Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Rotterdam, 30 januari 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:630Zaaknummer ROT 24/11786
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 30 januari 2026
- Publicatiedatum
- 11 augustus 2026
- Zaaknummer
- ROT 24/11786
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het UWV heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.J. van Erkel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/11786
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen
[naam eiser], uit [plaats], eiser,
(gemachtigde: mr. R.A. Remport Urban)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV,
(gemachtigde: [persoon A] ).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het UWV heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eiser is het hier niet mee eens.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Met het besluit van 26 juni 2023 (het primaire besluit) heeft het UWV de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) afgewezen.
Met het besluit van 12 november 2024 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
Totstandkoming van het bestreden besluit
Eiser, laatstelijk werkzaam als assistent manager van een autobedrijf, heeft zich op 7 september 2020 ziek gemeld vanuit de Werkloosheidswet (WW). Eiser heeft op 6 juli 2022 een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering.
In het kader van de beoordeling van deze aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft vervolgens in de medische rapportage van 16 juni 2023 geconcludeerd dat eiser beperkingen heeft als gevolg van ziekte of gebrek. In de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 16 juni 2023, geldig vanaf 4 september 2022, heeft de verzekeringsarts beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, dynamische handelingen en statische houdingen.
In de rapportage van 22 juni 2023 heeft de arbeidsdeskundige, met inachtneming van de beperkingen en functionele mogelijkheden van eiser, geconcludeerd dat eiser niet geschikt is voor de maatgevende arbeid, maar wel voor de functies archiefmedewerker (SBC-code 315132), machinaal metaalbewerker (excl. bankwerk) (SBC-code 264122) en wikkelaar (nieuw en revisie) (SBC-code 267053). Aanvullend wordt eiser geschikt geacht voor de functies productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180) en controleur metaalproducten (SBC-code 264150). Het loon dat met de middelste van de drie eerstgenoemde functies (de mediaanfunctie) verdiend kan worden, ligt 28,01% lager dan het loon dat eiser met zijn eigen werk zou kunnen verdienen (het maatmaninkomen).
Op grond van de rapportages van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige heeft het UWV met het primaire besluit de WIA-aanvraag van eiser afgewezen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.
In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 25 oktober 2024 een medische rapportage opgesteld. Daarin wordt geconcludeerd dat de belastbaarheid enige aanvulling behoeft. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de FML van 25 oktober 2024, geldig vanaf 21 oktober 2024, extra beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk functioneren en fysieke omgevingseisen.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in de rapportage van 5 november 2024 geconcludeerd dat het bezwaarschrift de arbeidsdeskundige conclusie niet beïnvloedt en dat eiser minder 35% dan arbeidsongeschikt blijft. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.
Het standpunt van eiser
3. Eiser stelt volledig arbeidsongeschikt te zijn. Volgens eiser zijn de beperkingen niet goed in beeld gebracht en is er onvoldoende rekening gehouden met hetgeen de door hem ingeschakelde verzekeringsarts [persoon B] in het rapportage van 22 november 2023 naar voren bracht ten aanzien van de hersenen. Eiser stelt geen loonvormende arbeid te kunnen verrichten. De NAH-problematiek speelt snel op, waardoor hij niet op acceptabel niveau kan presteren.
Het toetsingskader
4. Op grond van artikel 5 van de WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
Bij het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld betreffende de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht heeft besloten dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser per 5 september 2022 (datum in geding) moet worden bepaald op 28,01%. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiser, rekening houdend met deze beperkingen, in staat is de aan hem voorgehouden functies te verrichten.
6. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossieronderzoek, anamnese, het gestelde in het bezwaarschrift en de medische informatie afkomstig van de behandelend sector. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek van de verzekeringsarts voldoende zorgvuldig is geweest.
7. Wat eiser in beroep aanvoert geeft geen reden om het medische oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische belastbaarheid van eiser op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden heeft gemotiveerd. Eiser stelt volledig arbeidsongeschikt te zijn, maar kan daarin niet worden gevolgd. Hoewel er sprake is van beperkingen als gevolg van een medische aandoening, is er geen sprake van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden, omdat eiser niet voldoet aan één van de uitzonderingscriteria van het Schattingsbesluit, namelijk bedlegerigheid, ADL-afhankelijkheid, opname in een AWBZ-erkende instelling, een terminale situatie, onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren op basis van een ernstige psychiatrische aandoening, wisselende mogelijkheden waarbij dan periodiek langere tijd sprake is van een situatie waarin eiser niet of nauwelijks zelfredzaam is, of verlies aan mogelijkheden waardoor belanghebbende binnen drie maanden de zelfredzaamheid zal verliezen. De rapportage van de door eiser ingeschakelde verzekeringsarts [persoon B] was bekend bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Niet gebleken is dat hier door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening mee is gehouden, evenmin als met de NAH-problematiek. Hierbij weegt mee dat [persoon B] zich in zijn samenvatting, beschouwing en advies in algemene termen heeft uitgelaten en niet heeft gemotiveerd dat en op welke FML-items in het geval van eiser nadere beperkingen hadden moeten worden aangenomen.
8. Het voorgaande betekent dat de rechtbank geen reden heeft om eraan te twijfelen of de beperkingen in de FML juist zijn vastgesteld. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank evenmin reden om de geschiktheid van de geselecteerde functies te betwijfelen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 5 november 2024 voldoende gemotiveerd uitgelegd waarom de functies geschikt zijn voor eiser en afdoende gemotiveerd dat in de geduide functies de beperkte belastbaarheid van eiser niet wordt overschreden. Er wordt voldoende rekening gehouden met de beperkingen in alle rubrieken van de FML. Eiser heeft ter zitting nog aangevoerd dat hij van januari tot augustus 2025 serieus heeft geprobeerd te gaan werken, maar dat dit niet lukte. Zoals ter zitting al toegelicht kan hiermee in het onderhavige beroep geen rekening worden gehouden, omdat de situatie per datum in geding – 5 september 2022 – ter beoordeling staat. Het stond en staat eiser uiteraard vrij om zich, als daar gronden voor zijn, opnieuw bij het UWV te melden voor een uitkering.
9. Vergelijking van het inkomen dat eiser in de geduide functie zou kunnen verdienen met het inkomen dat hij in zijn eigen werk zou hebben verdiend als hij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen 28,01%. De mate van arbeidsongeschiktheid van eiser is dus terecht bepaald op minder dan 35%, zodat het UWV de aanvraag van eiser om een WIA-uitkering terecht heeft afgewezen.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.J. van Erkel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.