Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 augustus 2024

ECLI:NL:RBZWB:2024:6252Zaaknummer 11029476 \ CV EXPL 24-1681 (E)

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21 augustus 2024
Publicatiedatum
12 september 2024
Zaaknummer
11029476 \ CV EXPL 24-1681 (E)
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zittingsplaats
Tilburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Huurachterstand. Ter zitting vermindert de verhuurder zijn vordering o.a. met de gevorderde ontbinding en ontruiming. De huurders worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het restant aan onbetaald gebleven servicekosten.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan de verhuurder te betalen een bedrag

van € 2.116,61,

4.2.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.031,44, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

4.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Karsten-Badal en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2024.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil en de beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Tilburg

Zaaknummer: 11029476 \ CV EXPL 24-1681

Vonnis van 21 augustus 2024 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiser],

te [plaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: de verhuurder,

gemachtigde: mr. J.M. Molkenboer, advocaat te Tilburg,

tegen

1 [gedaagde 1],

te [plaats 2],

hierna te noemen: [gedaagde 1], 2. [gedaagde 2],

te [plaats 3],

hierna te noemen: [gedaagde 2],

gedaagde partijen,

[gedaagde 2] procedeert namens hen beiden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 mei 2024 met de daarin genoemde stukken,

- de akte wijziging van eis van de verhuurder van 20 juni 2024 met één productie,

- de mondelinge behandeling van 12 juli 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Tussen partijen staat het volgende vast:

- [gedaagde 1] en [gedaagde 2] huren met ingang van 1 februari 2020 de woonruimte van de (rechtsvoorgangster van de) verhuurder tegen een huurprijs van € 850,00 per maand exclusief gas, elektra en water,

- partijen hebben mondeling met elkaar afgesproken dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarnaast met ingang van dezelfde datum een bedrag van € 25,00 per maand betalen voor internet en televisie,

- het was gebruikelijk tussen partijen dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] op verzoek van de (rechtsvoorgangster van de) verhuurder een foto maakte van de meterstanden en deze via Whatsapp verstuurde, waarna de factuur werd opgemaakt en naar hen werd verstuurd,

- op de factuur van 1 juli 2023 is een bedrag van € 606,22 door [gedaagde 2] betaald, het restant van € 606,22 is niet betaald,

- de facturen van 3 december 2023 en van 14 mei 2024 zijn helemaal niet betaald,

- medio november 2023 is [gedaagde 2] verhuisd naar een andere woning en is [gedaagde 1] achtergebleven in het gehuurde.

3 Het geschil en de beoordeling

3.1.

De verhuurder beperkt zijn eis tijdens de mondelinge behandeling tot een bedrag van totaal € 2.116,61 aan onbetaald gebleven servicekosten. Daarmee ziet de verhuurder dus af van ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde, rente na dagvaarding en incassokosten. Partijen hebben bovendien tijdens de mondelinge behandeling de verschillende typefouten in de facturen besproken. Dit heeft ertoe geleid dat de verhuurder zijn eis heeft verminderd in het geval een te hoog bedrag was gerekend en er vanaf heeft gezien zijn eis te vermeerderen in het geval een te laag bedrag was gerekend. Tot slot eist de verhuurder dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de proceskosten betalen.

3.2.

[gedaagde 2] heeft erkend dat het bedrag van € 2.116,61 nog niet is betaald, zodat dit bedrag zal worden toegewezen. Omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] beiden op de huurovereenkomst staan als huurder, zullen zij hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van dat bedrag. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

3.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen, met dien verstande dat, bij gebrek aan voldoende specificatie, als vergoeding van BRP kosten, niet meer wordt toegekend dan het in dit geval redelijke en gebruikelijke forfaitaire bedrag van € 0,62 (exclusief btw) per persoon.

De proceskosten van de verhuurder worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding€273,44(2 × € 136,72)
- griffierecht€248,00
- salaris gemachtigde€408,00(2,00 punten × € 204,00)
- nakosten€102,00(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€1.031,44

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan de verhuurder te betalen een bedrag

van € 2.116,61,

4.2.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.031,44, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

4.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Karsten-Badal en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2024.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.