPIUMW VV
uitspraak van 15 oktober 2026 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], te [plaats], verzoeker,
gemachtigde: mr. R.A.H. van Huijgevoort,
en
de burgemeester van de gemeente Tilburg (de burgemeester), verweerder.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Tiwos Tilburgse Woonstichting uit Tilburg (Tiwos).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de huurwoning van verzoeker voor een periode van twee maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het besluit van 20 augustus 2026 (bestreden besluit) heeft de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet gelast de woning aan [adres] in [plaats] (hierna: de woning) te sluiten en gesloten te houden voor een periode van twee maanden met ingang van 9 september 2026. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De burgemeester heeft op 2 september 2026 per e-mail bevestigd dat de voorgenomen sluiting wordt opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde, en namens de burgemeester [vertegenwoordiger 1] en mr. [vertegenwoordiger 2]. Namens Tiwos is mr. [vertegenwoordiger 3] verschenen.
Feiten en omstandigheden
3. Verzoeker en zijn partner huren de woning van Tiwos. Zij staan als bewoners ingeschreven in de gemeentelijke basisregistratie.
Naar aanleiding van informatie van Team Criminele Inlichtingen (TCI) is de politie een onderzoek gestart naar de woning. De politie heeft de woning op 27 mei 2026 betreden. Uit de bestuurlijke rapportage van 2 juni 2026 blijkt dat het volgende is aangetroffen dan wel geconstateerd:
- 3.765,60 gram netto amfetamine (lijst I Opiumwet);
- 57,76 gram netto hennep (lijst II Opiumwet);
- Contant geld op verschillende plekken in de woning, verschillend in coupures en munten, totaal € 10.638,53;
- In een keukenkastje werd een enveloppe aangetroffen met daarin € 30,00 en een pinpas op naam van een aangehouden persoon die kort in de woning is geweest en een handelshoeveelheid drugs aanwezig had;
- De wijk waarin de woning zich bevindt ( [wijk]) kan worden aangemerkt als een wijk die kwetsbaar is ten aanzien van drugscriminaliteit.
Op 29 juni 2026 heeft de burgemeester aan verzoeker en Tiwos haar voornemen kenbaar gemaakt om de woning met toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet voor twee maanden te sluiten. Tiwos heeft op 7 juli 2026 kenbaar gemaakt dat zij zich niet tegen de voorgenomen sluiting verzet. Verzoeker heeft op 13 juli 2026 een zienswijze ingediend.
Met het bestreden besluit heeft de burgemeester gelast om de woning te sluiten en gesloten te houden voor een periode van twee maanden met ingang van 9 september 2026. De burgemeester heeft in het bestreden besluit geconcludeerd dat de sluiting gelet op de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Dat verzoeker medische klachten ervaart is vervelend, maar het is niet aannemelijk dat hij door de genoemde klachten niet in staat is om (tijdelijk) in een andere woning te verblijven. Verzoeker heeft volgens de burgemeester bewust een risico genomen door in de woning een handelshoeveelheid drugs aanwezig te hebben. De burgemeester acht het van belang dat er geen minderjarige kinderen de dupe worden van de last tot sluiting. Verzoeker heeft zijn stelling dat hij geen vervangende woonruimte kan vinden niet onderbouwd. De sluiting heeft grote gevolgen voor verzoeker, maar uit de zienswijze maakt de burgemeester niet op dat die gevolgen onevenredig zwaar ingrijpen op de persoonlijke levenssfeer van verzoeker.
Wettelijk kader
4. De relevante regelgeving is opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
5. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
Als gevolg van het bestreden besluit wordt de door verzoeker gehuurde woning gesloten voor de duur van twee maanden. Gelet op de aard van de zaak en het in geding zijnde huisrecht van verzoeker is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gebleken van een spoedeisend belang bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening tot schorsing van het bestreden besluit. De burgemeester heeft het spoedeisend belang ook niet betwist.
Welke gronden heeft verzoeker aangevoerd?
6. Verzoeker heeft aangevoerd dat de sluiting van de woning voor de periode van twee maanden niet evenwichtig is. Wanneer de woning zou worden gesloten, komt hij op straat te staan. Er is geen mogelijkheid om een vervangende woonruimte te betrekken. Er is sprake van uiteenlopende medische problematiek, waarbij de gezondheid van verzoeker zal verslechteren als hij uit zijn woning wordt gezet. Verzoeker is in zeer hoge mate afhankelijk van en gebonden aan de woning. Hij is volledig aangewezen op een vast dagritme en een stabiele woonomgeving. Zijn woning is ingericht op zijn lichamelijke beperkingen en vormt de uitvalsbasis voor zijn medische behandelingen, afspraken en herstel. Het is niet eenvoudig om elders te verblijven of vervangende woonruimte te vinden die geschikt is voor zijn medische situatie. Daarnaast betoogt verzoeker dat hij en zijn partner slechts beperkte financiële middelen hebben. Verzoeker heeft geen enkel inkomen en het inkomen van zijn partner is beperkt. Dit is onvoldoende om een andere (particuliere) huurwoning te betrekken. Ook het verkrijgen van een sociale huurwoning biedt geen reëel alternatief. Daarbij komt dat een sluiting naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot beëindiging van de huurovereenkomst, waardoor de maatregel feitelijk niet beperkt blijft tot een sluiting van twee maanden, maar kan uitmonden in een definitief verlies van de woning.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Omvang van het geding
7. Niet in geschil is dat de burgemeester gelet op de aangetroffen hoeveelheid drugs bevoegd is om de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten.
De burgemeester moet zich er in dat geval van vergewissen dat de sluiting van de woning en de duur ervan met het oog op de te dienen doelen geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.[_6df49a9d-62e7-4058-90bd-aee151d1df99] Verzoeker betwist niet dat de sluiting een geschikt en noodzakelijk middel is. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter hierna slechts ingaan op de evenwichtigheid van de woningsluiting.
Evenwichtigheid
Als de conclusie is dat de burgemeester haar beoogde doelen niet met een minder ingrijpend middel dan sluiting van de woning voor een bepaalde duur kan bereiken en een woningsluiting dus het aangewezen middel is, betekent dit nog niet dat zij hiertoe steeds mag overgaan. Daarvoor moet zij zich ervan vergewissen dat de sluiting in de gegeven omstandigheden ook evenwichtig is.
Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen volgens de uitspraak van 16 juli 2025 van de Afdeling verschillende omstandigheden van belang zijn. De burgemeester moet bijvoorbeeld de mate van verwijtbaarheid van degenen die door de sluiting worden getroffen beoordelen en beoordelen in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen. Daarnaast is van belang of de bewoners een bijzondere binding met de woning hebben en wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven. Verder moet de burgemeester de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de impact van de sluiting op hun welzijn in haar besluitvorming betrekken. Ook is van belang hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. Bij dat laatste dient de burgemeester zich er rekenschap van te geven dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter, te ontbinden. En ook dat de huurder door sluiting van de woning veelal op een zogenoemde zwarte lijst bij een woningcorporatie komt te staan, als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio. Als de burgemeester tot de conclusie komt dat de nadelige gevolgen van een woningsluiting onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen, dient zij van sluiting af te zien. Afhankelijk van de concrete situatie zou de burgemeester dan nog kunnen kiezen voor een last onder dwangsom of een waarschuwing.
De burgemeester heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het niet anders kan zijn dat verzoeker verwijtbaar heeft gehandeld of in elk geval op de hoogte was van de aanwezige drugs in de woning. Verzoeker heeft dit niet betwist.
Verzoeker heeft diverse stukken over zijn medische situatie overgelegd. Uit deze stukken blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet dat zijn gezondheidsklachten maken dat hij specifiek aan de woning gebonden is. Ter zitting heeft verzoeker desgevraagd aangegeven dat de woning niet is aangepast aan zijn gezondheidsklachten. De voorzieningenrechter begrijpt dat de sluiting voor stress kan zorgen en dat verzoeker bij voorkeur in zijn vertrouwde woonomgeving wil herstellen, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat een tijdelijk verblijf elders negatieve gevolgen zal hebben voor zijn behandeling of herstel.
Het is in beginsel de verantwoordelijkheid van verzoeker zelf om vervangende woonruimte te vinden. Wel dient de burgemeester te informeren naar de mogelijkheden van vervangende huisvesting.[_0bb3b198-3218-433b-8c44-95ebc6a9c672] De voorzieningenrechter stelt vast dat de burgemeester verzoeker er tijdig op heeft gewezen dat het aan hem is om vervangende woonruimte te zoeken en dat de burgemeester daarbij heeft gewezen op de mogelijke ondersteuning van [stichting]. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij geen gebruik heeft gemaakt van deze mogelijkheid. Dat behoort voor zijn risico te blijven. Verzoeker heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet inzichtelijk gemaakt wat hij tot op heden zelf heeft ondernomen om vervangende woonruimte te vinden.
Voor zover verzoeker erop heeft gewezen dat een sluiting naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot beëindiging van de huurovereenkomst merkt de voorzieningenrechter op dat Tiwos ter zitting heeft toegelicht dat zij zonder meer tot ontruiming en ontbinding zal overgaan.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de nadelige gevolgen van de sluiting niet onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zoals de burgemeester die aan haar besluit ten grondslag heeft gelegd.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester de woning van verzoeker voor de duur van twee maanden mag sluiten. Het bezwaar van verzoeker tegen het bestreden besluit heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen daarom af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van V.J. Wuijten, griffier, op 15 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: relevante regelgeving
Opiumwet
Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet
De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.
Amfetamine staat op lijst I en hennep staat op lijst II.
Beleidsregels artikel 13b Opiumwet
3. Handhavingsbeleid artikel 13b Opiumwet
(…)
Woningen en/of bij woningen behorende erven worden gesloten in de volgende gevallen:
- harddrugs in woningen en/of op bij woningen behorende erven
(…)
Indien in woningen of op bij woningen behorende erven drugshandel plaatsvindt ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs) met een hoeveelheid van > 1000 gram en/of > 2000 pillen is er sprake van een zeer ernstig geval waarbij de sanctie wordt opgelegd die hoort bij de 2de of volgende constatering.
- softdrugs in woningen en/of op bij woningen behorende erven
4. Samenloop
Bij cumulatie van op te leggen maatregelen, bijvoorbeeld als gevolg van het aantreffen van én een middel van lijst I of lijst II van de Opiumwet, én (een) voorwerp(en) en/of (een) stof(fen) ex artikel 10a, eerste lid, onder 3°, en/of 11a van de Opiumwet, is de zwaarst gestelde maatregel van toepassing of kan worden afgeweken van het beleid (hoofdstuk 6).
Voetnoten
- Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
- Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3262.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.