Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Zutphen, 22 november 2005

ECLI:NL:RBZUT:2005:AZ4683Zaaknummer 05/64 en 05/65 GEMWT

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
22 november 2005
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05/64 en 05/65 GEMWT
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Tuinhuisje Putten.

De rechtbank,

recht doende:

- verklaart de beroepen ongegrond.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep

worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus

20019,2500 EA Den Haag.

Aldus gegeven door mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra en in het openbaar uitgesproken op

17 november 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1. Aanduiding bestreden besluiten
  2. 2. Feiten
  3. 3. Procesverloop
  4. 4. Motivering
  5. 5. Beslissing

RECHTBANK ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 05/64 en 05/65 GEMWT

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [plaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Putten, verweerder,

alsmede [derde-partij] te [plaats], derde partij.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluiten van verweerder van 3 december 2004 (BM/2004/14920) en (nr BM/2004/15305).

2. Feiten

De derde partij heeft op 27 januari 2000 middels een meldingsformulier bouwvoornemen

aan verweerder gemeld voornemens te zijn een tuinhuisje van 9 m2 te plaatsen op het

perceel [straat en huisnummer] te [plaats], kadastraal bekend als gemeente Putten, sectie [kadasternummer]

Bij besluit van 7 maart 2000 heeft verweerder de melding geaccepteerd en aan de derde

partij meegedeeld dat hij tot de bouw van het tuinhuisje kan overgaan. Verweerder heeft er

bij dat besluit op gewezen dat binnen dertien weken met de bouw moet worden beginnen

omdat anders een nieuwe melding moet worden gedaan.

Bij brief van 18 april 2000 heeft eiser tegen dat besluit bezwaar gemaakt en verzocht

handhavend op te treden tegen het reeds gerealiseerde tuinhuisje.

Bij besluit van 7 september 2000 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard

en het besluit van 7 maart 2000 ingetrokken. Hierbij is meegedeeld dat op het

handhavingsverzoek afzonderlijk zal worden beslist. Tegen dit besluit is geen beroep

ingesteld bij de rechtbank.

Bij brief van 20 april 2001 heeft eiser nogmaals verzocht om handhavend op te treden tegen

de inmiddels illegaal geworden situatie. Bij brief van 17 mei 2001 heeft eiser bezwaar

gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op het handhavingsverzoek. Bij brief van

dezelfde datum is verzocht om een voorlopige voorziening. Bij besluit van 21 juni 2001 heeft

verweerder afwijzend beslist op het handhavingsverzoek. Bij uitspraak van 21 augustus 2001

heeft de fungerend president van deze rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening

afgewezen.

Bij besluit van 26 februari 2002 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van

21 juni 2001 gegrond verklaard en de derde partij onder verbeurte van een dwangsom gelast

het tuinhuisje binnen acht weken te verwijderen. Bij uitspraak van 26 juni 2003 is het tegen

dat besluit door de derde partij ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit

vernietigd en bepaald dat verweerder opnieuw op het bezwaar dient te beslissen. Het tegen

die uitspraak door verweerder ingestelde hoger beroep is ingetrokken. Eiser heeft geen

beroep ingesteld.

Bij het aan de derde partij gerichte besluit van 20 januari 2004 heeft verweerder aan eiser

meegedeeld het tuinhuisje, onder voorwaarden, te gedogen. Tegen dat besluit heeft eiser bij

brief van 3 maart 2004 bezwaar gemaakt. Daarbij heeft eiser verweerder verzocht om alsnog

(opnieuw) te beslissen op het bezwaarschrift van 17 mei 2001.

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren van eiser van 17 mei 2001 en

3 maart 2004 - overeenkomstig het advies van de Commissie voor de behandeling van

bezwaar en beroepschriften van 14 september 2004 - ongegrond verklaard

3. Procesverloop

Namens eiser is door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, beroep ingesteld

op de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking

hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Bij brief van 1 juni 2005 heeft mr.

L. Bolier, juridisch adviseur te Elspeet, het standpunt van de derde partij uiteengezet.

Het beroep is behandeld ter zitting van 12 oktober 2005, waar eiser in persoon is

verschenen, bijgestaan door mr. Van der Westen. Verweerder heeft zich laten

vertegenwoordigen door mr G.J. Vooren. Namens de derde partij is verschenen mr Bolier.

4. Motivering

Beoordeeld dient te worden of verweerder op goede gronden heeft geweigerd om

handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van een tuinhuisje op het in rubriek 2

bedoelde perceel.

Verweerder heeft in de bestreden besluiten overwogen dat de aan de orde zijnde belangen

van eiser en de derde partij, de mate van inbreuk op het ruimtelijk regime en de mate van

toekomstige precedentwerking, bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het

verzoek van eiser kan worden afgewezen en van handhavend optreden kan worden

afgezien.

Ingevolge artikel 40, eerste lid van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in

afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.

Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat het tuinhuisje vergunningplichtig is en zonder

bouwvergunning is opgericht. Verweerder is derhalve bevoegd handhavend op te treden

tegen het in strijd met artikel 40 Woningwet opgerichte tuinhuisje.

Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding

van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of

een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten

maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te

doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan

handhavend optreden zodanig onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen

belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Niet in geschil is dat het tuinhuisje op grond van het vigerend bestemmingsplan niet

gelegaliseerd kan worden, dat het bestemmingsplan niet voorziet in een vrijstellingsbepaling

die het tuinhuisje kan legaliseren en dat het tuinhuisje niet valt onder het

bouwovergangsrecht van het bestemmingsplan. Evenmin is in geschil dat voor het tuinhuisje

met toepassing van artikel 19, tweede en derde lid van de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO)

geen vrijstelling van het vigerende bestemmingsplan kan worden verleend en dat ook

overigens geen concreet uitzicht op legalisering bestond op legalisering in de vorm van

planherziening.

Gelet op het voorgaande verstaat de rechtbank het standpunt van verweerder aldus dat

verweerder meent dat handhavend optreden zodanig onevenredig is tot de daarmee te

dienen belangen dat van optreden moet worden afgezien. De rechtbank kan verweerder in

dat standpunt volgen en overweegt dienaangaande als volgt.

Blijkens de gedingstukken is de strook grond aan de achterzijde van onder meer de percelen

van eiser en de derde partij ingevolge het bestemmingsplan "de Kom" bestemd als "houtwal".

Nadat de houtwal is gerooid is de strook grond als siertuin in gebruik genomen en heeft eiser

verzocht tegen dit strijdig gebruik op te treden. Dit heeft geresulteerd in een besluit van

verweerder van 12 april 1999, waarbij het gebruik als siertuin in afwachting van

planherziening werd gedoogd onder aanbieding van fl. 5.000,- ter compensatie van het

nadeel van eiser. Gelet hierop en gelet op de geringe omvang van het tuinhuisje kan, in

navolging van de uitspraak van deze rechtbank van 26 juni 2003, niet worden gezegd dat er

ten opzichte van eiser sprake is van een zeer ernstige overtreding. De rechtbank neemt

daarbij in aanmerking dat de afstand tussen het tuinhuisje en de woning van eiser 30 meter

bedraagt en dat het zicht op dat tuinhuisje wordt afgeschermd door de ter plaatse aanwezige

coniferenhaag. De rechtbank merkt voorts op dat blijkens de gedingstukken eisers belang bij

de handhaving ligt in de vrees dat op de strook meerdere tuinhuisjes zullen worden

opgericht.

In aanmerking nemende dat de derde partij - gelet op de mededeling in het besluit van 7

maart 2000 -feitelijk niet veel anders kon dan het tuinhuisje binnen dertien weken na

acceptatie van de melding realiseren, kon verweerder naar het oordeel van de rechtbank bij

de belangenafweging de belangen van de derde partij laten prevaleren. De rechtbank acht

het daarbij van belang dat het aan de derde partij gerichte gedoogbesluit met de daaraan

verbonden voorwaarden in voldoende mate waarborg biedt dat tegen de oprichting van

meerdere tuinhuisjes handhavend zal worden opgetreden. Hetgeen door eiser is aangevoerd

geeft geen aanleiding tot een ander standpunt.

Het vorengaande leidt tot de conclusie dat verweerder op goede gronden heeft geweigerd

handhavend op te treden. De beroepen zijn derhalve ongegrond.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel

8:75 van de Algemene wet bestuursrecht zodat beslist moet worden als hierna is

aangegeven.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

- verklaart de beroepen ongegrond.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep

worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus

20019,2500 EA Den Haag.

Aldus gegeven door mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra en in het openbaar uitgesproken op

17 november 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.