Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Rotterdam, 15 april 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:7512Zaaknummer C/10/714423 / JE RK 26-227 C/10/717064 / JE RK 26-571 C/10/716547 / FA RK 26-2137
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 15 april 2026
- Publicatiedatum
- 15 juli 2026
- Zaaknummer
- C/10/714423 / JE RK 26-227 C/10/717064 / JE RK 26-571 C/10/716547 / FA RK 26-2137
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Beschikking
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beschikking van de kinderrechter over verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en tijdelijke voogdij
6 De beslissing
De kinderrechter:
Ten aanzien van zaaknummer C/10/714423 / JE RK 26-227
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 29 september 2026;
Ten aanzien van zaaknummer C/10/717064 / JE RK 26-571
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 15 april 2026 tot 29 september 2026;
Ten aanzien van zaaknummer C/10/716547 / FA RK 26-2137
stelt vast dat de vader met ingang van 15 april 2026 van rechtswege voor drie maanden is geschorst in de uitoefening van het gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en benoemt de GI Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond voor die duur tot tijdelijk voogd over voornoemde minderjarigen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026 door mr. S.J. Huizenga, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 24 april 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/714423 / JE RK 26-227
C/10/717064 / JE RK 26-571
C/10/716547 / FA RK 26-2137
Datum uitspraak: 15 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en tijdelijke voogdij
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats 1] ( [geboorteland 1] ), hierna te noemen [minderjarige 1],
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2012 in [geboorteplaats 2] ( [geboorteland 2] ), hierna te noemen [minderjarige 2],
[minderjarige 3],
geboren op [geboortedatum 3] 2014 in [geboorteplaats 3] ( [geboorteland 3] ), hierna te noemen [minderjarige 3]
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam vader],
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats],
bijgestaan door advocaat mr. F.O. Ligeon-Merton, kantoorhoudende in Capelle aan den IJssel.
De kinderrechter merkt in de zaaknummers C/10/714423 / JE RK 26-227 en C/10/717064 / JE RK 26-571 als informant aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank onbekend adres.
1 Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 19 maart 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- het bericht van de GI van 30 maart 2026.
Op 15 april 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de vader;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2].
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben geen mening gegeven.
2 De feiten
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3].
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij D3 in [locatie 1].
[minderjarige 3] verblijft op een groep van Ihub bij [locatie 2].
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 september 2026 [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld tot 29 september 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 maart 2026 een machtiging verleend [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 19 mei 2026. De beslissing op het overige is aangehouden.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 november 2025 een machtiging verleend [minderjarige 3] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte accommodatie tot 17 mei 2026.
3 De verzoeken van de GI
Ten aanzien van zaaknummer C/10/714423 / JE RK 26-227
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Hiervan zijn reeds twee maanden toegewezen. De resterende periode voor de duur van de ondertoezichtstelling resteert. De GI verzoekt beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ten aanzien van zaaknummer C/10/717064 / JE RK 26-571
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ten aanzien van zaaknummer C/10/716547 / FA RK 26-2137
De GI verzoekt primair vast te stellen dat de vader momenteel tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert om het gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] uit te oefenen, waardoor de man van rechtswege geschorst is in zijn gezag over de minderjarigen. De GI verzoekt om de tijdelijke voogdij uit te spreken en om de GI als voogd te benoemen.
Subsidiair verzoekt de GI te bepalen dat het gezag gedeeltelijk, namelijk voor zover het betreft de toestemming voor een therapeutische behandeling en aanmelding bij een onderwijsinstelling, toegekend wordt aan de GI.
De GI licht de verzoeken ter zitting als volgt toe. Ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is naar voren gebracht dat zij op dit moment op D3 verblijven en daar vooral structuur en regelmaat krijgen, maar nog niet de hulp ontvangen die zij nodig hebben. Bij beide meisjes stagneert de verdere hulpverlening en de start van onderwijs, omdat voor noodzakelijke aanmeldingen en toestemmingen de medewerking van de vader ontbreekt. [minderjarige 2] laat zorgelijk gedrag zien, waaronder automutilatie en recent een incident waarbij zij een overdosis paracetamol heeft ingenomen. Ten aanzien van [minderjarige 3] is naar voren gebracht dat er nog ernstige zorgen spelen. Hoewel de afgelopen twee weken iets meer rust zichtbaar is, heeft [minderjarige 3] de afgelopen periode agressief gedrag vertoond richting groepsgenoten en medewerkers. Omdat [minderjarige 3] erg gehecht is aan zijn voormalig pleegmoeder, werkt de GI aan contactherstel tussen hen.
De GI heeft verder toegelicht dat het contact van de kinderen met de vader minimaal is en door de kinderen als negatief wordt ervaren, omdat de vader vooral aandringt op terugkeer naar huis. Ook het contact met de moeder neemt af. De GI heeft benadrukt dat veel noodzakelijke beslissingen niet kunnen worden genomen, omdat de vader niet of onvoldoende reageert, niet op afspraken verschijnt en noodzakelijke documenten niet ondertekent. Dit belemmert onder meer de start van onderwijs voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en traumabehandeling voor [minderjarige 3]. Volgens de GI heeft de vader door zijn persoonlijke problematiek en verslavingsproblematiek geen inhoudelijk contact met de GI over gezagsbeslissingen en weet hij zich geen raad met de uitoefening van zijn gezag. De kinderen ervaren dat zij weinig van de vader te verwachten hebben. Wanneer zij iets nodig hebben, benaderen zij hiervoor de jeugdbeschermer in plaats van de vader. De GI heeft ter zitting desgevraagd verduidelijkt dat de vader het gezag op dit moment eenvoudigweg niet uitoefent, omdat hij dat door zijn problematiek niet kán. Het is daarom van belang dat de GI als tijdelijk voogd de noodzakelijke beslissingen voor de kinderen kan nemen.
De kinderrechter constateert dat meest recent voor [minderjarige 3] een machtiging is verleend hem in een gezinsgerichte accommodatie te plaatsen. Naar aanleiding van de stukken en de mondelinge toelichting van de GI op het verzoek leest de kinderrechter het verzoek daarom als een verzoek tot verlening van een nieuwe machtiging, in plaats van een verlenging van de lopende machtiging.
4 Het standpunt van de vader
De advocaat van de vader heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. Voor zover het de verzoeken ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] betreft, wil de vader graag dat zij weer bij hem komen wonen, maar hij begrijpt ook dat hij zijn eigen traject nog niet heeft afgerond en dat dit nog tijd vergt. Als het daarom nu niet anders kan, heeft hij geen bezwaar tegen voortzetting van de plaatsing van de [minderjarige 2] en [minderjarige 1]. Ten aanzien van het verzoek betreffende de tijdelijke voogdij is naar voren gebracht dat niet voldoende vast is komen te staan dat de vader feitelijk niet in staat is om het gezag uit te oefenen. De vader is voor zijn advocaat wel bereikbaar via zijn begeleider van Pameijer. Het is onduidelijk waardoor het inhoudelijke contact met de GI onvoldoende van de grond komt.
5 De beoordeling
Ten aanzien van zaaknummer C/10/714423 / JE RK 26-227
De kinderrechter is van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.[_e87fce66-dfeb-4eb5-93e6-4e1e8702b2c8] De kinderrechter legt hierna uit waarom.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds niet bij hun ouders kunnen wonen. De vader is door zijn persoonlijke problematiek en verslavingsproblematiek nog steeds niet in staat om de verzorging en opvoeding van de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op zich te nemen. De moeder verblijft in het buitenland en is niet beschikbaar. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in korte tijd meerdere wisselingen van verblijf meegemaakt en hebben behoefte aan rust, structuur en duidelijkheid. Op de groep waar zij nu verblijven vinden zij die basis in zekere mate. Tegelijkertijd zijn er nog duidelijke zorgen, onder meer omdat passende hulpverlening en onderwijs nog niet van de grond komen. Gelet op de huidige situatie acht de kinderrechter voortzetting van hun verblijf in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding.
Ten aanzien van zaaknummer C/10/717064 / JE RK 26-571
Ten aanzien van het verzoek betreffende de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] oordeelt de kinderrechter als volgt. Zoals in 3.7. is overwogen, leest de kinderrechter het verzoek van de GI ten aanzien van [minderjarige 3] als een verzoek tot verlening van een nieuwe machtiging tot uithuisplaatsing, in plaats van een verlenging van de lopende machtiging. De kinderrechter ziet hierin geen aanleiding om de behandeling van het verzoek aan te houden. De advocaat van de vader is ter zitting verschenen en is in gelegenheid gesteld het standpunt van de vader naar voren te brengen. Daarom zal de kinderrechter het verzoek inhoudelijk beoordelen.
De kinderrechter is van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [_212eb036-4b89-4d0e-b18d-fa67b6dd9ad2] Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat het huidige verblijf van [minderjarige 3] op de groep moet worden voortgezet. [minderjarige 3] laat nog steeds zorgelijk gedrag zien, waaronder agressie richting anderen en medewerkers en conflicten op de groep. Hoewel de afgelopen weken sprake is van enige afname van incidenten, is van voldoende stabiliteit nog geen sprake. Juist in deze fase is het van belang dat hij in een gestructureerde en begrensde setting verblijft, waar toezicht is en waar verdere behandeling en begeleiding kan worden vormgegeven. Een terugkeer naar de vader is, gelet op diens persoonlijke problematiek en het ontbreken van voldoende betrokkenheid, niet aan de orde en de moeder is niet beschikbaar. De kinderrechter acht het daarom noodzakelijk dat het verblijf van [minderjarige 3] in de huidige accommodatie wordt voortgezet.
Ten aanzien van zaaknummer C/10/716547 / FA RK 26-2137
Verder komt de kinderrechter tot het oordeel dat het verzoek ten aanzien van de tijdelijke voogdij dient te worden toegewezen. De kinderrechter legt hierna uit waarom.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling staat vast dat de vader niet in staat is om het gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op een adequate wijze uit te oefenen. Ter zitting heeft de kinderrechter vastgesteld dat de vader op dit moment al enige tijd geen inhoudelijke beslissingen over de kinderen neemt. De GI heeft voldoende toegelicht dat gedurende langere tijd wordt geprobeerd om met de vader in contact te komen over concrete gezagsbeslissingen, maar dat dit niet tot resultaat leidt. De vader verschijnt niet op afspraken en reageert vaak niet inhoudelijk. Dit heeft alles te maken met de grote problematiek waarmee de vader te kampen heeft. Ondertussen is de nood bij de kinderen hoog. Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten onderwijszaken worden geregeld en voor [minderjarige 3] moet traumabehandeling worden opgestart. Ook op andere punten lopen noodzakelijke beslissingen vast. De kinderrechter acht aannemelijk dat de vader zich door zijn verslavingsproblematiek en overige problemen geen raad weet met de uitoefening van zijn gezag en dat van hem op dit moment niet kan worden verwacht dat hij de vereiste beslissingen neemt. Een tijdelijke schorsing van drie maanden acht de kinderrechter passend. Dat geeft de GI de mogelijkheid om de noodzakelijke beslissingen voor de kinderen te nemen en geeft de vader tegelijk de gelegenheid om in die periode te werken aan zijn eigen herstel, zodat kan worden bezien of hij daarna het gezag weer zelf kan uitoefenen.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
Ten aanzien van zaaknummer C/10/714423 / JE RK 26-227
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 29 september 2026;
Ten aanzien van zaaknummer C/10/717064 / JE RK 26-571
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 15 april 2026 tot 29 september 2026;
Ten aanzien van zaaknummer C/10/716547 / FA RK 26-2137
stelt vast dat de vader met ingang van 15 april 2026 van rechtswege voor drie maanden is geschorst in de uitoefening van het gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en benoemt de GI Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond voor die duur tot tijdelijk voogd over voornoemde minderjarigen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026 door mr. S.J. Huizenga, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 24 april 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.