Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Rotterdam, 18 maart 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:2938Zaaknummer C/10/711033 / HA ZA 25-1039

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/10/711033 / HA ZA 25-1039
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vonnis in incident. Voeging van zaken. Toewijzing. Artikel 222 Rv. De rechtbank is van oordeel dat beide zaken feitelijk en juridisch verknocht zijn, althans dat beide zaken een zodanige samenhang vertonen dat consistentie van de uitspraken wenselijk is.

De rechtbank:

in het incident

3.1.

wijst de vordering toe;

3.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;

in de hoofdzaak

3.3.

voegt de zaak met de bij deze rechtbank aanhangige zaak met zaaknummer C/10/714748 / HA ZA 26-139;

3.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol komt van 29 april 2026 voor conclusie van antwoord van Deymann;

3.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.3349 / 2459

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De beoordeling in het incident
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/711033 / HA ZA 25-1039

Vonnis in incident van 18 maart 2026

in de zaak van

1. LYONDELL CHEMIE NEDERLAND B.V.,

statutaire vestigingsplaats: Rotterdam,2. XL INSURANCE COMPANY SE,

statutaire vestigingsplaats: Dublin (Ierland),3. AIG EUROPE S.A.,

statutaire vestigingsplaats: Luxemburg (Luxemburg),

4. MSIG SPECIALTY MARINE NV ACTING AS AUTHORIZED UNDERWRITING AGENT OF MSIG EUROPE SE (VOORHEEN MS AMLIN MARINE N.V. ACTING AS AN AUTHORIZED UNDERWRITING AGENT OF MS AMLIN INSURANCE SE),

statutaire vestigingsplaats: Schaarbeek (België),

eisende partijen in de hoofdzaak, verwerende partijen in het incident,

advocaat: mr. V.R. Pool,

tegen

1. STOLT-NIELSEN INLAND TANKER SERVICE B.V.,

statutaire vestigingsplaats: Rotterdam,

gedaagde partij in de hoofdzaak,

advocaat: mr. R.C.A. van ‘t Zelfde,2. REEDEREI DEYMANN GMBH & CO. KG TMS OTTO DEYMANN,

statutaire vestigingsplaats: Haren (Duitsland),

gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident,

advocaat: mr. H.W. ten Katen.

Partijen worden hierna Lyondell c.s., Stolt-Nielsen Inland en Deymann genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 8 oktober 2025, met bijlagen 00 tot en met 16;
  • de conclusie in incident tot voeging van verknochte zaken (ex art. 222 Rv) van Deymann, met bijlage 1;
  • de conclusie van antwoord in het incident tot voeging van verknochte zaken ex art. 222 Rv, houdende referte van Lyondell c.s.;
  • de conclusie van antwoord van Stolt-Nielsen Inland, met bijlagen 01 tot en met 04.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

Deymann vordert in het incident om de hoofdzaak vanwege verknochtheid te voegen met de zaak met zaaknummer C/10/714748 / HA ZA 26-139. Lyondell c.s. refereren zich in het incident aan het oordeel van de rechtbank.

2.2.

Op grond van artikel 222 Rv kan onder meer voeging worden gevorderd als voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn. Van verknochtheid is sprake wanneer feitelijke of juridische geschilpunten in de ene zaak identiek zijn aan die in de andere zaak, dan wel daarmee zodanige samenhang vertonen dat consistentie van de uitspraken wenselijk is.

2.3.

De rechtbank constateert dat Lyondell c.s. in de hoofdzaak Stolt-Nielsen Inland (als vervoerder) en Deymann (als geregistreerde scheepseigenaar) hebben gedagvaard ter zake van de vergoeding van schade die het gevolg is van contaminatie van een lading ‘Glycol ether PM Solvent in bulk’ tijdens vervoer over de binnenwateren van Rotterdam naar Kallo (België) aan boord van het schip “Mayflower”. In de zaak met zaaknummer C/10/714748 / HA ZA 26-139 heeft Stolt-Nielsen Switzerland A.G. Mayflower, Binnenschiffahrt UG Haftungsbeschränkt (de rompbevrachter van de Mayflower) gedagvaard ter zake van (vrijwaring tegen) dezelfde schade.

In beide zaken gaat het over hetzelfde vervoer van een lading ‘Glycol ether PM Solvent in bulk’ aan boord van het schip “Mayflower” en de aansprakelijkheid voor schade voortvloeiende uit ladingcontaminatie aan boord van dit schip. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat beide zaken feitelijk en juridisch verknocht zijn, althans dat beide zaken een zodanige samenhang vertonen dat consistentie van de uitspraken wenselijk is. Aangezien Lyondell c.s. zich bovendien aan het oordeel van de rechtbank hebben gerefereerd, wijst de rechtbank de incidentele vordering tot voeging van de zaken toe.

2.4.

Geen van partijen heeft in het incident te gelden als de in het ongelijk gestelde partij. Daarom worden de proceskosten in het incident gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten in het incident moet betalen.

3 De beslissing

De rechtbank:

in het incident

3.1.

wijst de vordering toe;

3.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;

in de hoofdzaak

3.3.

voegt de zaak met de bij deze rechtbank aanhangige zaak met zaaknummer C/10/714748 / HA ZA 26-139;

3.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol komt van 29 april 2026 voor conclusie van antwoord van Deymann;

3.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.3349 / 2459

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.