Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Rotterdam, 15 april 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:3711Zaaknummer 12142145 VV EXPL 26-151

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
12142145 VV EXPL 26-151
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kort geding. Huurrecht. Burgemeesterssluiting. Belangenafweging.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

wijst de vordering van MDG af;

4.2.

veroordeelt MDG in de proceskosten, aan de kant van de bewindvoerder begroot op € 721,00;

4.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken.

686

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 Het geschil
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 12142145 VV EXPL 26-151

datum uitspraak: 15 april 2026

Vonnis in kort geding van de kantonrechter

in de zaak van

Stichting Maasdelta Groep (MDG),

vestigingsplaats: Spijkenisse (gemeente Nissewaard),

eiseres,

gemachtigde: mr. M.E. Verheijen,

tegen

[bewindvoerder] ( [bewindvoerder] ),

als bewindvoerder over de goederen van [naam],

vestigingsplaats: Den Haag,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J. Pearson.

De partijen worden hierna ‘MDG’, ‘de bewindvoerder’ en ‘ [naam] ’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

  • de dagvaarding van 24 maart 2026, met bijlagen;
  • de brief van de bewindvoerder van 31 maart 2026, met bijlagen.
1.2.

Op 1 april 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken.

2 Het geschil

2.1.

[naam] woont op [adres] in [plaats], een woning van MDG. In zijn vonnis van 22 november 2024 heeft de kantonrechter de huurovereenkomst ontbonden in verband met een huurachterstand en [naam], althans zijn bewindvoerder, ertoe veroordeeld de woning te ontruimen. [naam] is echter toegelaten tot de schuldsaneringsregeling (WSNP), op 4 september 2025, en de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis is daardoor opgeschort (artikel 305 lid 2 Faillissementswet).

2.2.

De politie trof op 29 december 2025 harddrugs, een vuurwapen en munitie aan in de woning. De burgemeester heeft de woning daarna voor drie maanden gesloten. MDG stelt dat van haar gelet hierop niet gevergd kan worden [naam] nog langer in de woning te gedogen. Zij vordert daarom (de bewindvoerder van) [naam] te veroordelen de woning te ontruimen.

2.3. (

De bewindvoerder van) [naam] voert verweer tegen de vordering.

2.4.

Is dit voor de beoordeling van belang, dan wordt hierna ingegaan op wat partijen (verder) naar voren brengen.

3 De beoordeling

beoordelingskader

3.1.

Dit is een kort geding. Dat betekent dat de vordering toegewezen kan worden als MDG daar zoveel haast bij heeft, dat van haar niet gevraagd kan worden de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten. Bij de beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de vordering in een bodemzaak (een langer durende procedure) toegewezen wordt. Ook moet het belang van MDG bij toewijzing van de vordering afgewogen worden tegen het belang van [naam] bij afwijzing daarvan.

beoordelingskader toegepast

3.2.

Dat de bodemrechter de vordering toewijst is niet onaannemelijk. Harddrugs, een vuurwapen (ook al is dit volgens [naam] onklaar gemaakt) en de aanwezigheid van een en ander in een woning kan negatief bijdragen aan de leefbaarheid van een wijk en het is alleszins begrijpelijk dat MDG daar tegen op wil en moet treden. De vraag is echter of dit in dit specifieke geval zoveel haast heeft dat van MDG niet kan worden gevraagd de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten. [naam] veroorzaakt geen overlast in de buurt en relevante overlast is er in het verleden ook niet geweest. De zaak (de politie-inval) is naar de kantonrechter begrijpt gaan rollen na een melding van [naam] ’s vader, die zich zorgen maakt om zijn zoon. Het toewijzen van de vordering zou tegemoet komen aan het algemene beleid van MDG om wat is voorgevallen niet te dulden in haar woningen, maar een acuut probleem lost het niet op. Er is namelijk geen acuut probleem (in de zin van overlast, in welke vorm dan ook).

3.3.

Het toewijzen van de vordering veroorzaakt wel een acuut probleem voor [naam]. Hij zit in een schuldsaneringstraject dat op losse schroeven komt te staan als hij zijn woning uit moet. Dat had hij eerder moeten bedenken, zou je kunnen beredeneren, temeer omdat [naam] al een gewaarschuwd man was. Maar wat [naam] naar voren brengt over met name de aanwezigheid van harddrugs en de kweektent is dusdanig, dat dit de aan [naam] gemaakte verwijten wel enigszins nuanceert (hoewel duidelijk is dat [naam] op dit punt verkeerde keuzes heeft gemaakt). Zo verklaart [naam] de aanwezigheid van de harddrugs met zijn ADHD: daarvoor kreeg hij via zijn huisarts medicatie (waarin kennelijk dezelfde of vergelijkbare stoffen waren verwerkt), maar dat heeft hij na de pensionering van de arts laten versloffen en vervolgens willen oplossen door dit zelf aan te schaffen. In de kweektent kweekt hij geen hennep, maar tomaten en chilipepers. Wat dit laatste betreft: [naam] heeft onbetwist gesteld een moestuin te hebben, wat het willen kweken van tomaten en chilipepers verklaart.

3.4.

Kortom, als het algemene belang van MDG (rust in de buurt, zonder dat van onrust op dit moment overigens sprake is) wordt afgewogen tegen het concrete belang van [naam] (de ontruiming van de woning doorkruist zijn schuldsaneringstraject, in combinatie met wat hij naar voren heeft gebracht), dan valt de afweging uit in het voordeel van [naam]. De vordering van MDG wordt daarom afgewezen, ook omdat ontruiming onomkeerbaar is. Beslist de bodemrechter (toch) anders, dan kan [naam] immers niet zomaar terug naar zijn woning. Van een reden [naam] nú te laten vertrekken blijkt niet. Afwijzen van de vordering schaadt MDG daarnaast in die zin niet in haar belang, dat zij haar vordering uiteraard nog steeds in een bodemprocedure aan de rechter voor kan leggen. Ook daarmee kan zij haar beleid handhaven, zij het dat zij dan iets langer moet wachten op een beslissing van de kantonrechter.

proceskosten

3.5.

MDG krijgt ongelijk. Zij moet daarom de proceskosten betalen. Die kosten bestaan aan de kant van de bewindvoerder uit € 577,00 aan gemachtigdensalaris en € 144,00 aan nakosten. Dit is bij elkaar € 721,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis door een deurwaarder betekend (uitgereikt) moet worden.

uitvoerbaar bij voorraad

3.6.

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

wijst de vordering van MDG af;

4.2.

veroordeelt MDG in de proceskosten, aan de kant van de bewindvoerder begroot op € 721,00;

4.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken.

686

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.