Uitspraak · Insolventierecht
Rechtbank Rotterdam, 24 april 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:5894Zaaknummer FT RK 24-1809
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 24 april 2026
- Publicatiedatum
- 21 mei 2026
- Zaaknummer
- FT RK 24-1809
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Insolventierecht
- Procedure
- Beschikking
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
: Verzoek aan de rechter-commissaris om de curator een bedrag van € 18.463,74 terug te laten betalen. Niet-ontvankelijk. Sprake van een boedelvordering. De procedure ex. artikel 69 Fw is niet bedoeld voor het te gelde maken van dergelijke rechten. Het is ook niet aan de rechter-commissaris om een oordeel uit te spreken over de rechtsvraag of sprake is van een onmiskenbare vergissing.
4 De beslissing
De rechter-commissaris verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar verzoek. [_de68630f-d1c8-4811-8dd5-4b2158824e7d]
Rotterdam, 24 april 2026,
mr. C.G.E. Prenger,
rechter-commissaris
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
beschikking van de rechter-commissaris op grond van artikel 69 Faillissementswet
Insolventienummer: [nummer]
BESCHIKKING in het faillissement van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gefailleerde]
[adres]
[postcode] [plaatsnaam]
gefailleerde
rechter-commissaris: mr. C.G.E. Prenger
curator: mr. O. Zaïr
1 Het verzoek
Bij brief van 30 maart 2026 hebben [naam 1] en [naam 2] namens [verzoekster] h.o.d.n. [handelsnaam] (hierna: verzoekster) op grond van artikel 69 Faillissementswet (Fw) aan de rechter-commissaris verzocht om de curator te bevelen om binnen een door de rechter-commissaris te bepalen termijn het bedrag van
€ 18.463,74 aan verzoekster terug te betalen, of een beslissing te nemen die de rechter-commissaris passend acht (hierna: het verzoek).
Het verzoek met bijlagen daarop zijn aan deze beslissing gehecht.
2 Het verweer
De curator heeft op 20 april 2026 schriftelijk op het verzoek gereageerd en heeft – kort samengevat – geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek, dan wel het verzoek af te wijzen.
De reactie van de curator is aan deze beslissing gehecht.
3 De beoordeling
Het verzoek wordt aangemerkt als een verzoekschrift op grond van artikel 69 Fw.
De vraag die allereest moet worden beantwoord is of verzoekster in haar verzoek kan worden ontvangen. Artikel 69 Fw omvat een limitatieve opsomming van mogelijke verzoekers. Hieruit volgt namelijk dat alleen de gefailleerde, een schuldeiser of een commissie van schuldeisers een dergelijk verzoek kan indienen.
Verzoekster is niet ontvankelijk in haar verzoek omdat zij niet behoort tot de kring van bevoegden genoemd in artikel 69 Fw. Verzoekster heeft weliswaar (onbetwist) een vordering op gefailleerde uit hoofde van een onverschuldigde betaling na datum faillissement; omdat dit geen verifieerbare vordering betreft, is zij geen schuldeiser in de zin van artikel 69 Fw. Verzoekster stelt bovendien een superpreferente boedelvordering te hebben vanwege een onmiskenbare vergissing en verzoekt de rechter-commissaris om een bevel tot betaling. De procedure ex. artikel 69 Fw is echter niet bedoeld voor het te gelde maken van dergelijke rechten. Boedelschuldeisers dienen een gepretendeerd recht in geval van geschil via een reguliere civiele procedure geldend te maken, waarbij in algemene zin geldt dat de regeling van artikel 69 Fw niet bestemd is om persoonlijk toekomende rechten tegenover de boedel geldend te maken. Het is ook niet aan de rechter-commissaris om een oordeel uit te spreken over de rechtsvraag of sprake is van een onmiskenbare vergissing (als bedoend in HR 5 september 1997, NJ 1998/437 (Ontvanger/Hamm q.q.)), maar aan de bodemrechter.
De rechter-commissaris verklaart het verzoek daarom niet-ontvankelijk.
Daarbij wordt ten overvloede wel nog het volgende opgemerkt. De curator heeft in zijn reactie laten weten ervoor open te staan in gesprek te gaan met verzoekster, om te bezien of een minnelijke oplossing mogelijk is. De rechter-commissaris ondersteunt de suggestie van de curator dat partijen over deze kwestie met elkaar in gesprek gaan. In dat gesprek kan nader onderzocht worden of er een regeling mogelijk is die recht doet aan de kosten en (proces)risico’s die gepaard zouden gaan met een eventuele procedure over deze kwestie. Partijen zouden hierover ook bindend advies kunnen vragen.
4 De beslissing
De rechter-commissaris verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar verzoek. [_de68630f-d1c8-4811-8dd5-4b2158824e7d]
Rotterdam, 24 april 2026,
mr. C.G.E. Prenger,
rechter-commissaris
Voetnoten
- Tegen deze beslissing kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent gedurende vijf dagen, te rekenen vanaf de dag waarop de beschikking is gegeven, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van de rechtbank die van deze zaak kennis moet nemen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.