Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Rotterdam, 21 juli 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:9725Zaaknummer ROT 25/3672

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
10 augustus 2026
Zaaknummer
ROT 25/3672
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag voor het toeslagjaar 2012. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie heeft toegekend over het toeslagjaar 2012. Wel heeft de Dienst Toeslagen een fout gemaakt in de berekening van de rentevergoeding over het jaar 2011.

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit 1 voor zover deze besluiten zien op de rentevergoeding voor het jaar 2011;

- stelt de rentevergoeding voor het jaar 2011 vast op € 269,-;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

- veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van € 2.000,-;

- bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;

- veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
  2. Dienst Toeslagen
  3. Samenvatting
  4. Procesverloop
  5. Beoordeling door de rechtbank
  6. Conclusie en gevolgen
  7. Beslissing
  8. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/3672

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.F. Cheung ),

en

Dienst Toeslagen

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag voor het toeslagjaar 2012. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie heeft toegekend over het toeslagjaar 2012. Wel heeft de Dienst Toeslagen een fout gemaakt in de berekening van de rentevergoeding over het jaar 2011.

Procesverloop

2. Met een besluit van 29 september 2022 (primair besluit 1) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht voor de jaren 2010 en 2011 toegewezen. Met hetzelfde besluit heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie voor het jaar 2012 afgewezen. Met een besluit van 31 januari 2023 (primair besluit 2) heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres een tegemoetkoming wegens een onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld (O/GS) toegekend voor het jaar 2012.

2.1.

Met een besluit van 7 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen primair besluit 1 gegrond verklaard en de compensatie vastgesteld op € 53.520,-, en het bezwaar tegen primair besluit 2 ongegrond verklaard.

2.2.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 20 april 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres heeft twee kinderen, geboren op [geboortedag 1] 2008 en [geboortedag 2] 2012. Zij heeft voor haar oudste kind kinderopvangtoeslag aangevraagd en ontvangen voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2012.

4. Eiseres heeft zich gemeld voor een herbeoordeling op grond van de Wht van haar recht op kinderopvangtoeslag. Bij brief van 25 maart 2022 heeft de Dienst Toeslagen eiseres bericht dat zij in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000,- als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht. Dit bedrag is aan eiseres uitbetaald.

5. Met primair besluit 1 heeft de Dienst Toeslagen over de toeslagjaren 2010 en 2011 compensatie ter hoogte van € 50.379,- toegekend. De Dienst Toeslagen heeft ten aanzien van toeslagjaar 2012 de aanvraag om compensatie afgewezen.

5.1.

Met primair besluit 2 heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres een O/GS-tegemoetkoming toegekend ter hoogte van € 3.271,-. Eiseres heeft in het verleden gevraagd om een schuld in delen te betalen of aan schuldsanering mee te werken. De Dienst Toeslagen heeft daaraan ten onrechte niet meegewerkt.

5.2.

Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar tegen het primaire besluit 1 gegrond verklaard en de compensatie vastgesteld op € 53.520,-. Voor het toeslagjaar 2012 zijn geen aanwijzingen gevonden voor vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen of hardheid van het toeslagenstelsel.

Heeft de Dienst Toeslagen de renteberekening juist uitgevoerd?

6. Eiseres voert aan dat de Dienst Toeslagen de rentevergoeding voor het jaar 2011 onjuist heeft vastgesteld. De Dienst Toeslagen heeft dit erkend. Ter zitting heeft de Dienst Toeslagen bevestigd dat in verband met de rentevergoeding een bedrag van € 269,- zal worden nabetaald. Eiseres heeft ter zitting verklaard hiermee te kunnen instemmen.

Heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag om compensatie voor het toeslagjaar 2012 terecht afgewezen?

7. Eiseres voert aan dat zij wel degelijk recht heeft op compensatie over het toeslagjaar 2012 wegens hardheid van de toepassing van het wettelijk systeem. Ter zitting heeft eiseres deze beroepsgrond uitgelegd. Zij heeft aangevoerd dat zij de kinderopvangtoeslag op 2 oktober 2011 zelf heeft stopgezet, maar dat de kinderopvangtoeslag vervolgens alsnog is doorgelopen. Eiseres kon niet weten dat de kinderopvangtoeslag via een op verzoek van de kinderopvanginstelling gelegd derdenbeslag betaalbaar werd gesteld aan de kinderopvanginstelling. Eiseres betoogt dat zij met de deurwaarder een gunstigere betalingsregeling had kunnen treffen dan met de Dienst Toeslagen. Eiseres vindt het onrechtvaardig dat, hoewel zij zelf de kinderopvangtoeslag heeft stopgezet, zij alsnog op deze manier de rekening heeft gekregen.

7.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Niet gebleken is dat eiseres voor het toeslagjaar 2012 recht heeft op compensatie wegens hardheid van het wettelijk stelsel. Ter zitting heeft de Dienst Toeslagen gesteld dat de kinderopvangtoeslag van eiseres op 2 oktober 2011 door de Dienst Toeslagen is stopgezet omdat eiseres niet had gereageerd op verzoeken om informatie. Eiseres heeft vervolgens nog in datzelfde jaar nieuwe aanvragen gedaan voor kinderopvangtoeslag over 2012. Eiseres heeft dit niet betwist. Eiseres heeft vervolgens op 31 juli 2012 de kinderopvangtoeslag zelf stopgezet. Het feit dat eiseres voor het toeslagjaar 2012 voorschotten uitbetaald heeft gekregen, is dus een gevolg van de aanvragen daartoe van eiseres. Overigens zijn partijen het erover eens dat eiseres in 2012 geen kinderopvang heeft afgenomen en dat zij daarom geen recht had op kinderopvangtoeslag. De terugvordering van de kinderopvangtoeslag is dus in beginsel rechtmatig geweest. De rechtbank overweegt verder dat in dit geval niet is voldaan aan het zogenoemde KOT naar KOI-beleid van de Dienst Toeslagen, omdat de kinderopvangtoeslag die aan de deurwaarder is uitbetaald, aan eiseres ten goede is gekomen via vermindering van de schuld van eiseres aan de kinderopvangstelling.[_c21935cf-539e-4891-bd9e-e1daa6bf4205] Verder wijst de rechtbank erop dat eiseres voor het toeslagjaar 2012 een O/GS tegemoetkoming heeft ontvangen.

Redelijke termijn

8. Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

8.1.

Als uitgangspunt is de redelijke termijn twee jaar, gerekend vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door de Dienst Toeslagen tot de uitspraak van de rechtbank.[_b8e85fd1-b090-490f-ad48-45aa43780b57] Het bezwaarschrift is door de Dienst Toeslagen ontvangen op 7 november 2022. Op de datum van de uitspraak is de redelijke termijn met afgerond 21 maanden overschreden. De hoogte van de schadevergoeding is € 500,- per half jaar, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Dat betekent dat eiseres recht heeft op een schadevergoeding van € 2.000,-. De bezwaarfase mocht zes maanden duren. Het bestreden besluit is bekendgemaakt op 31 maart 2025. Dit betekent dat de overschrijding volledig is toe te rekenen aan de Dienst Toeslagen. De Dienst Toeslagen moet daarom de schadevergoeding betalen.

Conclusie en gevolgen

9. Nu de Dienst Toeslagen heeft erkend dat de rentevergoeding voor het jaar 2011 onjuist is vastgesteld, is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en het primaire besluit 1 herroepen voor zover deze besluiten zien op de rentevergoeding voor het jaar 2011. Overeenkomstig hetgeen ter zitting is besproken, zal de rechtbank deze rentevergoeding vaststellen op € 269,-. Ook krijgt eiseres een schadevergoeding voor het overschrijden van de redelijke termijn van € 2.000,-.

10. Omdat het beroep gegrond is, moet de Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres krijgt daarom ook een vergoeding van haar proceskosten. De Dienst Toeslagen moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding wordt vastgesteld volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (2 punten met een waarde van € 934,- per punt, wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

11. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn is veroorzaakt door de duur van de bezwaarprocedure, zal de rechtbank de Dienst Toeslagen ook veroordelen in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Bpb vast op € 467,- (één punt voor het indienen van het verzoek ter zitting bij de rechtbank, met een wegingsfactor van 0,5 en een waarde per punt van € 934,-). De Dienst Toeslagen moet in totaal € 2.335,- aan proceskosten aan eiseres betalen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit 1 voor zover deze besluiten zien op de rentevergoeding voor het jaar 2011;

- stelt de rentevergoeding voor het jaar 2011 vast op € 269,-;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

- veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van € 2.000,-;

- bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;

- veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.