Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 maart 2025

ECLI:NL:RBZWB:2025:2099Zaaknummer C/02/432212 / JE RK 25-317

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14 maart 2025
Publicatiedatum
15 april 2025
Zaaknummer
C/02/432212 / JE RK 25-317
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vervanging gecertificeerde instelling.

6 De beslissing

De kinderrechter:

wijst het verzoek van de moeder af.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2025 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans, als griffier, en op schrift gesteld op 1 april 2025.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/02/432212 / JE RK 25-317

Datum uitspraak: 14 maart 2025

Beschikking van de kinderrechter over de vervanging van de gecertificeerde instelling

in de zaak van

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. P. Doorakkers te Oosterhout

over

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vader],

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats],

JEUGDBESCHERMING WEST HAAGLANDEN,

hierna te noemen JWB,

gevestigd te Den Haag.

De kinderrechter merkt als informant aan:

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, gecertificeerde instelling,

hierna te noemen JBB.

JWB is verzoekster in de zaak met het kenmerk C/02/431019 / JE RK 25-121, in welke zaak door haar is verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van zes maanden. Beide zaken zijn gelijktijdig mondeling ter zitting behandeld.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met producties, ontvangen op 21 februari 2025;
  • de op 4 maart 2025 ontvangen brief van JBB.
1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 maart 2025. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder en haar advocaat;
  • de vader;
  • de stiefmoeder;
  • een vertegenwoordigster van JWB;
  • een vertegenwoordiger van JBB.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] verblijft [minderjarige] verblijft formeel bij zijn vader zonder gezag. Feitelijk verblijft [minderjarige], samen met de vader, bij de stiefmoeder.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 maart 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld van JWB tot 20 maart 2025.

2.4.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 maart 2024 aan JWB een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin, te weten bij de stiefmoeder tot 20 maart 2025.

3 Het verzoek

De moeder verzoekt de kinderrechter om JWB, de GI die de ondertoezichtstelling uitvoert, te vervangen door JBB.

4 De standpunten

Voor de standpunten van de verzoeker, de belanghebbenden en de informant wordt verwezen naar hetgeen daarover in de mondeling gegeven beslissing van de kinderrechter van 14 maart 2025, schriftelijk uitgewerkt op 1 april 2025, in de zaak met het kenmerk C/02/431019 / JE RK 25-121 is opgenomen.

5 De beoordeling

5.1.

Ingevolge artikel 1:259 van het BW kan de kinderrechter op verzoek van een met het gezag belaste ouder, de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert, vervangen door een andere gecertificeerde instelling. De kinderrechter heeft er vertrouwen in dat JBB en JWB goed verder samenwerken in het belang van de betrokken minderjarigen. Overdracht van deze zaak naar JBB zodat de kinderen onder de paraplu van JBB zouden vallen is daarvoor anders dan de moeder meent niet nodig. Overdracht aan JBB zou naar het oordeel van de kinderrechter zelfs contraproductief kunnen werken nu elke GI het beste zicht heeft op haar eigen werkterrein en de daarin beschikbare hulpverlening daar het beste weet te vinden. Hieruit volgt dat de kinderrechter het namens de moeder ingediende verzoek om JWB te vervangen door JBB zal afwijzen.

5.2.

Met inachtneming van het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek van de moeder afwijzen.

6 De beslissing

De kinderrechter:

wijst het verzoek van de moeder af.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2025 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans, als griffier, en op schrift gesteld op 1 april 2025.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.