Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Rotterdam, 16 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14927Zaaknummer C/10/703684 / FA RK 25-5569
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 16 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/10/703684 / FA RK 25-5569
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Beschikking
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Samengestelde gezin; verhoudingsmethode; door nieuw kind moeder moet vader een groter deel van de kosten van hun kinderen dragen.
De rechtbank:
wijzigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 1 februari 2016 en het daarin opgenomen ouderschapsplan van 14 december 2015, in die zin dat de tussen partijen overeengekomen door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van 9 september 2025 wordt bepaald op € 342,- per maand per kind;
bepaalt dat deze onderhoudsbijdrage per 1 januari 2026 en ieder daarop volgend jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW;
stelt het bedrag aan achterstallige kinderbijdrage tot 9 september 2025 vast op
€ 4.013,55 en bepaalt dat de man betreffende de achterstallige kinderbijdrage tot die datum voor het overige niets meer aan de vrouw is verschuldigd;
bepaalt dat voor zover de vrouw aan kinderbijdrage die betrekking heeft op de periode van 9 september 2025 tot en met de datum van deze beschikking in totaal meer heeft ontvangen dan door de man in totaal over deze periode verschuldigd is, dit teveel betaalde door haar niet aan de man terug hoeft te worden betaald.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beschikking is gegeven door mr. L. Berghuis-Knijff, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van S. Breeman, griffier, op 16 oktober 2026. |
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/703684 / FA RK 25-5569
Beschikking van 16 oktober 2026 over (wijziging van) de onderhoudsbijdrage
in de zaak van:
[bewindvoerderskantoor] ., hierna: de bewindvoerder,
gevestigd te [vestigingsplaats], gemeente [gemeente],
in de rol van bewindvoerder over de onder bewind gestelde goederen van:
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1], gemeente [gemeente],
advocaat mr. S. Broekzitter-Nieuwland te Spijkenisse,
t e g e n
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2],
advocaat mr. G.E. van der Zanden te Den Haag.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 21 juli 2025;
- het verweerschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 4 september 2025;
- het gewijzigd verzoekschrift met bijlage van de man, ingekomen op 10 november 2025;
- het bericht met bijlagen van de man van 15 januari 2026;
- het bericht met bijlagen van de vrouw van 16 januari 2026;
- het bericht met bijlagen van de man van 14 augustus 2026;
- het aanvullend verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 31 augustus 2026;
- het bericht met bijlagen van de man van 1, 5 en 10 september 2026.
- het bericht met bijlage van de vrouw van 7 september 2026.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 september 2026.
Daarbij zijn verschenen
- de man;
- de bewindvoerder van de man;
- de advocaat van de man en de bewindvoerder;
- de vrouw met haar advocaat.
2 De vaststaande feiten
De man en de vrouw zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats 1];
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats 2].
Bij beschikking van deze rechtbank van 1 februari 2016 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Op 11 jul 2016 is deze beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Bij hiervoor genoemde beschikking is bepaald dat het aangehecht ouderschapsplan dat partijen hebben ondertekend op 14 december 2015 daarvan deel uitmaakt.
In voornoemd ouderschapsplan zijn de ouders – voorzover in deze procedure van belang – overeengekomen dat de kosten van de kinderen (hierna: de behoefte) conform de gangbare tabellen is begroot op € 1.100,- per maand, en dat met ingang van 10 december en zolang de kinderen minderjarig zijn en bij de vrouw wonen, de man aan de vrouw een kinderalimentatie betaalt van € 383,- per kind per maand, totaal € 766,-. Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering, voor het eerst per l januari 2016. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de kinderalimentatie € 516,- per maand per kind.
De vrouw is ook de ouder van de minderjarige [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2020.
3 De beoordeling
Onderhoudsbijdragen
De man verzoekt – aanvullend en na een deel te hebben ingetrokken – wijziging van de hiervoor genoemde beschikking van 1 februari 2016 en het daaraan gehechte ouderschapsplan, in die zin dat de daarin overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: kinderbijdrage) wordt bepaald aldus:
- dat de achterstand in de kinderbijdrage tot en met 9 september 2025 wordt bepaald op € 4.078,34 waarvoor finale kwijting wordt verleend, en dat wordt bepaald dat de man betreffende de achterstallige kinderbijdrage tot die datum voor het overige niets meer aan de vrouw is verschuldigd;
- dat de kinderbijdrage met ingang van 9 september 2025 wordt vastgesteld op nihil, dan wel in goede justitie een beslissing te nemen.
De vrouw voert gemotiveerd verweer en bepleit primair het verzoek van de man af te wijzen althans de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair verzoekt de vrouw aanvullend, voor zover de rechtbank de bestaande kinderbijdrage wijzigt, – zo de rechtbank begrijpt – de achterstallige kinderbijdrage tot en met december 2025 vast te stellen op € 4.013,55 en vanaf 1 januari 2026 de kinderbijdrage te wijzigen naar € 661,- per maand per kind, althans in goede justitie een bijdrage en ingangsdatum vast te stellen.
De man legt aan zijn verzoek ten grondslag dat sprake is van gewijzigde omstandigheden waardoor de vastgestelde kinderbijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Die gewijzigde omstandigheden zijn erin gelegen dat hij zijn baan als docent heeft verloren, dat hij deels arbeidsongeschikt is geraakt en dat hij vervolgens ziek is geworden waardoor hij niet in staat is om inkomen te genereren. Als gevolg hiervan heeft de man aanzienlijke schulden opgebouwd.
Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst over levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneerzij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Deze wettelijke maatstaven zijn de behoeften van de alimentatiegerechtigde en de draagkracht van de alimentatieplichtige (artikel 1:397 lid 1 BW). Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage. Alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk vastgestelde of overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven, zijn in dit opzicht rechtens relevant. Volgens vaste jurisprudentie moet in geval van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden een volledige herbeoordeling plaats vinden aan de hand van alle op dat moment bestaande omstandigheden.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Tussen partijen is vast komen te staan dat de man op 3 maart 2025 is toegelaten tot de schuldhulpverlening. Vanuit deze hulpverlening is een saneringskrediet verstrekt, onder meer voor het aflossen van de schuld aan het LBIO in verband met achterstallige kinder-bijdrage aan de vrouw. Vanuit dit krediet is aan de vrouw (via het LBIO) op 9 september 2025 een voorstel gedaan tot betaling van een verwacht bedrag van € 4.078,34 voor de achterstallige kinderbijdrage tot en met september 2025, en dat voor de resterende achterstand finale kwijting wordt verleend. De vrouw is met dit voorstel akkoord gegaan waarna aan de vrouw het bedrag van € 4.078,34 is voldaan ter betaling van de achterstallige kinderbijdrage. De schuldhulpverlening is beëindigd per 9 december 2025.
De rechtbank overweegt dat niet is weersproken dat de omstandigheden in de situatie van de man zijn gewijzigd. Vervolgens moet beoordeeld worden of die gewijzigde omstandigheden rechtens relevant zijn. De rechtbank zal daartoe de kinderbijdrage herberekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
De ingangsdatum
Tussen partijen staat vast dat tot en met 9 september 2025 de achterstallige kinderbijdrage is betaald via het saneringskrediet en dat voor het restant finale kwijting is verleend. Indien de rechtbank na de herberekening tot de conclusie komt dat de kinderbijdrage moet worden gewijzigd, zal de rechtbank de ingangsdatum van die gewijzigde kinderbijdrage bepalen op 9 september 2025. Onduidelijk is gebleven of de man na die datum nog wel of niet een paar betalingen heeft verricht aan de vrouw, nu partijen daarover een ander standpunt innemen, maar uitgangspunt is dat voor zover de vrouw over de periode tot en met de datum van deze beschikking in totaal meer heeft ontvangen dan door de man in totaal over die periode verschuldigd is door haarr niet aan de man terug hoeft te worden betaald.
De behoefte van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2]
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de minderjarigen in 2015
€ 1.100,- per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte € 1.482,- per maand en geïndexeerd naar 2026 bedraagt die behoefte € 1.550,- per maand.
Draagkrachtberekening
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht. Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de eventuele wijziging van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2025-2.
Inkomen en draagkracht man
Tussen partijen is in geschil van welk inkomen van de man moet worden uitgegaan. Tussen partijen is geen discussie over het feit dat de man in mei 2023 ziek is geworden, dat hij daarna een Ziektewetuitkering heeft ontvangen en dat hij vervolgens met ingang van 4 mei 2025 een WIA-uitkering heeft ontvangen. Ook hebben partijen geen discussie over het inkomen dat de man op grond van zijn WIA-uitkering in 2025 heeft ontvangen, te weten € 3.700 bruto per maand volgens zijn uitkeringsspecificatie van december 2025. Omgerekend naar een jaarinkomen (€ 3.700,- x 12 maanden) komt dit neer op een inkomen van € 44.400,- bruto per jaar.
In het arbeidsdeskundig rapport van 18 juni 2025 in het kader van de WIA-beoordeling is vastgesteld dat de man voor 52,59% is afgekeurd voor het maatgevende inkomen dat hij niet meer kan verdienen, en dat hij voor het restant een verdiencapaciteit heeft (het inkomen dat de man volgens de arbeidsdeskundige nog kan verdienen) van
€ 2.818,- per maand. De man heeft daarover toegelicht dat, ondanks dat hij voor het restant in staat geacht wordt werkzaamheden te verrichten, hij naast zijn WIA-uitkering, sinds september 2025 geen overige inkomsten heeft verworven, op sporadische inkomsten via website en gitaarlessen na. De man stelt dat hij voor het verwerven van de overige inkomsten een re-integratietraject zou volgen, maar dat hij door zijn ziekte en behandelingen daartoe niet in staat is. De vrouw weerspreekt die stelling gemotiveerd. De rechtbank overweegt hierover dat het op de weg van de man had gelegen om meer inzicht te geven in zijn ziekteverloop en waarom hij niet in staat is om te re-integreren en te zorgen voor het verwerven van zijn overige inkomsten, terwijl in het arbeidsdeskundig rapport staat dat de man wel in staat wordt geacht om voor het overige op andere wijze inkomen te verwerven. Daarover zijn geen stukken ingediend. In het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw heeft de man onvoldoende onderbouwd en aangetoond dat hij niet in staat is om naast zijn WIA voor het overige percentage inkomen te verwerven. De rechtbank verwerpt dan ook die stelling van de man en gaat ervan uit dat de man in staat wordt geacht om voor het overige op andere wijze inkomen te verwerven. De rechtbank volgt de verdiencapaciteit zoals in het arbeidsdeskundig rapport staat vermeld, zijnde
€ 20,47 per uur ofwel € 2.818,- per maand. Omdat een uurloon doorgaans bruto wordt weergegeven, gaat de rechtbank hier dan ook vanuit.
Op grond van het bovenstaande gaat de rechtbank voor het berekenen van het NBI van de man uit van zijn WIA-inkomen van € 44.400,- bruto per jaar, te vermeerderen met de restverdiepcapaciteit zoals is beoordeeld in het arbeidsdeskundig rapport, zijnde € 2.818,- bruto per maand. Omgerekend naar een jaarinkomen (€ 2.818,- x 12 maanden) komt dit neer op een inkomen van € 33.816,- bruto per jaar.
Beide inkomensbronnen komen totaal neer op (€ 44.400,- + € 33.816,- =) € 78.216,- bruto per jaar. Rekening houdend met 8% bruto vakantiegeld, bedraagt het totale inkomen
€ 84.473,- bruto per jaar.
De vrouw stelt dat bij het inkomen van de man ook nog rekening moet worden gehouden met ‘zwarte inkomsten’ die de man ontvangt vanuit zijn YouTube-kanaal, gitaarlessen en advertenties op Marktplaats voor reparaties en verkoop van gitaren en onderdelen. De vrouw heeft die inkomsten op een bedrag van € 60.480,- berekend, maar de man heeft gemotiveerd betwist dat hier sprake van is, zoals ook uit de door hem overgelegde stukken blijkt en uit zijn toelichting daarbij aannemelijk voorkomt. De rechtbank overweegt hierover dat de man weliswaar die zeer beperkte inkomsten had, maar dat was in een periode waarin hij geen werkzaamheden verrichtte. De inkomsten uit de website zijn door de man inzichtelijk gemaakt en zijn per maand verwaarloosbaar. Daarnaast rekent de rechtbank nu met een fictief loon in het kader van de restverdiencapaciteit, waarmee aangesloten wordt over de werkweek zoals de man die vroeger ook had. De beperkte inkomsten zullen daarom niet mee worden genomen.
De rechtbank merkt over de stelling van de vrouw op dit punt nog het volgende op. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar standpunt over de inkomsten van de man uit zijn website en gitaarles twee uitgebreide stukken ingebracht. Daarbij is niets vermeld over de totstandkoming van die stukken. Pas tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw desgevraagd verklaard dat dit door een AI-tool gegenereerde informatie is. Op geen enkele wijze is duidelijk op basis van welke prompts deze informatie verstrekt is, in hoeverre de daarin vermelde cijfers gebaseerd zijn op vaststaande feiten en welke verifieerbare bronnen zijn geraadpleegd. Gelet hierop kan de door de AI-tool gegeven informatie niet op waarde worden geschat, nog daargelaten dat het op de weg van de (advocaat van de) vrouw had gelegen om de wijze van de totstandkoming van de onderbouwing voorafgaand aan de mondelinge behandeling kenbaar te maken.
Gelet op het voorgaande bepaalt de rechtbank (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man op € 4.378,- per maand.
Daarbij is rekening gehouden met de algemene heffingskorting en de fictieve arbeidskorting behorende bij het fictieve inkomen in het kader van de restverdiencapaciteit.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,- wordt zijn draagkracht in beginsel vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)].
De rechtbank houdt ook rekening met de door de man gestelde lasten van de aflossing ten behoeve van het saneringskrediet van € 457,- per maand en een bijdrage aan de bewindvoerder van € 176,- per maand, totaal € 633,- per maand. Deze lasten zijn naar het oordeel van de rechtbank niet verwijtbaar en niet vermijdbaar en zijn en door de vrouw niet weersproken.
De rechtbank zal daarom rekening houden met deze betalingsverplichtingen in die zin dat in de formule het draagkrachtloos inkomen wordt verhoogd met voornoemd totaalbedrag.
De draagkracht van de man bedraagt dus 70% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.310 + € 633] =
€ 1.007,- per maand.
Inkomen en draagkracht vrouw
De rechtbank gaat voor het NBI van de vrouw uit van het inkomen zoals vermeld op haar aangifte Inkomstenbelasting over 2025, te weten een inkomen uit loondienst van
€ 65.975,- per jaar en een inkomen uit loondienst van € 8.868,- per jaar, totaal € 74.843,-. Met de uitkering van € 19.500,-. die op voormelde aangifte staat, houdt de rechtbank geen rekening omdat dit een eenmalige uitkering was en geen structureel inkomen is.
Gelet op het voorgaande bepaalt de rechtbank (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het NBI van de vrouw op € 4.561,- per maand.
Als heffingskortingen zijn in aanmerking genomen de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.
Verder is rekening gehouden met het kindgebonden budget van € 3.648,- per jaar, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft. In de berekening is uitgegaan van de situatie per ingangsdatum waarin de vrouw drie kinderen heeft en een gezin vormt met haar partner, de vader van [voornaam minderjarige 3].
De vrouw stelt tijdens de mondelinge behandeling dat zij recent heeft vernomen dat haar arbeidscontract niet wordt verlengd. De man weerspreekt die stelling van de vrouw.
Voorzover de vrouw stelt dat sprake is van nieuwe gewijzigde omstandigheden heeft zij die in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man niet onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,- wordt haar draagkracht vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3xNBI +1.310)] en bedraagt
€ 1.318- per maand.
Draagkrachtvergelijking
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen (€ 1.007,- + € 1.318,- = € 2.325,-) hoger is dan de behoefte van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] (totaal € 1.482,-) moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 1.007,- / € 2.325,- x € 1.482,- = € 641,88
het deel van de vrouw bedraagt: € 1.318,- / € 2.325,- x € 1.482,- = € 840,12 +
samen € 1.482,-.
Van de totale behoefte van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] komt dus een gedeelte van afgerond € 642.- per maand ofwel € 321,- per maand per kind voor rekening van de man, en een gedeelte van afgerond € 840,- per maand ofwel € 420,- per maand per kind voor rekening van de vrouw.
Samenloop van onderhoudsverplichtingen
Er is sprake van een samenloop van onderhoudsplichtigen. Partijen zijn onderhoudsplichtig voor [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2]. De vrouw is verder samen met haar huidige partner. De vrouw is daarnaast onderhoudsplichtig voor [voornaam minderjarige 3]. De rechtbank zal voor de verdeling van de kosten de ‘nieuwe methode’ bij samengestelde gezinnen toepassen, zoals tijdens de mondelinge behandeling besproken en aangekondigd. Daarbij wordt de zuivere draagkracht van de vrouw per gezin berekend, in plaats van haar afgeleide draagkracht op basis van de drie kinderen waarvoor zij onderhoudsplichtig is. Dit wordt ook wel de ‘verhoudingenmethode’ genoemd. Voor zover de vrouw een tekort heeft om in het totaal van de aandelen van de kinderen te kunnen voorzien, wordt dit in beginsel naar rato van dit tekort over de drie aandelen omgeslagen. Bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven tot een andere verdeling.
Behoefte van [voornaam minderjarige 3]
Tussen partijen is niet in geschil dat in 2025 de behoefte van [voornaam minderjarige 3] € 615,- per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 643,- per maand.
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van [voornaam minderjarige 3] tussen de vrouw en haar nieuwe partner moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht. Hiertoe moet eerst het huidige NBI van de nieuwe partner vastgesteld worden.
Inkomen en draagkracht nieuwe partner van de vrouw
Tussen partijen is niet in geschil dat voor het inkomen van de partner van de vrouw kan worden uitgegaan van een salaris van € 2.265,- bruto per maand. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de partner van de vrouw op € 2.154,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):
- basisloon € 2.265,-
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
- pensioenpremie € 61,-
- LB/premie volksverzekering € 97,-
- premie WGA-WHK € 11,-
Als heffingskortingen zijn in aanmerking genomen de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
De vrouw stelt dat rekening moet worden gehouden met de onderhoudsplicht die haar partner heeft voor zijn twee kinderen uit zijn eerdere relatie. De rechtbank houdt hiermee geen rekening omdat de vrouw haar stelling in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, niet heeft onderbouwd op welke wijze, hierover verder geen gegevens bekend zijn en zij dit ook pas tijdens de mondelinge behandeling heeft gesteld.
Omdat het NBI van de partner van de vrouw hoger is dan € 2.125,- wordt zijn draagkracht vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3xNBI +1.310)] en bedraagt € 199,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
Omdat de gezamenlijke draagkracht van de vrouw en haar nieuwe partner
(€ 1.318,- + € 199,- = € 1.517,-) hoger is dan de behoefte van [voornaam minderjarige 3] (€ 615,-) moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de vrouw bedraagt: € 1.318,- / € 1.517,- x € 615,- = € 534,32
het deel van de partner van de vrouw bedraagt: € 199,- / € 1.517,- x € 615,- = € 80,68 +
samen € 615,-.
Van de totale behoefte van [voornaam minderjarige 3] komt dus een gedeelte van afgerond € 534,- per maand voor rekening van de vrouw, en een gedeelte van afgerond € 81,- per maand voor rekening van de partner van de vrouw.
In totaal bedragen de aandelen die de vrouw dient te leveren in de kosten van enerzijds [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] (€ 840,-) en anderzijds van [voornaam minderjarige 3] (€ 534,-) € 1.374,- per maand.
De vrouw heeft echter maar een draagkracht van € 1.318,- per maand en dat is dus onvoldoende om in al haar onderhoudsverplichtingen te voorzien. In een dergelijk geval moet het beschikbare bedrag dan over de kinderen worden verdeeld, in beginsel gelijkelijk maar bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven tot een andere verdeling. Hier zal de rechtbank de draagkracht aldus verdelen dat ieder kind een gelijk percentage krijgt van wat de rechtbank hiervoor als aandeel heeft berekend. Op die manier wordt ook rekening gehouden met verschil in behoefte van de kinderen en met wat de vrouw voor haar kinderen kan bijdragen. De vrouw kan voor 95% aan haar onderhoudsverplichtingen voldoen:
1318 / 1374 x 100% = afgerond 95%.
Daarom stelt de rechtbank het uiteindelijke aandeel van de vrouw in de kosten van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] vast op € 798,- (95% van € 840,-). Er is dan dus een tekort van € 42,- per maand. In dat tekort kan de man voorzien. Zijn draagkracht is immers € 1.007,- en zijn aandeel bedraagt € 641,88. De rechtbank acht het in dit geval redelijk dat het tekort van € 42,- per maand opgeteld wordt bij het aandeel van de man omdat daarvoor ruimte is en zo volledig in de kosten van de minderjarigen kan worden voorzien. Het aandeel van de man wordt dan dus € 683,88, aldus afgerond € 342,- per maand per kind.
Conclusie
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 342,- per maand per kind in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Gelet op deze bijdrage en uitgaande van de geldende geïndexeerde kinderbijdrage van € 516,- per maand per kind, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van rechtens revelante wijziging van omstandigheden die met zich meebrengt dat de kinderbijdrage moet worden aangepast. Het verzoek van de man om de kinderbijdrage te wijzigen in nihil zal worden afgewezen, en de kinderbijdrage zal met ingang van 9 september 2025 worden gewijzigd naar € 342,- per maand per kind.
Omdat de gewijzigde onderhoudsbijdrage in 2025 wordt vastgesteld, zal de rechtbank bepalen dat de onderhoudsbijdrage per 1 januari 2026 en ieder jaar daarop volgend jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering.
Het deel van het verzoek dat de man tijdens de mondelinge behandeling heeft ingetrokken zal de rechtbank afwijzen.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4 De beslissing
De rechtbank:
wijzigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 1 februari 2016 en het daarin opgenomen ouderschapsplan van 14 december 2015, in die zin dat de tussen partijen overeengekomen door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van 9 september 2025 wordt bepaald op € 342,- per maand per kind;
bepaalt dat deze onderhoudsbijdrage per 1 januari 2026 en ieder daarop volgend jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW;
stelt het bedrag aan achterstallige kinderbijdrage tot 9 september 2025 vast op
€ 4.013,55 en bepaalt dat de man betreffende de achterstallige kinderbijdrage tot die datum voor het overige niets meer aan de vrouw is verschuldigd;
bepaalt dat voor zover de vrouw aan kinderbijdrage die betrekking heeft op de periode van 9 september 2025 tot en met de datum van deze beschikking in totaal meer heeft ontvangen dan door de man in totaal over deze periode verschuldigd is, dit teveel betaalde door haar niet aan de man terug hoeft te worden betaald.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beschikking is gegeven door mr. L. Berghuis-Knijff, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van S. Breeman, griffier, op 16 oktober 2026. |
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.