Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Rotterdam, 8 april 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:4104Zaaknummer C/10/687114 / HA ZA 24-863

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
C/10/687114 / HA ZA 24-863
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Benoeming deskundige.

De rechtbank

in conventie

3.1.

houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

3.2.

beveelt een onderzoek voor de beantwoording van de volgende vragen:

1. Welke waarderingsmethode van de aandelen BIP is de meest reële waarderingsmethode in dit geval?

2. Wat is, uitgaande van de meest reële waarderingsmethode, de waarde van de aandelen van de man in BIP per 1 januari 2024?

3. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die mogelijk relevant kunnen zijn voor de waardering?

3.3.

benoemt tot deskundige:

[naam 1] ,werkzaam als ‘Registeraccountant/Register valuator’ en als partner verbonden aan [bedrijf],

correspondentieadres: [adres],

telefoonnummer: [telefoonnummer],

e-mailadres: [e-mailadres],

3.4.

bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,

het voorschot

3.5.

stelt de hoogte van het voorschot voor de kosten van de deskundige vast op het door de deskundige begrote bedrag van € 25.410,00 inclusief btw,

3.6.

bepaalt dat partijen ieder een bedrag van (€ 25.410,00 / 2 =) € 12.705,00 inclusief btw aan voorschot dienen over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,

3.7.

draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,

het onderzoek

3.8.

bepaalt dat de vrouw haar procesdossier in afschrift aan de deskundige dient te doen toekomen,

3.9.

bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door hem in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,

3.10.

wijst de deskundige erop dat:

- hij voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op www.rechtspraak.nl),

- hij het onderzoek pas begint na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot,

- hij het onderzoek onmiddellijk staakt en contact opneemt met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,- hij bij het onderzoek partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat hij in het schriftelijk bericht moet vermelden of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,

3.11.

bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken als hij daarom vraagt, hem toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en hem ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten,

het schriftelijk rapport

3.12.

draagt de deskundige op om uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,

3.13.

wijst de deskundige erop dat:

- uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken zijn oordeel is gebaseerd,

- hij een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, waarna partijen de gelegenheid krijgen om binnen vier weken daarover bij hem opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat hij in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,

3.14.

bepaalt dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben om op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,

overige bepalingen

3.15.

bepaalt dat de zaak op de parkeerrol zal komen van woensdag 7 oktober 2026;

3.16.

draagt de griffier op de zaak op een eerdere rol te plaatsen:

- als het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen van beide partijen op een termijn van twee weken, of

- na ontvangst ter griffie van het deskundigenbericht: voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van de vrouw op een termijn van vier weken, waarna de man een antwoordconclusie kan nemen,

3.17.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.

3894/2334/3310

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De verdere beoordeling in conventie en in reconventie
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/687114 / HA ZA 24-863

Vonnis van 8 april 2026

in de zaak van

[eiser],

te Barendrecht,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.J. van Lingen,

tegen

[gedaagde],

te Barendrecht,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P. de Boom.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het tussenvonnis van 21 januari 2026 en de daarin genoemde processtukken;
  • de akte van de vrouw;
  • de akte van de man.
1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling in conventie en in reconventie

2.1.

Bij tussenvonnis van 21 januari 2026 heeft de rechtbank overwogen dat zij aanleiding ziet om een deskundige te benoemen teneinde de waarde van de aandelen van de man in BIP te bepalen. In dat tussenvonnis heeft de rechtbank tevens de aan de deskundige voor te leggen vraagstelling bepaald. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voorgenomen deskundigenonderzoek, de persoon van de te benoemen deskundige en de aan deze te stellen vragen. Daarbij heeft de rechtbank partijen in overweging gegeven dat zij er ook voor kunnen kiezen om gezamenlijk een expert opdracht te geven tot het verrichten van een voor partijen bindende waardering van de aandelen. Als partijen daarvan afzien of hierin niet slagen, dan zal de rechtbank een deskundige benoemen.

2.2.

Partijen hebben in hun aktes van 9 en 11 februari 2026 van die gelegenheid gebruik gemaakt. De uitkomst hiervan is – kort gezegd – dat partijen te kennen hebben gegeven dat zij niet in onderling overleg een expert opdracht geven om een bindende waardering te verrichten, vanwege bezwaren van de man. Partijen zijn het erover eens dat [naam 1][naam 1] als deskundige door de rechtbank moet worden benoemd. Daarnaast hebben beide partijen ingestemd met de door de rechtbank bepaalde vraagstelling.

2.3.

Naar aanleiding hiervan wordt het aangekondigde deskundigenonderzoek in dit vonnis bevolen.

2.4.

De rechtbank heeft [naam 1] benaderd. Hij heeft zich bereid verklaard om op te treden als deskundige in deze zaak. Hij heeft bevestigd geen banden met betrokkenen te hebben (/gehad) en onpartijdig ten opzichte van dit geschil te staan.

2.5.

De rechtbank zal daarom [naam 1] tot deskundige benoemen. Aan deze deskundige zullen de in de beslissing vermelde vragen worden voorgelegd.

2.6.

De deskundige heeft het voorschot begroot op een bedrag van € 25.410,00 inclusief btw. De deskundige heeft aangegeven twee collega’s in het onderzoek te zullen betrekken, te weten [naam 2] (MSc) en [naam 3] (MSc). De werkzaamheden van deze collega’s heeft de deskundige meegenomen in de begroting van het voorschot. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Partijen hebben geen bezwaar tegen de kostenbegroting van de deskundige en daarmee ook niet tegen het betrekken van bovengenoemde collega’s van de deskundige in het onderzoek. De rechtbank zal het voorschot daarom vaststellen op € 25.410,00 en laat de deskundige vrij in het betrekken van de door hem benoemde collega’s in het onderzoek. Daarnaast heeft de deskundige te kennen gegeven algemene voorwaarden te willen hanteren. Partijen hebben daar eveneens geen bezwaar tegen gemaakt.

2.7.

In het tussenvonnis van 21 januari 2026 is al aangekondigd en toegelicht dat het voorschot op de kosten van de deskundige gelijkelijk over partijen wordt verdeeld. Partijen zullen daarom ieder de helft van het voorschot moeten betalen.

2.8.

De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals hierna onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

2.9.

Als een partij op verzoek van de deskundige of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken.

2.10.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

3.2.

beveelt een onderzoek voor de beantwoording van de volgende vragen:

1. Welke waarderingsmethode van de aandelen BIP is de meest reële waarderingsmethode in dit geval?

2. Wat is, uitgaande van de meest reële waarderingsmethode, de waarde van de aandelen van de man in BIP per 1 januari 2024?

3. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die mogelijk relevant kunnen zijn voor de waardering?

3.3.

benoemt tot deskundige:

[naam 1] ,werkzaam als ‘Registeraccountant/Register valuator’ en als partner verbonden aan [bedrijf],

correspondentieadres: [adres],

telefoonnummer: [telefoonnummer],

e-mailadres: [e-mailadres],

3.4.

bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,

het voorschot

3.5.

stelt de hoogte van het voorschot voor de kosten van de deskundige vast op het door de deskundige begrote bedrag van € 25.410,00 inclusief btw,

3.6.

bepaalt dat partijen ieder een bedrag van (€ 25.410,00 / 2 =) € 12.705,00 inclusief btw aan voorschot dienen over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,

3.7.

draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,

het onderzoek

3.8.

bepaalt dat de vrouw haar procesdossier in afschrift aan de deskundige dient te doen toekomen,

3.9.

bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door hem in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,

3.10.

wijst de deskundige erop dat:

- hij voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op www.rechtspraak.nl),

- hij het onderzoek pas begint na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot,

- hij het onderzoek onmiddellijk staakt en contact opneemt met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,- hij bij het onderzoek partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat hij in het schriftelijk bericht moet vermelden of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,

3.11.

bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken als hij daarom vraagt, hem toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en hem ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten,

het schriftelijk rapport

3.12.

draagt de deskundige op om uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,

3.13.

wijst de deskundige erop dat:

- uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken zijn oordeel is gebaseerd,

- hij een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, waarna partijen de gelegenheid krijgen om binnen vier weken daarover bij hem opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat hij in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,

3.14.

bepaalt dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben om op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,

overige bepalingen

3.15.

bepaalt dat de zaak op de parkeerrol zal komen van woensdag 7 oktober 2026;

3.16.

draagt de griffier op de zaak op een eerdere rol te plaatsen:

- als het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen van beide partijen op een termijn van twee weken, of

- na ontvangst ter griffie van het deskundigenbericht: voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van de vrouw op een termijn van vier weken, waarna de man een antwoordconclusie kan nemen,

3.17.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.

3894/2334/3310

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.