Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Rotterdam, 17 februari 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:3321Zaaknummer C/10/713202 / JE RK 26-65

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
C/10/713202 / JE RK 26-65
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke verlenging machtiging uithuisplaatsing. Restant verzoek aangehouden.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 1 september 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

en alvorens verder te beslissen:

6.3.

bepaalt dat de behandeling van de zaak voor het overige wordt aangehouden tot 1 augustus 2026 pro forma;

6.4.

bepaalt dat de GI en de belanghebbenden op de genoemde pro forma-datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;

6.5.

verzoekt de GI om uiterlijk op de genoemde pro forma datum de kinderrechter (en de belanghebbenden) de verzochte rapportage te doen toekomen.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van A.L.I. Janssens als griffier, en op schrift gesteld op 6 maart 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 6 De beslissing

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/713202 / JE RK 26-65

Datum uitspraak: 17 februari 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [voornaam minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder],

hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. R.F.H. Tamboenan, kantoorhoudende in Barendrecht.

[naam vader],

hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats].

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 7 januari 2026, door de rechtbank ontvangen op 13 januari 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader;
  • een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A].
1.3.

De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens het laatste deel van het gesprek is [voornaam minderjarige] bijgestaan door twee medewerksters van het Bergse Bos. De kinderrechter heeft samengevat wat [voornaam minderjarige] tijdens het gesprek heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige].

2.2.

[voornaam minderjarige] verblijft bij het Bergse Bos.2.3. Bij beschikking van 3 december 2025 is [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 3 december 2026. Bij diezelfde beschikking is een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 3 maart 2026.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 3 december 2026. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De GI handhaaft op de zitting het verzoek. Er is sprake van een positieve ontwikkeling bij [voornaam minderjarige]. Hij gaat naar school en functioneert goed binnen 1-op-1 begeleiding. Uit onderzoek van ASVZ blijkt dat hij een licht verstandelijke beperking heeft in combinatie met autisme en hechtingsproblematiek. Er hebben recent twee incidenten plaatsgevonden op de groep. Hoewel deze situaties zijn opgepakt, laten deze voorvallen zien dat het gedrag van [voornaam minderjarige] zorgelijk blijft. Terugplaatsing op korte termijn is daarom niet verantwoord. [voornaam minderjarige] heeft een gestructureerde omgeving nodig met intensieve begeleiding. De GI wil de komende periode benutten om de omgang tussen [voornaam minderjarige] en de moeder verder te begeleiden met ondersteuning van ASVZ. Door personeelstekorten is dit nog onvoldoende verdiept. Mogelijk wordt in de toekomst aansluiting gezocht bij een kinderdagcentrum. Verder zal worden gekeken naar de inzet van systeemtherapie. Daarnaast is het belangrijk dat beide ouders hun persoonlijke traject blijven volgen. De GI benadrukt dat terugplaatsing eerder mogelijk is zodra de situatie dit toelaat.

4 De standpunten

4.1.

Door en namens de moeder wordt op de zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder erkent dat [voornaam minderjarige] passende begeleiding nodig heeft en dat de ondertoezichtstelling voorlopig nog noodzakelijk blijft. Zij verzoekt wel om de uithuisplaatsing zo kort mogelijk te laten duren en toe te werken naar terugplaatsing. Er is sprake van een duidelijke positieve ontwikkeling bij [voornaam minderjarige], die moet worden vastgehouden. Ook de moeder heeft stappen gezet. Zij staat open voor hulp en is bereid samen te werken met ASVZ. Ook is zij in staat om [voornaam minderjarige] 1-op-1 begeleiding te bieden. Daarnaast beschikt zij over een urgentieverklaring voor huisvesting en verwacht zij binnen een half jaar passende woonruimte te vinden. De eerdere doelen van de ondertoezichtstelling zijn bereikt. De volgende stap is het concretiseren van het behandel- en perspectiefplan. De moeder verzoekt om een tussentijds evaluatiemoment om de voortgang te volgen.

4.2.

De vader verklaart op de zitting dat hij recent een detox-traject heeft afgerond. Hij volgt nu een intensief vervolgtraject. De vader is gemotiveerd en ervaart positieve veranderingen bij zichzelf. De vader wenst dat [voornaam minderjarige] zo snel mogelijk weer thuis komt wonen. Hij erkent dat er in het verleden onvoldoende structuur was, maar dat is nu anders. De ouders zetten stappen en willen bijdragen aan een stabiele opvoedsituatie. Wanneer [voornaam minderjarige] vaste dagbesteding krijgt, met behulp van een kinderdagcentrum, zal dat bijdragen aan gedragsverbetering in de thuissituatie.

5. De beoordeling

5.1.

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding.[_90431b5f-78f7-46a3-9b8a-646e44f9fd49]

5.2.

Uit de stukken en dat wat is besproken op de zitting, blijkt dat [voornaam minderjarige] de afgelopen periode vooruitgang heeft geboekt. Hij gaat inmiddels naar school met 1-op-1 begeleiding. De ouders tonen veel betrokkenheid en motivatie; ze houden veel van [voornaam minderjarige]. Ook opa en oma zijn betrokken. De moeder werkt aan stabiele huisvesting en accepteert hulp van betrokken instanties. De vader volgt een behandeltraject en zet stappen richting herstel. Deze ontwikkelingen zijn positief. Tegelijkertijd is sprake van complexe en blijvende problematiek bij [voornaam minderjarige]. Uit recent onderzoek van ASVZ blijkt dat hij een licht verstandelijke beperking, hechtingproblematiek en autisme heeft, waardoor hij grote behoefte heeft aan intensieve begeleiding en structuur. Recente incidenten tonen aan dat hij kwetsbaar is, snel van slag kan raken en dat voortdurende professionele begeleiding noodzakelijk is. De huidige situatie van de ouders biedt nog onvoldoende stabiliteit om de volledige zorg te dragen. Er is nog geen duidelijkheid over passende huisvesting, dagbesteding en een duurzaam ondersteuningskader. De kinderrechter acht voortzetting van het huidige verblijf van [voornaam minderjarige] daarom noodzakelijk om de positieve ontwikkelingen vast te houden en zorgvuldig toe te werken naar een mogelijk toekomstperspectief bij de ouders.

5.3.

Gelet op de stijgende lijn en de inzet van de ouders ziet de kinderrechter wel aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor een kortere duur dan verzocht. Het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden tot de hierna te vermelden pro forma datum. Op deze wijze kan tussentijds worden bekeken hoe het staat met de situatie van [voornaam minderjarige], de mogelijkheden voor passende dagbesteding en de persoonlijke trajecten van de ouders.

5.4.

De GI wordt verzocht de kinderrechter, met afschrift aan de belanghebbenden, uiterlijk op de hierna na te noemen pro forma datum te rapporteren over de actuele stand van zaken.

5.5.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 1 september 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

en alvorens verder te beslissen:

6.3.

bepaalt dat de behandeling van de zaak voor het overige wordt aangehouden tot 1 augustus 2026 pro forma;

6.4.

bepaalt dat de GI en de belanghebbenden op de genoemde pro forma-datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;

6.5.

verzoekt de GI om uiterlijk op de genoemde pro forma datum de kinderrechter (en de belanghebbenden) de verzochte rapportage te doen toekomen.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van A.L.I. Janssens als griffier, en op schrift gesteld op 6 maart 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.