Uitspraak · Belastingrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 februari 2023
ECLI:NL:RBZWB:2023:843Zaaknummer 22/2116
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 13 februari 2023
- Publicatiedatum
- 3 april 2025
- Zaaknummer
- 22/2116
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Parkeerbelasting Een familielid van belanghebbende is overleden en de erven zijn de auto en de parkeervergunning van de overledene blijven gebruiken omdat er nog genoeg te regelen was. Vervolgens zijn aan belanghebbende 10 naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd in een periode van 12 dagen. De rechtbank overweegt dat op een parkeerder een onderzoeksplicht rust om zich er van te vergewissen of parkeerbelasting verschuldigd is. Op de website van de gemeente is duidelijk vermeld dat een parkeervergunning niet overdraagbaar is. Belanghebbende heeft niet aangevoerd dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden, maar ambtshalve oordeelt de rechtbank dat de heffingsambtenaar hiermee voldoende rekening heeft gehouden door vijf van de tien naheffingsaanslagen te vernietigen.
5 Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier, op 13 februari 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 22/2116 tot en met 22/2120
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [plaatsnaam], de heffingsambtenaar.
1 Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 18 februari 2022.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende tien naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd, waaronder vijf naheffingsaanslagen met de volgende aanslagnummers:
[aanslagnummer 1];
[aanslagnummer 2];
[aanslagnummer 3];
[aanslagnummer 4]; en
[aanslagnummer 5].
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de vijf in 1.2 nader aangeduide naheffingsaanslagen ongegrond verklaard. In verband met het evenredigheids- en redelijkheidsbeginsel heeft de heffingsambtenaar vijf andere naheffingsaanslagen parkeerbelasting vernietigd.
De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek bij brief van 10 februari 2023 gesloten en de zaken niet behandeld op een zitting.
2 Feiten
Op de volgende data en tijden stond belanghebbendes auto, een [automerk] met kenteken [kenteken] (hierna: de auto), geparkeerd aan [straatnaam] te [plaats]:
- op 8 januari 2022, omstreeks 10:09 uur (aanslagnummer [aanslagnummer 1] );
- op 10 januari 2022, omstreeks 12:16 uur (aanslagnummer [aanslagnummer 2] );
- op 11 januari 2022, omstreeks 10:09 uur (aanslagnummer [aanslagnummer 3] );
- op 12 januari 2022, omstreeks 09:28 uur (aanslagnummer [aanslagnummer 4] ); en
- op 13 januari 2022, omstreeks 12:39 uur (aanslagnummer [aanslagnummer 5] ).
Tijdens controles op voornoemde data is door parkeercontroleurs geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
Naar aanleiding van de in 2.1 bedoelde constateringen, zijn aan belanghebbende naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd van telkens € 59,40, bestaande uit een bedrag aan belasting van € 1,50 en kosten naheffing van € 57,90.
3 Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslagen parkeerbelasting terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
[straatnaam] te [plaats] is door het college van burgemeester en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.[_616736c5-3a28-4ba3-9bb8-3361bc61e094]
Belanghebbende bestrijdt niet dat sprake is geweest van het in 2.1 bedoelde parkeren.
Belanghebbende voert aan dat de auto van een familielid (hierna: het familielid) was, welk familielid is overleden op 17 november 2021. Omdat de erven nog genoeg te regelen hadden, gebruikten zij de auto van het familielid en de parkeervergunning van het familielid. Ook voor het jaar 2022 is voor de vergunning betaald. Belanghebbende stelt dat de gemeente direct op de hoogte is van een overlijden en dat de gemeente over het stopzetten van de vergunning had moeten communiceren.
De rechtbank overweegt dat op een parkeerder een onderzoeksplicht rust om zich ervan te vergewissen of parkeerbelasting verschuldigd is. Anders dan belanghebbende stelt, is op de website van de gemeente wél duidelijk vermeld dat de vergunning niet overdraagbaar is. De gemeente is weliswaar op de hoogte van het overlijden van een inwoner, maar de rechtbank acht geloofwaardig dat het enige tijd kost voordat dit overlijden handmatig in de administratie is verwerkt. Dat de gemeente vijf dagen na het overlijden een acceptgiro naar het familielid heeft gestuurd voor de parkeervergunning 2022, brengt dus niet mee dat de naheffingsaanslagen moeten worden vernietigd of verminderd.
Belanghebbende stelt voorts dat de gemeente het geld voor de parkeervergunning nog niet heeft terugbetaald.
De rechtbank overweegt dat niet de belastingrechter, maar de civiele rechter, bevoegd is om hierover te oordelen. Bovendien heeft de heffingsambtenaar verklaard dat aan de afdeling Parkeerbedrijf is gevraagd om hierover contact op te nemen met belanghebbende, zodat ervan uit mag worden gegaan dat deze kwestie opgelost wordt.
Belanghebbende heeft niet aangevoerd dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden doordat over een periode van twaalf dagen tien naheffingsaanslagen parkeerbelasting zijn opgelegd.
Ambtshalve oordeelt de rechtbank dat de heffingsambtenaar – door vijf van de tien naheffingsaanslagen te vernietigen – reeds voldoende rekening heeft gehouden met het evenredigheidsbeginsel.
4 Conclusie en gevolgen
De rechtbank concludeert dat belanghebbende op alle in 2.1 genoemde data parkeerbelasting verschuldigd was. Nu geen parkeerbelasting is voldaan, zijn de naheffingsaanslagen terecht opgelegd. De beroepen zullen daarom ongegrond worden verklaard. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
5 Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier, op 13 februari 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.