Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Rotterdam, 22 juni 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:7477Zaaknummer C/10/709769 / FA RK 25-8534

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
17 augustus 2026
Zaaknummer
C/10/709769 / FA RK 25-8534
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Omgangsverzoek grootouders afgewezen. Vader als belanghebbende aangemerkt.

4 De beslissing

4.1.

verklaart de grootouders niet-ontvankelijk in hun verzoek;

4.2.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M. van Wees, griffier, op 22 juni 2026.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De vaststaande feiten
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/709769 / FA RK 25-8534

Beschikking van 22 juni 2026 over de omgangsregeling

in de zaak van:

[grootmoeder], hierna: de grootmoeder,

en

[grootvader], hierna: de grootvader,

beiden wonende te [plaats 1],

gezamenlijke advocaat mr. F. Çelen te Rotterdam,

hierna samen ook te noemen: de grootouders.

t e g e n

[moeder], hierna: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. S. Atceken-Ata te Rotterdam.

In deze zaak wordt als belanghebbende aangemerkt:

[vader], hierna: de vader,

wonende te [plaats 2].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het verzoekschrift met bijlagen van de grootouders, ingekomen op 7 november 2025;
  • het verweerschrift met bijlagen van de moeder, ingekomen op 15 mei 2026.
1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij zijn verschenen:

  • de grootouders, bijgestaan door hun advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad].

De vader is, hoewel door de rechtbank behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2 De vaststaande feiten

2.1.

De grootouders zijn de ouders van de vader.

2.2.

De vader en de moeder zijn op 25 februari 2019 getrouwd.

2.3.

Tijdens het huwelijk, op [geboortedag] 2019, is, te [geboorteplaats], de minderjarige [minderjarige] geboren.

2.4.

Uit de door de moeder overgelegde beschikkingen van deze rechtbank van 16 februari 2022 en 2 maart 2022 blijkt dat:

  • de minderjarige op 16 februari 2022 onder toezicht is gesteld voor de duur van een jaar. Uit het gezagregister van 7 november 2025 blijkt dat de ondertoezichtstelling nadien is verlengd tot 16 augustus 2024;
  • de echtscheiding op 2 maart 2022 tussen partijen is uitgesproken, het hoofdverblijf van de minderjarige bij de moeder is bepaald en er een zorgregeling is vastgesteld tussen de vader en de minderjarige die zal worden opgestart en zo mogelijk uitgebreid onder (bege)leiding van de gecertificeerde instelling (hierna GI).
2.5.

Het huwelijk van de vader en de moeder is ontbonden op 11 april 2022.

3 De beoordeling

3.1.

Omgangsregeling

3.1.1.

De grootouders verzoeken te bepalen dat zij gerechtigd zijn tot omgang met de minderjarige om de veertien dagen van vrijdag tot en met zondag, dan wel een opbouwende omgangsregeling vast te leggen.

3.1.2.

De moeder voert gemotiveerd verweer.

3.1.3.

De rechtbank zal de grootouders niet ontvankelijk verklaren in hun verzoek. Zij hebben naar het oordeel van de rechtbank geen recht op omgang in de zin van de wet. Daarom stelt de rechtbank geen omgangsregeling vast. Hierna legt de rechtbank deze beslissing uit.

3.1.4.

Op grond van artikel 1:377a lid 1 BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die ‘in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat’. Alleen deze personen kunnen de rechtbank vragen om een omgangsregeling vast te stellen. Andere personen kunnen dat niet. De vraag die de rechtbank daarom eerst moet beantwoorden, is of de grootouders ‘in een nauwe persoonlijke betrekking staan’ tot de minderjarige. De rechtbank is van oordeel dat dat niet zo is.

3.1.5.

Volgens vaste Nederlandse rechtspraak is er een ‘nauwe persoonlijke betrekking’ tussen een kleinkind en zijn of haar grootouder(s) als sprake is van een band die verder gaat dan de normale band tussen grootouders en kleinkinderen. Niet iedere grootouder kan, met andere woorden, om een omgangsregeling vragen. Alleen wanneer er bijkomende omstandigheden zijn waaruit blijkt, dat er sprake is van méér dan de gebruikelijke contacten tussen de grootouders en het kleinkind, zijn zij ontvankelijk in hun verzoek en ontstaat er een recht op omgang. Omstandigheden die hierbij een rol kunnen spelen zijn de frequentie en duur van de contacten tussen de grootouders van de minderjarige, de vraag of de contacten plaatsvinden in of buiten afwezigheid van de ouders, of er overnachtingen plaatsvinden, de duur van de contacten in relatie tot de leeftijd van de minderjarige, de duur van de periode waarover de contacten plaatsvinden, waarbij ook relevant kan zijn of er sprake was van inwoning, regelmatige verzorging en opvoeding, een intensieve oppasregeling of omgangscontacten na een uithuisplaatsing.

3.1.6.

De grootouders hebben gesteld dat de minderjarige tot februari 2025 ruim een jaar lang ieder weekend bij grootouders verbleef en elke woensdag door grootouders opgehaald werd uit school. Zij hebben vanaf de geboorte van de minderjarige een hele hechte en nauwe band met haar gehad. Grootmoeder heeft de minderjarige vanaf de geboorte mede verzorgd. Zij heeft in die tijd langdurig en structureel bijgedragen aan de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Er is sprake van family life tussen grootouders en de minderjarige omdat zij altijd intensief contact hebben gehad met hun kleinkind.

De moeder heeft naar voren gebracht en deels ook met stukken onderbouwd dat zij, naar de rechtbank begrijpt, het verzoekschrift tot echtscheiding al op 31 juli 2020 heeft ingediend.

Tussen vader en de minderjarige is tweemaal een traject bij het Rotterdams Omgangshuis opgestart. Na het tweede traject zijn de omgangsmomenten tussen vader en de minderjarige voortgezet in de woning van de grootouders, waarbij grootouders aanwezig waren. De GI stelde een regeling op waarbij de minderjarige wekelijks op woensdag uit school tot 19.00 uur en zondag van 12.00 tot 18.00 uur bij vader was. De omgangsmomenten verliepen volgens moeder niet goed. Vader bleek vele omgangsmomenten (deels) niet aanwezig te zijn en de minderjarige werd niet door vader, maar door grootmoeder opgehaald uit school. Uiteindelijk heeft vader zich teruggetrokken uit het contacthersteltraject. Moeder betwist dat grootmoeder een rol als mede opvoeder heeft vervuld. Zij heeft het contact tussen vader en de minderjarige gefaciliteerd, zij had geen zelfstandige rol.

3.1.7.

De rechtbank kan op basis van wat partijen naar voren hebben gebracht, niet vaststellen dat er langdurig sprake was van een meer dan gebruikelijk contact tussen grootouders en de minderjarige en daarmee van een nauwe persoonlijke betrekking. De stellingen zien vooral op de periode, ergens na oktober 2023 tot februari 2025, en dus in ieder geval heel 2024. Dat de minderjarige in die periode elke week een heel weekend en ook op woensdag bij haar grootouders verbleef, dat is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Hoewel de moeder niet betwist dat de minderjarige bij de grootouders heeft overnacht, wat op zichzelf gebruikelijk is voor veel minderjarigen, betwist zij wel dat de minderjarige elk weekend twee nachten bij de grootouders verbleef. Volgens moeder verbleef de minderjarige ook regelmatig bij haar andere grootmoeder.

Wat hierbij naar het oordeel van de rechtbank van groot belang is, is dat de contactmomenten in en rondom 2024 tussen de grootouders en de minderjarige, die toen de leeftijd van 4 tot 5 jaar had, blijkbaar plaatsvonden in het kader van het contactherstel tussen de minderjarige en haar vader, in de woning van de grootouders. De vader was daarbij deels wel en deels niet aanwezig.

De rechtbank kan om die reden niet vaststellen dat er sprake is van een dermate uitzonderlijke band tussen grootouders en de minderjarige, die rechtvaardigt dat beoordeeld wordt of een omgangsregeling tussen de grootouders en de minderjarige in haar belang is vastgesteld kan worden. De rechtbank ziet anders dan de raad geen reden om de raad om advies te vragen omdat de grootouders niet ontvankelijk zijn in hun verzoek.

3.2.

Proceskosten

3.2.1.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

4.1.

verklaart de grootouders niet-ontvankelijk in hun verzoek;

4.2.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M. van Wees, griffier, op 22 juni 2026.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.