Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Rotterdam, 2 juli 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:9527Zaaknummer C/10/719772 / JE RK 26-94, C/10/721641 / JE RK 26/1199 en C/10/722308 / JE RK 26/1271
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 2 juli 2026
- Publicatiedatum
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/10/719772 / JE RK 26-94, C/10/721641 / JE RK 26/1199 en C/10/722308 / JE RK 26/1271
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Beschikking
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Ondertoezichtstelling van een minderjarige vanwege een langdurig patroon van spanningen in de thuissituatie. De kinderrechter houdt de beslissing over de uithuisplaatsing van de andere minderjarige aan om eerst een passende plek te onderzoeken.
De rechtbank:
Ten aanzien van C/10/719772 / JE RK 26-94
stelt [minderjarige 2] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west, gevestigd in Dordrecht met ingang van 2 juli 2026 tot 28 mei 2027;
wijst het overige verzochte af;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
Ten aanzien van C/10/721641 / JE RK 26/1199 en C/10/722308 / JE RK 26/1271
houdt de behandeling van de verzoeken aan;
roept de Raad, de GI, de moeder en haar advocaat en de vader op voor de zitting van mr. M.A. van der Laan-Kuijt, mr. J.S. van den Berge en mr. R. van der Wal op 31 augustus 2026 om 15:30 uur in het gerechtsgebouw van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, aan Wilhelminaplein 100 / 125 in Rotterdam;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproep;
gelast de oproeping van [minderjarige 1] voor een kindgesprek;
verzoekt de Raad en de GI om uiterlijk een week voor de genoemde zittingsdatum de kinderrechter (met afschrift aan de moeder, mr. F. Pool en de vader) de verzochte briefrapportage te doen toekomen.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026 door mr. S. Jordaan, mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos en mr. L.L.H. Roebroek, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 28 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/719772 / JE RK 26-94, C/10/721641 / JE RK 26/1199 en
C/10/722308 / JE RK 26/1271
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
en
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,
gevestigd in Dordrecht, hierna te noemen: de GI.
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 1],
advocaat: mr. N.S. van der Vliet, kantoorhoudende in Rotterdam,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 2].
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. F. Pool, kantoorhoudende in Rotterdam,
[de vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2].
1 Het verdere verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Ten aanzien van C/10/719772 / JE RK 26-94
- de beschikking van 28 mei 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- het verweerschrift met bijlagen van de advocaat van de moeder van 25 juni 2026.
Ten aanzien van C/10/721641 / JE RK 26/1199
- het proces-verbaal van de zitting van 22 juni 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.
Ten aanzien van C/10/722308 / JE RK 26/1271
- het verzoekschrift met bijlage van de Raad van 29 juni 2026, ontvangen op 30 juni 2026.
Op 2 juli 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder bijgestaan door mr. M.S. Krol waarnemend voor mr. F. Pool;
- de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1];
- twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 2] en [vertegenwoordiger 3].
De advocaat van [minderjarige 1] is niet verschenen, omdat het verzoek tot gesloten plaatsing waarvoor de advocaat was betrokken, voor de zitting is ingetrokken.
De rechtbank heeft bijzondere toegang verleend aan [persoon A] en [persoon B], van [jeugdhulpaanbieder]. Ook heeft de rechtbank bijzondere toegang verleend aan [persoon C], medewerker van de advocaat van de moeder.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover op een eerder moment een gesprek gevoerd met de rechtbank. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige 2] heeft geen mening gegeven.
2 De feiten
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
Op 28 mei 2026 is [minderjarige 1] door de kinderrechter in deze rechtbank onder toezicht gesteld tot 28 mei 2027.
3 De (aangehouden) verzoeken
Ten aanzien van C/10/719772 / JE RK 26-94
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ook verzoekt de Raad een machtiging te verlenen om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.
Bij beschikking van 28 mei 2026 is reeds beslist op de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1]. Het verzoek voor de plaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp is bij diezelfde beschikking van 28 mei 2026 aangehouden tot 2 juli 2026. De Raad heeft voorafgaand aan de zitting van 2 juli 2026 het verzoek tot een gesloten machtiging voor [minderjarige 1] ingetrokken. Er moet nu nog worden beslist op het verzoek om [minderjarige 2] voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen.
De Raad handhaaft ter zitting het verzoek ten aanzien van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2]. Er moet de komende periode ook aandacht zijn voor [minderjarige 2]. [minderjarige 2] leeft al langere tijd in een thuissituatie waarin sprake is van escalaties tussen de moeder en [minderjarige 1]. Dit is van invloed op de ontwikkeling van [minderjarige 2]. [jeugdhulpaanbieder] komt zeven dagen per week, acht uur per dag langs en dit blijkt alsnog onvoldoende om een veilige opvoedsituatie voor de kinderen te waarborgen. De vader toont betrokkenheid, maar kan de kinderen geen veiligheid bieden.
Ten aanzien van C/10/722308 / JE RK 26/1271
De Raad verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ter zitting heeft de Raad dit verzoek eveneens gehandhaafd. Er is sprake van een langdurig patroon van instabiliteit en onveiligheid binnen de thuissituatie. In de afgelopen tien jaar hebben verschillende hulpverleningsinstanties melding gemaakt van conflicten in de thuissituatie. [minderjarige 1] heeft op school verteld dat de moeder fysiek geweld tegen haar gebruikt. Inmiddels ontkent [minderjarige 1] deze verklaring. Uit de verslaglegging van [jeugdhulpaanbieder] blijkt daarnaast dat fysiek geweld door de moeder is waargenomen. De Raad gaat hiervan aangifte doen. Bovendien vertoont [minderjarige 1] ernstige gedragsproblemen, waarbij zij een risico vormt voor zichzelf en haar omgeving. Het is nog niet duidelijk waar het gedrag van [minderjarige 1] vandaan komt. De moeder kan het gedrag van [minderjarige 1] onvoldoende reguleren. Ook heeft de communicatie en spanning van de moeder invloed op het ontstaan van escalaties. Vier van de zes MIC-meldingen (Melding Incident Cliënt) zijn veroorzaakt door het gedrag van de moeder. [minderjarige 1] krijgt in de thuissituatie onvoldoende rust. [minderjarige 1] moet daarom tot rust komen binnen een crisisopvang en daarna worden geobserveerd in bijvoorbeeld het Erasmus MC (hierna: EMC). Het is de Raad bekend dat er binnen enkele weken een plek beschikbaar kan zijn voor [minderjarige 1] in het EMC. Hiervoor is een periode van zes maanden nodig, omdat in drie maanden onvoldoende zicht en duidelijkheid kan worden verkregen.
Ten aanzien van C/10/721641 / JE RK 26/1199
De GI heeft verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg, dan wel een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Ter zitting van 22 juni 2026 heeft de GI het verzoek gewijzigd in die zin dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van drie maanden wordt verzocht. Ter zitting van 2 juli 2026 heeft de GI het verzoek opnieuw gewijzigd en verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
[minderjarige 1] moet uit de thuissituatie worden gehaald, omdat de situatie tussen haar en de moeder onveilig is. [minderjarige 1] heeft diagnostiek nodig, zodat er een duidelijk behandelplan kan worden opgesteld. Youz heeft de aanmelding afgewezen, omdat diagnostiek vanuit de huidige instabiele thuissituatie niet mogelijk is. Diagnostiek is ook niet mogelijk tijdens een GGZ-opname, omdat daar eveneens onvoldoende stabiliteit is. Een gezinsopname bij Yulius is afgewezen, omdat eerst een diagnose van [minderjarige 1] bekend moet zijn. MDFT kan niet starten, omdat de veiligheid in het gezin hiervoor onvoldoende is. Hierdoor blijft de situatie vastlopen en op enig moment moet deze cirkel worden doorbroken. [minderjarige 1] heeft behoefte aan een stabiele plek. Er is nog geen gezinshuis gevonden, ook is geen zicht op een opname in het EMC. Een machtiging tot uithuisplaatsing kan helpen om een passende plek in een gezinshuis voor [minderjarige 1] te vinden. Een crisisgroep is niet passend voor [minderjarige 1]. Uit de verslaglegging van [jeugdhulpaanbieder] van de afgelopen week blijkt dat er binnen het gezin rustige momenten zijn, maar ook momenten met spanning. Tijdens deze spanningsmomenten ondersteunt [jeugdhulpaanbieder] het gezin en bemiddelen zij tussen de moeder en [minderjarige 1]. Hierdoor hebben geen nieuwe escalaties plaatsgevonden. De hulpverlening van [jeugdhulpaanbieder] is verlengd en kan na 2 juli 2026 doorgaan. Daarnaast heeft de GI contact gehad met de Viersprong over begeleiding in de thuissituatie zoals MST. MST biedt intensieve hulp, maar kent een wachttijd van zeven tot acht maanden. Er wordt gekeken naar een andere vorm van hulp dat eerder kan starten.
4 Het standpunt van de moeder
[minderjarige 1]
Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen zowel het verzoek van de Raad als de GI. De afgelopen periode is sprake van verbetering en hebben zich geen incidenten voorgedaan. Er is meer rust in de thuissituatie ontstaan. Een crisisplek, zoals door de Raad wordt voorgesteld, wordt niet passend geacht omdat [minderjarige 1] behoefte heeft aan rust en stabiliteit. Tijdens de vorige zitting heeft de rechtbank dit ook aangegeven. Daarnaast staat de GI ook niet achter een crisisplek. De GI zelf verzoekt om een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinshuis, terwijl er naar verwachting de komende maanden geen plek beschikbaar is. Hierdoor kan de machtiging niet worden uitgevoerd, terwijl het verlenen van een machtiging alleen al voor onrust zorgt bij [minderjarige 1]. Voor er verder stappen worden genomen, moet er eerst een duidelijk plan worden opgesteld. Dit plan moet betrekking hebben op een passende verblijfplek voor [minderjarige 1], ondersteuning voor de moeder en de mogelijkheid om diagnostiek bij [minderjarige 1] te laten plaatsvinden.
[minderjarige 2]
Ten aanzien van [minderjarige 2] en het verzoek tot ondertoezichtstelling wordt aangevoerd dat [minderjarige 2] last heeft van de problematiek rondom [minderjarige 1] en de moeder, maar een ondertoezichtstelling niet noodzakelijk is. De moeder staat open voor hulpverlening en accepteert deze. De benodigde hulpverlening kan binnen het vrijwillige kader worden ingezet. Er is onvoldoende onderbouwd waarom hulpverlening binnen het gedwongen kader noodzakelijk is.
5 Het standpunt van de vader
De vader stemt in met de verzoeken. De afgelopen jaren zijn duidelijke patronen zichtbaar geworden waaruit blijkt dat sprake is van emotionele en fysieke onveiligheid bij de moeder. Dit blijkt ook uit de MIC-meldingen. Het is zorgelijk dat ondanks de inzet van intensieve hulpverlening nog steeds sprake is van dergelijke zorgen.
6 Het standpunt van [jeugdhulpaanbieder]
Ter zitting heeft [jeugdhulpaanbieder] aangegeven dat zij de komende periode betrokken blijven in het gezin. Zij zullen vijf dagen per week zeven uur lang aanwezig zijn. Ondanks de betrokkenheid is [jeugdhulpaanbieder] van mening dat op de langere termijn meer hulpverlening voor [minderjarige 1] en de moeder nodig is.
7 De beoordeling
Ten aanzien van C/10/719772 / JE RK 26-94 ( ondertoezichtstelling [minderjarige 2])
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.[_03594bc5-9ef5-4d96-9cf8-cadc501775c1] De rechtbank legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd. Er bestaan veel zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder thuis. [minderjarige 2] groeit op in een thuissituatie waarin sprake is van spanningen en escalaties tussen [minderjarige 1] en de moeder. [minderjarige 2] heeft hier last van. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Hoewel de moeder meewerkt aan de hulpverlening, speelt de problematiek al jaren en is er nog steeds geen structurele verbetering zichtbaar. De problematiek rondom [minderjarige 1] staat op de voorgrond, maar het is van belang dat [minderjarige 2] niet uit het oog wordt verloren en dat voldoende aandacht blijft voor zijn ontwikkeling en behoeften.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De rechtbank stelt [minderjarige 2] onder toezicht voor een kortere duur dan verzocht, te weten tot 28 mei 2027, zodat deze maatregel gelijkloopt met de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1].
Ten aanzien van C/10/719772 / JE RK 26-94 ( gesloten machtiging tot uithuisplaatsing [minderjarige 1])
De kinderrechter stelt vast dat de Raad het verzoek tot een gesloten machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] heeft ingetrokken. Nu de GI het resterende deel van het verzoek niet handhaaft, komt de kinderrechter niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van dit deel van het verzoek. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Ten aanzien van C/10/722308 / JE RK 26/1271 en C/10/721641 / JE RK 26/1199
[minderjarige 1] verblijft momenteel bij de moeder. Er is enige verbetering zichtbaar in de thuissituatie, maar deze is vooral het resultaat van de intensieve betrokkenheid van [jeugdhulpaanbieder]. Want ondanks deze betrokkenheid bestaan er nog steeds grote zorgen over de opvoedsituatie en het bestaande patroon binnen het gezin en dan met name de relatie tussen de moeder en [minderjarige 1]. Dit patroon moet worden doorbroken. [minderjarige 1] moet tot rust komen, zodat ruimte ontstaat voor diagnostiek, duidelijkheid kan worden verkregen over de oorzaak van haar gedrag en passende hulpverlening kan worden ingezet. Dit is vanuit de huidige en instabiele thuissituatie niet mogelijk. De GI acht een gezinshuis een passende plek voor [minderjarige 1], maar hier is op korte termijn geen plek beschikbaar. De Raad verzoekt om een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, zodat [minderjarige 1] in een crisisgroep kan worden geplaatst. De kinderrechter volgt de GI in het standpunt dat een plaatsing van [minderjarige 1] in een crisisgroep op dit moment niet passend is. Tijdens de zitting is gebleken dat de GI nog geen concreet plan heeft voor een passende plek voor [minderjarige 1]. Het is aan de GI om een passende plek voor [minderjarige 1] te zoeken en aanmeldingen te doen. Tevens dient de GI een concreet plan voor de inzet van hulpverlening te maken en op de kortst mogelijke termijn [minderjarige 1] aan te melden voor diagnostiek door het EMC of een soortgelijke instantie. In de tussentijd is het in het belang van [minderjarige 1] dat zij bij de moeder blijft in plaats van een verblijf op een crisisgroep. De kinderrechter neemt daarbij in overweging dat de situatie thuis op dit moment enigszins is verbeterd en voldoende veilig is voor [minderjarige 1] door de intensieve inzet van [jeugdhulpaanbieder] die ook na 2 juli 2026 zal worden voortgezet. De GI dient overigens de komende periode alert te blijven op signalen dat de situatie van [minderjarige 1] verslechtert en dient in voorkomend geval voortvarend te handelen.
Nu er, zoals hiervoor is overwogen, nog geen concreet plan ligt over wat een passende plek is voor [minderjarige 1], houdt de kinderrechter de verzoeken met betrekking tot de machtigingen tot uithuisplaatsing van de Raad en de GI aan tot 31 augustus 2026.
De kinderrechter verzoekt de Raad en de GI uiterlijk een week voor de hierna te noemen zittingsdatum een briefrapportage te doen toekomen (met afschrift aan de moeder, mr. F. Pool en de vader) over de dan huidige stand van zaken.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
8 De beslissing
De rechtbank:
Ten aanzien van C/10/719772 / JE RK 26-94
stelt [minderjarige 2] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west, gevestigd in Dordrecht met ingang van 2 juli 2026 tot 28 mei 2027;
wijst het overige verzochte af;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
Ten aanzien van C/10/721641 / JE RK 26/1199 en C/10/722308 / JE RK 26/1271
houdt de behandeling van de verzoeken aan;
roept de Raad, de GI, de moeder en haar advocaat en de vader op voor de zitting van mr. M.A. van der Laan-Kuijt, mr. J.S. van den Berge en mr. R. van der Wal op 31 augustus 2026 om 15:30 uur in het gerechtsgebouw van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, aan Wilhelminaplein 100 / 125 in Rotterdam;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproep;
gelast de oproeping van [minderjarige 1] voor een kindgesprek;
verzoekt de Raad en de GI om uiterlijk een week voor de genoemde zittingsdatum de kinderrechter (met afschrift aan de moeder, mr. F. Pool en de vader) de verzochte briefrapportage te doen toekomen.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026 door mr. S. Jordaan, mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos en mr. L.L.H. Roebroek, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 28 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.