Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Rotterdam, 10 april 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:7503Zaaknummer C/10/711432 / JE RK 25-2543

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
C/10/711432 / JE RK 25-2543
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

6 De beslissing

De kinderrechter:

wijst het verzoek af.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026 door mr. S. Riege, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 24 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere verloop van de procedure
  2. 3 Het aangehouden verzoek van de Raad
  3. 4 De standpunten
  4. 5 De beoordeling
  5. 6 De beslissing

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/711432 / JE RK 25-2543

Datum uitspraak: 10 april 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam - Dordrecht,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige 1],

geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige 1].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam vader],

hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats],

bijgestaan door advocaat mr. L.A. Middelkoop, kantoorhoudende in Rotterdam,

[naam meemoeder],

hierna te noemen de meemoeder, wonende op een voor de rechtbank bekend adres,

bijgestaan door advocaat mr. W.R. Arema, kantoorhoudende in Rotterdam.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- de beschikking van 19 december 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

  • het rapport van de Raad met bijlagen van 2 april 2026, ingekomen op diezelfde datum;
  • het schrijven van mr. L.A. Middelkoop met bijlage, ingekomen op 7 april 2026;
  • het verweerschrift van mr. L.A. Middelkoop, ingekomen op 8 april 2026.
1.2.

Op 10 april 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

- de vader met zijn advocaat;

- de meemoeder met haar advocaat;

- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1];

- een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna de GI), [naam 2].

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft geen mening gegeven.

2. De feiten

2.1.

De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1].

2.2.

[minderjarige 1] verblijft bij de meemoeder.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 december 2025 [minderjarige 1] onder toezicht gesteld tot 19 december 2026.

2.4.

Bij dezelfde beschikking is het verzoek van de Raad tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een pleegzorgvoorziening aangehouden tot de zitting van 10 april 2026.

3 Het aangehouden verzoek van de Raad

3.1.

De Raad heeft verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De Raad handhaaft het aangehouden verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Het is de Raad nog altijd niet gelukt om [minderjarige 1] te spreken, waardoor onvoldoende zicht bestaat op zijn actuele situatie. Het contact met de vader en de meemoeder is moeizaam verlopen, wat het verkrijgen van een volledig en betrouwbaar beeld bemoeilijkt. Hoewel ook positieve ontwikkelingen zichtbaar zijn, zoals een afname van het schoolverzuim en het feit dat een thuisplaatsing van halfbroertje [minderjarige 2] bij de meemoeder nog altijd wordt overwogen, blijven er zorgen bestaan. Zo blijkt uit informatie van school dat [minderjarige 1] moeite heeft met lezen en dat hij nog regelmatig te laat wordt gebracht en gehaald. Daarnaast is de meemoeder, bij wie [minderjarige 1] momenteel verblijft, negatief gescreend door pleegzorg. De biologische vader en de vader uiten bovendien over en weer zorgen over de opvoedsituatie bij de ander. Ook heeft [minderjarige 1] tegenover de GI aangegeven dat hij zijn biologische vader en opa mist, slecht slaapt en piekert over het verleden. Gelet op deze omstandigheden acht de Raad het noodzakelijk dat er meer duidelijkheid komt over de thuissituatie en de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige 1]. Hiervoor is een uithuisplaatsing op een neutrale plek nodig. Subsidiair kan nog een korte aanhouding van het verzoek worden overwogen om eerst nader zicht te verkrijgen op de situatie en de mogelijkheden binnen het huidige kader.

4 De standpunten

4.1.

De GI heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat een machtiging tot uithuisplaatsing op dit moment prematuur is. Er moet eerst binnen het huidige kader meer zicht komen op de situatie van [minderjarige 1]. De GI is pas sinds februari 2026 betrokken en heeft [minderjarige 1] inmiddels twee keer gesproken, zowel thuis als op school. Er zijn positieve ontwikkelingen zichtbaar. [minderjarige 1] ’s schoolgang is verbeterd en het verzuim is afgenomen. Hij komt over het algemeen mee op school, met uitzondering van lezen. Tegelijkertijd ziet de GI ook zorgen. [minderjarige 1] lijkt belast te worden met volwassenenproblematiek en lijkt zich te bevinden in een loyaliteitsconflict tussen de ouders. Ook heeft hij weinig sociale contacten buiten het gezin en moeite in de omgang met leeftijdsgenoten. De samenwerking met de ouders verloopt wisselend, onder meer doordat afspraken worden afgezegd of verplaatst. De komende periode moet worden ingezet op het verkrijgen van meer zicht op de thuissituatie en de opvoedvaardigheden van de meemoeder. Er zal met [minderjarige 1] worden gesproken en passende hulpverlening wordt ingezet, zoals speltherapie. Daarnaast moet worden gewerkt aan herstel van het contact tussen [minderjarige 1] en zijn biologische vader. Gelet hierop is een uithuisplaatsing nu niet nodig en ligt het meer voor de hand om het verzoek nogmaals aan te houden, zodat eerst binnen de ondertoezichtstelling aan de doelen kan worden gewerkt.

4.2.

Door en namens de vader is ter zitting als volgt verweer gevoerd. Er is geen sprake van een actuele noodzaak voor een machtiging tot uithuisplaatsing. Het verzoek is onvoldoende onderbouwd, ook nadat de Raad de gelegenheid heeft gehad dit nader te motiveren. In het rapport is geen volledig en objectief beeld geschetst. Positieve ontwikkelingen zijn onvoldoende meegewogen en het feit dat [minderjarige 1] niet door de Raad is gesproken, mag niet in zijn nadeel werken. [minderjarige 1] verblijft stabiel bij de meemoeder en in de thuissituatie wordt voorzien in zijn dagelijkse behoeften. Hoewel het einde van de relatie van de vader en de meemoeder onrustig is verlopen, zijn zij hier altijd open over geweest. In het belang van [minderjarige 1] hebben zij door middel van relatietherapie gewerkt aan hun onderlinge communicatie om hun gezamenlijk ouderschap vorm te geven. Ook staan zij open voor verdere hulpverlening. De GI is pas recent betrokken bij [minderjarige 1] en heeft inmiddels gesprekken met [minderjarige 1] gevoerd. [minderjarige 1] geeft zelf aan dat hij bij de meemoeder wil blijven. Een uithuisplaatsing is een te ingrijpende maatregel en voldoet niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Minder ingrijpende alternatieven zijn beschikbaar, zoals voortzetting van de ondertoezichtstelling met inzet van hulpverlening. Tot slot is verdere aanhouding van het verzoek niet wenselijk, omdat hiermee geen duidelijkheid wordt geboden en het verzoek als een voortdurende dreiging boven het gezin blijft hangen.

4.3.

Door en namens de meemoeder wordt ter zitting aangesloten bij het standpunt van de vader en als volgt verweer gevoerd. Er is geen sprake van een acute noodzaak voor een machtiging tot uithuisplaatsing. [minderjarige 1] verblijft bij de meemoeder in een stabiele en veilige opvoedsituatie en er is voldoende zicht op zijn dagelijks functioneren. De meemoeder stelt zich open en meewerkend op richting de hulpverlening. Dat afspraken in de afgelopen periode zijn afgezegd, houdt verband met het overlijden van een familielid en betekent niet dat zij niet transparant is. Het contactverlies tussen [minderjarige 1] en zijn biologische vader ligt volgens de meemoeder niet aan haar of de vader, maar aan de ambivalente houding van de biologische vader zelf. De meemoeder staat open voor contactherstel en wil dit ondersteunen. Ook staat zij open voor verdere hulpverlening, zoals speltherapie en eventueel gezinsgerichte behandeling. Gezien wordt dat de meemoeder op een liefdevolle en adequate manier voor kinderen zorgt. Een uithuisplaatsing naar een neutrale plek is een te ingrijpende maatregel, terwijl minder vergaande mogelijkheden beschikbaar zijn. Het is in het belang van [minderjarige 1] dat hij in zijn vertrouwde omgeving kan blijven en dat vanuit daar wordt gewerkt aan de gestelde doelen binnen de ondertoezichtstelling.

5 De beoordeling

5.1.

Bij beschikking van 19 december 2025 is het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing aangehouden, omdat op dat moment onvoldoende was gebleken dat de verzochte maatregel noodzakelijk was. Uit de stukken en de behandeling ter zitting volgt dat er nog steeds zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige 1]. Deze zorgen zien onder meer op zijn sociaal-emotionele ontwikkeling, zijn positie tussen de verschillende ouders en het uitblijven van het contact met zijn biologische vader. Ook zijn er aandachtspunten in zijn functioneren op school en in de omgang met leeftijdsgenoten. De zorgen die eerder tot de ondertoezichtstelling hebben geleid, zijn daarmee nog steeds aanwezig. Tegelijkertijd ziet de kinderrechter dat er sinds de vorige zitting ook positieve ontwikkelingen zijn. [minderjarige 1] gaat naar school en het verzuim is verminderd. De GI is inmiddels betrokken en heeft eerste gesprekken met [minderjarige 1] gevoerd. Dit biedt aanknopingspunten om binnen het kader van de ondertoezichtstelling verder te werken aan verbetering van de situatie, zo heeft ook de GI ter zitting betoogd.

5.2.

De kinderrechter is van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing een ingrijpende maatregel is. Deze maatregel kan enkel worden toegepast als dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van het kind. Gelet op de huidige stand van zaken is daarvan nog steeds onvoldoende gebleken. [minderjarige 1] verblijft bij de meemoeder en er zijn op dit moment onvoldoende concrete aanwijzingen dat deze situatie zodanig onveilig of onhoudbaar is dat een plaatsing in een neutraal pleeggezin noodzakelijk is.

5.3.

De kinderrechter acht het van belang dat eerst binnen het kader van de ondertoezichtstelling wordt gewerkt aan de bestaande zorgen. De GI dient de komende periode regie te voeren en meer zicht te krijgen op de thuissituatie. De vader en de meemoeder dienen goed mee te werken aan de ondersteuning van de opvoeding en het verminderen van de belasting van [minderjarige 1] met volwassenenproblematiek. Daarbij is het van belang dat wordt gewerkt aan het herstel van het contact tussen [minderjarige 1] en zijn biologische vader, nu gebleken is dat [minderjarige 1] hier last van heeft. Ook moet aandacht worden besteed aan zijn functioneren op school en zijn sociale ontwikkeling.

5.4.

De kinderrechter ziet geen aanleiding om het verzoek opnieuw aan te houden. Het is in het belang van [minderjarige 1] dat nu duidelijkheid wordt gegeven over zijn verblijfplek en dat de GI de ruimte krijgt om de ondertoezichtstelling uit te voeren. Dit betekent dat het verzoek zal worden afgewezen.

6 De beslissing

De kinderrechter:

wijst het verzoek af.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026 door mr. S. Riege, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 24 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.