Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Rotterdam, 10 april 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:7501Zaaknummer C/10/711362 / JE RK 25-2532

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
C/10/711362 / JE RK 25-2532
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 14 april 2026 tot 22 juli 2026.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026 door mr. S. Riege, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 24 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere verloop van de procedure
  2. 3 Het aangehouden verzoek van de GI
  3. 4 De standpunten
  4. 5 De beoordeling
  5. 6 De beslissing

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/711362 / JE RK 25-2532

Datum uitspraak: 10 april 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp

in de zaak van

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige],

geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige],

bijgestaan door advocaat mr. N.S. van der Vliet, kantoorhoudende in Rotterdam.

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder],

hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats].

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • de beschikking van 14 januari 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de briefrapportage van de GI met bijlagen van 24 maart 2026, ingekomen op 25 maart 2026;
  • de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 1 april 2026, ontvangen van de GI op 2 april 2026.
1.2.

Op 10 april 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

- [minderjarige] met zijn advocaat;

- de moeder;

- twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2].

1.3.

Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Spaanse taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van M.L. Keijzer, tolk in de Spaanse taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.

1.4.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] verblijft op een gesloten groep van Pluryn in [locatie].

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 juli 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 22 juli 2026.

2.4.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 januari 2026 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 14 april 2026. De beslissing op het overig verzochte is aangehouden.

3 Het aangehouden verzoek van de GI

3.1.

De GI heeft verzocht een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van de ondertoezichtstelling. Een periode tot 22 juli 2026, circa drieënhalve maand, resteert.

3.2.

De GI handhaaft het resterende verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Sinds de vorige zitting is er geen wezenlijke verandering in de situatie van [minderjarige]: er is nog steeds sprake van instabiliteit en er vinden nog incidenten plaats op de groep. Tegelijkertijd ziet de GI een voorzichtige positieve ontwikkeling. [minderjarige] gaat weer naar school en er wordt gewerkt aan het opstarten van dramatherapie. Ook is het contact met de moeder uitgebreid. Voor de overgang naar een open setting acht de GI het van belang dat eerst verdere stabilisatie plaatsvindt, onder meer door het vinden van de juiste medicatie en het opstarten van behandeling. Om die reden is voortzetting van het verblijf op de gesloten groep noodzakelijk. Hoewel de GI in algemene lijn de samenwerking met de groep als positief ervaart, heeft de groep recent om onbekende reden het geplande evaluatiegesprek van [minderjarige] afgezegd. De komende week zal het evaluatiegesprek alsnog plaatsvinden.

4 De standpunten

4.1.

Door en namens [minderjarige] is ter zitting het volgende naar voren gebracht. Het standpunt van de GI dat sprake is van ernstige opgroeiproblemen en dat hulpverlening noodzakelijk is, wordt niet betwist. Echter is onvoldoende duidelijk welk concreet behandelplan wordt uitgevoerd en welke stappen de komende periode worden gezet. Eerdere vormen van behandeling, zoals agressieregulatie, zijn niet van de grond gekomen en ook nu ontbreekt een duidelijke onderbouwing waarom stabilisatie nog niet is bereikt en wat daar de komende periode in zal veranderen. [minderjarige] verblijft inmiddels geruime tijd in een gesloten setting en houdt zich aan de regels. Dat [minderjarige] zich nog steeds aan hulpverlening zou onttrekken is onvoldoende onderbouwd. Desondanks is een plotselinge overgang naar een open setting op dit moment niet in het belang van [minderjarige]. Namens hem wordt verzocht de machtiging voor een kortere termijn te verlenen, zodat sneller wordt toegewerkt naar een open setting en duidelijk wordt welke behandeling daadwerkelijk wordt ingezet.

4.2.

Door de moeder is ter zitting ingestemd met het verzoek van de GI en als volgt toegelicht. De moeder ziet dat [minderjarige] nog onrustig is en dat hij nog niet klaar is voor een open setting of een terugkeer naar huis. Zij acht het van belang dat hij eerst de juiste hulp en therapie ontvangt. Tegelijkertijd vindt zij dat er meer aandacht moet zijn voor de medicatie van [minderjarige] en de toediening hiervan. Eerdere medicatie werd onvoldoende zorgvuldig toegediend en gaf [minderjarige] bijwerkingen. Tot slot is de moeder positief over de recente ontwikkelingen, waaronder [minderjarige] weekendverlof bij de moeder, en hoopt dat de behandeling en begeleiding de komende periode goed worden opgepakt.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige] kampt met complexe gedrags- en psychiatrische problemen en beperkte cognitieve vaardigheden. Hij heeft in het verleden op meerdere open en gesloten groepen verbleven, waarbij plaatsingen binnen korte tijd mislukten door agressief en impulsief gedrag. Sinds zijn plaatsing bij Pluryn in [locatie] is sprake van enige vooruitgang. [minderjarige] profiteert van de geboden structuur, is weer gestart met school en het contact met de moeder is uitgebreid, onder meer door weekendverlof. De kinderrechter acht het positief dat deze ontwikkeling zichtbaar is. Tegelijkertijd blijkt uit de stukken en de toelichting ter zitting dat deze ontwikkeling nog pril is. Er vinden nog steeds incidenten plaats op de groep en van duurzame stabilisatie is nog geen sprake. Ook de juiste balans in medicatie moet nog worden gevonden en behandeling, zoals dramatherapie, moet nog verder van de grond komen.

5.2.

Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.[_9b2ee2ac-345e-4dba-a50e-7f3547f2cb1e] De kinderrechter weegt daarbij mee dat eerdere open plaatsingen niet houdbaar zijn gebleken. Op dit moment is de gesloten groep de plek waar hij nog de meeste rust, voorspelbaarheid en begrenzing ervaart. De kinderrechter acht het daarom in zijn belang dat hij daar nog blijft. Het is van belang dat de GI de komende periode actief de regie neemt. De evaluatiegesprekken zullen moeten plaatsvinden en duidelijk moet worden waarom bepaalde behandeling nog niet is ingezet en wat daarvoor nog nodig is. Ook moet in de komende maanden concreter worden welke vervolgstap na deze plaatsing passend is.

5.3.

De kinderrechter zal de GI machtigen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van de ondertoezichtstelling.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 14 april 2026 tot 22 juli 2026.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026 door mr. S. Riege, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 24 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.