Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25 april 2025

ECLI:NL:RBZWB:2025:2562Zaaknummer BRE 24/6783

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25 april 2025
Publicatiedatum
5 mei 2025
Zaaknummer
BRE 24/6783
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

pkv

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van S.E. van Noort, griffier, op 25 april 2025, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Beoordeling door de rechtbank
  3. Beslissing
  4. Informatie over verzet

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 24/6783 WOO

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het uitblijven van een besluit op zijn Woo-verzoek van 20 juli 2024. Hij heeft het beroep ingetrokken omdat het college op 24 juli 2024 en 20 september 2024 (deel)besluiten inzake zijn Woo-verzoek heeft genomen.

1.1.

De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft hierop gereageerd en is van mening dat het verzoek moet worden afgewezen.

1.2.

De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.[_f7895cdd-a6eb-4a91-83c9-3f5723ed7c9b]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?

3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.[_9cd01a63-ccdd-4872-8def-75c1d9bf3532]

Voldeed het beroepschrift aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb?

4. De rechtbank moet dus beoordelen of het college geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen. Voordat de rechtbank deze vraag kan beantwoorden, dient de rechtbank eerst te beoordelen of het beroepschrift voldeed aan de vereisten als genoemd in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.

4.1.

Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan een beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

4.2.

Het college stelt dat verzoeker het beroep niet tijdig beslissen heeft ingediend nadat er op 24 juli 2024 en 20 september 2024 al besluiten zijn genomen inzake het Woo-verzoek en heeft een kopie van deze besluiten overgelegd. Verzoeker heeft niet betwist dat de besluiten zijn ontvangen. Daaruit volgt dat ten tijde van het indienen van het beroepschrift op 26 september 2024 geen sprake (meer) was van niet tijdig beslissen. In dit geval heeft verzoeker tevens geen ingebrekestelling overgelegd waarmee hij het college heeft medegedeeld dat zij in gebreke is. Het beroepschrift voldoet daarmee niet aan beide vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Als het beroep niet was ingetrokken, zou de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren.

4.3.

De rechtbank concludeert dat met de besluiten van 24 juli 2024 en 20 september 2024 niet tegemoet gekomen is aan het daarna ingediende beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het verzoek van verzoeker om het college te veroordelen in de proceskosten zal daarom als kennelijk ongegrond worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van S.E. van Noort, griffier, op 25 april 2025, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.