Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Rotterdam, 23 juli 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:9514Zaaknummer ROT 25/2205
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 23 juli 2026
- Publicatiedatum
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- ROT 25/2205
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Ambtshalve inschrijving in de Brp, beroep gegrond.
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-;
- draagt het college op het door eiseres betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Klomp, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2205
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats 1], eiseres
(gemachtigde: mr. G. Grijs),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barendrecht, het college
(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om eiseres ambtshalve met ingang van 15 juli 2024 in te schrijven als inwoner van de gemeente Barendrecht, op het adres [straatnaam 1]. Eiseres is het niet eens met het besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
Bij besluit van 13 augustus 2024 (het primaire besluit) heeft het college eiseres ambtshalve ingeschreven in de Basisregistratie personen (Brp) op het adres [straatnaam 1] in [locatie 1].
Bij besluit van 24 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het primaire besluit.
Verweerder heeft op het beroepschrift gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting aangehouden, omdat het college nog nadere informatie zou opvragen bij de gemeente Rotterdam (zie hierna onder 4.1). Het college heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek op 21 mei 2026 gesloten.
Totstandkoming van het besluit
Eiseres stond in de Brp ingeschreven op het adres [straatnaam 2] te [locatie 2]. Door een hervestiging op dat adres, heeft op 27 november 2023 een huisbezoek plaatsgevonden. De toezichthouders van de gemeente Rotterdam hebben weinig persoonlijke spullen van eiseres aangetroffen. Om die reden is door de gemeente Rotterdam een adresonderzoek gestart naar eiseres. Op 14 maart 2024 heeft de gemeente Rotterdam een brief gestuurd naar de gemeente Barendrecht met het verzoek om een adresonderzoek te starten naar eiseres, omdat het vermoeden is ontstaan dat zij op het adres [straatnaam 1] in [locatie 1] zou wonen. De gemeente Barendrecht heeft vervolgens onderzoek hiernaar gedaan door op 3 mei 2024 boa’s naar het adres te sturen. Eiseres is niet aangetroffen op het adres, maar buurtbewoners bevestigden dat eiseres op het adres verbleef. De gemeente Barendrecht heeft geprobeerd om telefonisch en schriftelijk contact met eiseres op te nemen. Daar heeft zij niet op gereageerd. De gemeente Barendrecht heeft ook contact opgenomen met de verhuurder van de woning die bevestigde dat eiseres al geruime tijd op het adres verbleef.
Bij besluit van 13 augustus 2024 heeft het college ambtshalve beslist om eiseres met ingang van 15 juli 2024 in te schrijven op het adres [straatnaam 1] in Barendrecht.
Op 18 september 2024 heeft eiseres bezwaar ingesteld tegen het besluit van 13 augustus 2024.
Op 15 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. De bezwaarschriften-commissie heeft het college vervolgens geadviseerd om het bezwaar van eiseres ongegrond te verklaren. De commissie heeft vastgesteld dat er drie huisbezoeken zijn geweest, tweemaal in de gemeente Rotterdam en één keer in Barendrecht, waarbij eiseres niet thuis was. Ook hebben de toezichthouders met de eigenaar van de woning gesproken. Deze heeft aangegeven dat eiseres een huurcontract heeft en dat zij ook heeft aangestuurd op inschrijving. De plicht tot inschrijving heeft eiseres nagelaten. Ook is bij het huisbezoek in [locatie 1] met buurtbewoners gesproken. Hierbij is vastgesteld dat eiseres op dit adres blijkt te wonen. Daarnaast zijn diverse pogingen ondernomen om contact te leggen met eiseres, zowel schriftelijk als telefonisch. Op basis van een zorgvuldige analyse van alle verzamelde gegevens en omstandigheden is het college tot de conclusie gekomen dat de inschrijving van eiseres niet overeenkomt met de feitelijke verblijfssituatie. Volgens de commissie heeft het college er alles aan gedaan om eiseres te bereiken. Het onderzoek naar de verblijfsplaats is volgens de commissie zorgvuldig uitgevoerd. De stelling dat eiseres daar niet woont is onvoldoende.
Bij het bestreden besluit van 24 februari 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft hierbij het advies van de bezwaarschriftencommissie overgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
4. Eiseres voert aan dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt dat zij niet zou wonen op het adres in [locatie 2]. Zij heeft daarbij ook gewezen op het feit dat de gemeente Rotterdam bij besluit van 18 november 2024 haar bijstandsuitkering per 15 juli 2024 heeft beëindigd, omdat eiseres niet meer in Rotterdam zou wonen, maar dat besluit is op 29 januari 2025 (dus voor het bestreden besluit) weer ingetrokken, omdat eiseres per 15 juli 2024 een gezamenlijke huishouding voert met de heer [naam 3] op het adres [straatnaam 2] in [locatie 2]. In het besluit van 19 februari 2025 inzake de WMO, bevestigt de gemeente Rotterdam dit nogmaals. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat uit die besluiten blijkt dat zij op 15 juli 2024 inwoner was van de gemeente Rotterdam.
Gelet op de door eiseres overgelegde besluiten van de gemeente Rotterdam heeft de rechtbank de behandeling van het onderzoek ter zitting op 5 maart 2026 aangehouden. Er bestaat onduidelijkheid over de vraag of en waarom de gemeente Rotterdam er wel van uit gaat dat eiseres sinds 15 juli 2024 een gezamenlijke huishouding voert met [naam 3] op het adres [straatnaam 2] in [locatie 2]. Het college zou bij de gemeente Rotterdam navraag doen over de stand van zaken omtrent de inschrijving van eiseres als inwoner van Rotterdam en eventueel ook contact opnemen met mevrouw [naam 4] (eigenaresse van de woning aan de [straatnaam 1] in [locatie 1]) over het huurcontract van eiseres en eventuele betalingen door eiseres. Het college zou de rechtbank vervolgens binnen twee weken na de zitting laten weten of er meer informatie is en of er aanleiding bestaat om het bestreden besluit in te trekken. De rechtbank heeft geen reactie van het college meer ontvangen, ook niet op de brief van 10 april 2026 waarbij nogmaals is verzocht om een reactie.
Het adresonderzoek naar eiseres is op verzoek van de gemeente Rotterdam gestart. Uit de door eiseres overgelegde besluiten van de gemeente Rotterdam van 29 januari 2025 en van 19 februari 2025 volgt dat de gemeente Rotterdam ervan uitgaat dat eiseres sinds 15 juli 2024 een gezamenlijke huishouding voert met [naam 3] en dat eiseres vanaf 15 juli 2024 op het adres [straatnaam 2] in [locatie 2] woont. Het is onduidelijk gebleven waarom de gemeente Rotterdam na het adresonderzoek, waardoor het college eiseres ambtshalve in Barendrecht heeft ingeschreven, hiervan uitgaat en of eiseres in die periode ook in [locatie 2] stond ingeschreven. Eiseres heeft zelf ook verklaard dat zij niet aan de [straatnaam 1] in [locatie 1] woonde, maar daar slechts af en toe verbleef. Omdat de rechtbank geen reactie meer heeft ontvangen van het college, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Als gevolg daarvan is de conclusie in het bestreden besluit ook niet begrijpelijk en is het bestreden besluit dus ondeugdelijk gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank draagt het college op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres te nemen.
6. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank het college in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Ook dient het college het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-;
- draagt het college op het door eiseres betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Klomp, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.