Uitspraak · Strafrecht
Rechtbank Rotterdam, 23 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14855Zaaknummer 10-123824-26, 10-083109-26 en 10-084548-26
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 23 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 10-123824-26, 10-083109-26 en 10-084548-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor opzetaanranding en een reeks van schennisplegingen tot een gevangenisstraf voor de duur van 241 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan.
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 1 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 2 t/m 6, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 241 dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 60 dagen gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte
opnemen voor de eerste afspraak;
2. de verdachte zich tijdens de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een FPA of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo snel mogelijk zodra een plek bij een FPA of soortgelijke zorginstelling beschikbaar is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, seksueel grensoverschrijdend gedrag, en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
3. de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een klinisch te indiceren instelling/behandelaar of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start aansluitend aan de klinische behandeling. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, seksueel grensoverschrijdend gedrag, en/of andere
problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
4. de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader te indiceren instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische behandeling. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
5. de verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
6. de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de bovengenoemde voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden voor de verdachte dat hij:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
beveelt dat de bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;
Vorderingen benadeelde partijen
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering voor feit 1;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering en begroot deze kosten op € 0;
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 2] voor feit 2 te betalen een bedrag van € 1.000,00 (zegge: duizend euro) als vergoeding van immateriële schade en de wettelijke rente hierover vanaf 24 april 2026 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] aan de staat € 1.000,00 (zegge: duizend euro) te betalen, en de wettelijke rente vanaf 24 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 10 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering voor feit 3;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering voor feit 4;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in de vordering voor feit 4;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0.
8 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P.C. Tuinenburg, voorzitter,
en mrs. L.J.M. Janssen en N. van Mourik, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R. van Puffelen, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 23 oktober 2026.
Mrs. P.C. Tuinenburg en N. van Mourik zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummers: 10-123824-26, 10-083109-26 en 10-084548-26
Datum uitspraak: 23 oktober 2026
Datum zitting: 9 oktober 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1990 (Sovjet-Unie),
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
gedetineerd in de [naam P.I.].
Advocaat van de verdachte: mr. A. Aïssal te Rotterdam.
Officier van justitie: mr. N. Aandewiel.
Benadeelde partij: [benadeelde 1].
Gemachtigde van de benadeelde partij: Van de Linden van Slachtofferhulp Nederland.
Benadeelde partij: [benadeelde 2].
Advocaat van de benadeelde partij: mr. M.S.L. Leeflang.
Benadeelde partij: [benadeelde 3].
Advocaat van de benadeelde partij: mr. A.C. Göçmen.
Benadeelde partij: [benadeelde 4].
Gemachtigde van de benadeelde partij: [persoon A].
Benadeelde partij: [benadeelde 5].
Gemachtigde van de benadeelde partij: [persoon A].
Kern van het vonnis
De verdachte heeft op de openbare weg een slachtoffer bij haar bil betast en heeft op drie verschillende locaties en dagen op de openbare weg gemasturbeerd. Daarnaast heeft de verdachte in de lift van een politiebureau in de directe nabijheid van twee vrouwelijke (zeden)rechercheurs over zijn penis gewreven. Deze strafbare feiten worden de verdachte in sterk verminderde mate toegerekend. De rechtbank legt de verdachte een gevangenisstraf op van 241 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. De rechtbank legt daarnaast de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden op en beveelt dat deze dadelijk uitvoerbaar zijn. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] wordt deels toegewezen en de overige vorderingen van de benadeelde partijen worden niet ontvankelijk verklaard.
1 Tenlastelegging
De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) houdt in dat:
1. parketnummer 10-123824-26)
hij op of omstreeks 24 april 2026 te Rotterdam met een persoon, te weten [slachtoffer 1] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het aanraken van (de met kleding bedekte borst) van die [slachtoffer 1], terwijl, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak;
2. ( parketnummer 10-123824-26)
hij op of omstreeks 24 april 2026 te Rotterdam met een persoon, te weten [slachtoffer 2], een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het onverhoeds aanraken van de (met kleding bedekte) bil(len) van die [slachtoffer 2], terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer 2] daartoe de wil ontbrak;
3. ( parketnummer 10-123824-26)
hij op of omstreeks 25 april 2026 te Rotterdam opzettelijk in het openbaar, te weten het park bij de West-Kruiskade, een of meer handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten
- het uit zijn, verdachtes, broek halen van zijn, verdachtes penis en/of
- het (vervolgens) met zijn, verdachtes, penis zwaaien en/of
- het (vervolgens) maken van trekkende bewegingen rondom zijn, verdachtes, penis, terwijl verdachtes tijdens voorgaande handelingen voorbijgangers aankeek;
4. ( parketnummer 10-123824-26)
hij op of omstreeks 27 april 2026 te Rotterdam opzettelijk op een niet openbare plaats, te weten de lift in het Politiebureau gevestigd aan het Doelwater, terwijl een of meer personen, te weten [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], daarbij zijns/des ondanks tegenwoordig waren, een of meer handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten het aanraken van en wrijven over zijn, verdachtes (met kleding bedekte) penis en (vervolgens) tonen van zijn, verdachtes, (deels) ontblote penis;
5. ( parketnummer 10-083109-26)
hij op of omstreeks 19 maart 2026 te Rotterdam, opzettelijk in het openbaar, te weten ter hoogte van [adres 1], een of meer handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten door met zijn hand meermalen op- en neerwaartse bewegingen te maken in zijn broek en/of zijn handen in zijn broek te houden;
6. ( parketnummer 10-084548-26)
hij op of omstreeks 21 maart 2026 te Rotterdam, opzettelijk in het openbaar, te weten ter hoogte van de openbare fietsenstalling bij het Centraal Station, een of meer handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten door met zijn hand meermalen op- en neerwaartse bewegingen te maken in zijn broek en/of zijn handen in zijn broek te houden.
2 Bewijs/Vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de onder 1 en 4 tot en met 6 ten laste gelegde feiten en heeft zich ten aanzien van de feiten 2 en 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 1
De aangeefster [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) verklaarde dat op 24 april 2026 tussen 10:25 uur en 10:30 uur een onbekende man haar borst had aangeraakt en omschreef hem als ongeveer 1,80 meter lang, met blond haar, met de kleur van de zon in zijn gezicht, die een lichte bruin/grijze broek van joggingstof met een streepje aan de zijkant droeg. Die man lag later op de dag voor de Paulus Kerk waarvan zij foto’s maakte.
De verdachte heeft de aanranding van [slachtoffer 1] ontkend.
Het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat het de verdachte is geweest die aangeefster bij haar borst heeft aangeraakt. De rechtbank is van oordeel dat de stills van de camerabeelden en de foto’s in het dossier onvoldoende onderscheidend en specifiek zijn om de verdachte hier met voldoende zekerheid op te kunnen herkennen als degene die [slachtoffer 1] heeft aangerand. Ook de verbalisant die deze beelden heeft bekeken is niet tot een herkenning van de verdachte gekomen, maar heeft slechts vastgesteld dat er - niet nader omschreven - overeenkomsten zijn tussen de aangehouden verdachte en de persoon die op de beelden te zien is. Ook de camerabeelden van de aanranding van de aangeefster [slachtoffer 2] (feit 2) van 15 minuten eerder die dag voor de Paulus Kerk - welk feit de verdachte heeft bekend - zijn - anders dan de officier van justitie meent - onvoldoende sluitend als steunbewijs hiervoor. Dit betekent dat de rechtbank de verdachte wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs zal vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte:
2. ( parketnummer 10/123824-26):
hij op 24 april 2026 te Rotterdam met een persoon, te weten [slachtoffer 2], een seksuele handeling heeft verricht, te weten het onverhoeds aanraken van de (met kleding bedekte) bil van die [slachtoffer 2], terwijl hij, wist dat bij die [slachtoffer 2] daartoe de wil ontbrak;
3. ( parketnummer 10/123824-26):
hij op 25 april 2026 te Rotterdam opzettelijk in het openbaar, te weten het park bij de West-Kruiskade, handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten
- het uit zijn broek halen van zijn penis en
- het (vervolgens) met zijn penis zwaaien en
- het (vervolgens) maken van trekkende bewegingen rondom zijn penis, terwijl verdachte tijdens voorgaande handelingen voorbijgangers aankeek;
4. ( parketnummer 10/123824-26):
hij op 27 april 2026 te Rotterdam opzettelijk op een niet openbare plaats, te weten de lift in het Politiebureau gevestigd aan het Doelwater, terwijl meer personen, te weten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], daarbij zijns ondanks tegenwoordig waren, handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten het aanraken van en wrijven over zijn, (met kleding bedekte) penis en tonen van zijn, (deels) ontblote penis;
5. ( parketnummer 10/083109-26):
hij op 19 maart 2026 te Rotterdam, opzettelijk in het openbaar, te weten ter hoogte van [adres 1], een of meer handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten door met zijn hand meermalen op- en neerwaartse bewegingen te maken in zijn broek en zijn handen in zijn broek te houden;
6. ( parketnummer 10/084548-26):
hij op of omstreeks 21 maart 2026 te Rotterdam, opzettelijk in het openbaar, te weten ter hoogte van de openbare fietsenstalling bij het Centraal Station, een of meer handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten door met zijn hand meermalen op- en neerwaartse bewegingen te maken in zijn broek en zijn handen in zijn broek te houden.
De bewezenverklaring van de feiten 2 en 3 is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft deze feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom wordt ten aanzien van deze feiten volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:
1.
De bekennende verklaring van de verdachte [_7faf3431-c803-48cd-bdcb-1be1353493b1]
2.
Het proces-verbaal van de politie, de verklaring van de aangeefster [slachtoffer 2] [_a52599c1-d471-4011-acf8-cb0e3fc214a2]
3.
Het proces-verbaal van de politie, de verklaring van de aangeefster [slachtoffer 5] [_fcafc874-a7da-41f4-b813-2188048c2386]
De bewezenverklaring van de feiten 4, 5 en 6 volgt uit de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen:
4.
Het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [slachtoffer 4] [_4a4dbafd-09bc-4034-8536-e71aaa11fed8]
Op 27 april 2026 ging ik samen met de politieambtenaar, [slachtoffer 3], verdachte [verdachte] horen aan het politiebureau Doelwater 5 te Rotterdam. [verdachte] werd bij de arrestantenzorg gehaald en werd naar de lift gebracht. Wij stapten de lift in. Ik stond in de lift schuin tegenover [verdachte]. In de lift zag ik dat [verdachte] een stijve piemel had. Ik zag de vorm van zijn stijve piemel duidelijk in de scheurbroek die hij droeg. Ik zag dat zijn piemel lang en stijf was. Ik zag dat hij zijn scheurbroek een stuk naar beneden trok. Hierdoor trok hij ook zijn boxershort naar beneden. Ik zag dat hij zijn trui gebruikte om over zijn stijve piemel te kunnen wrijven. [verdachte] had een trui met steekzakken aan, waarin hij zijn handen deed. Ik zag dat hij met zijn handen in de zakken van zijn trui, zijn trui naar beneden trok, dat hij daardoor met zijn trui over zijn piemel wreef en dat hij indringend naar mij keek en dan weer naar zijn piemel.
5.
Proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [slachtoffer 3] [_22095f9a-b3a2-4e3b-bfdf-ce3bce687641]
Op 27 april 2026 was ik samen met de politieambtenaar [slachtoffer 4] in de cellengang van het politiebureau Doelwater in Rotterdam. Wij haalden de verdachte [verdachte] op voor verhoor en gingen met [verdachte] de lift in. Ik zag op enig moment dat [verdachte] met zijn handen ter hoogte van zijn kruis zat. Ik zag dat hij met zijn hand aan zijn broek zat. Ik zag duidelijk dat er door de scheurbroek van [verdachte] een stijve grote bobbel goed zichtbaar was. Dat moet het geslachtsdeel van [verdachte] zijn geweest. Op enig moment zag ik een stukje van de blote penis van [verdachte] toen ik hem bezig zag met zijn handen bij zijn broek. Dat was op een moment dat [verdachte] zijn broek vast had en de voorkant van de broek naar voren trok. Ik zag, terwijl [verdachte] met zijn handen bij zijn broek zat, dat hij zowel mij als politieambtenaar [slachtoffer 4] aankeek.
6.
Proces-verbaal van de politie, de verklaring van de aangeefster [slachtoffer 6] [_870d4ecb-882c-468c-866e-a15d492247db]
Op 19 maart 2026 omstreeks 09:35 uur zag ik dat er een man op het bankje zat op de openbare weg voor ons huis, ter hoogte van de [adres 1] te Rotterdam. Hij zag er als volgt uit: man, blank, Oost-Europees uiterlijk, rond de 30 jaar oud, vintage zwarte jas en zwarte broek. Ik keek samen met mijn huisgenoten vanuit het raam. Ik zag dat de man een hand in zijn broek deed en dat hij rukkende bewegingen maakte. Hij deed dit vol in het zicht.
7.
Proces-verbaal van de politie, de verklaring van de aangeefster [slachtoffer 7] [_08e084a0-24b4-4164-80c6-cd41ff17c055]
Op 19 maart 2026 omstreeks 09:30 uur zag ik samen met twee andere huisgenoten een man voor onze deur op het bankje zitten. Het bankje staat op de openbare weg ter hoogte van de [adres 1] te Rotterdam. Dit konden we zien omdat er zich ter hoogte van dat bankje een raam bevond. Ik zag dat de man was gaan staan met zijn rug gericht naar het raam. Ik zag dat de man met zijn rechterarm bewegingen maakte. Ik zag dat de beweging een op- en neerwaartse beweging was. Ik weet zeker dat de man zichzelf aftrok en zichzelf dus aan het bevredigen was. Ik zag dat de man zich had omgedraaid met zijn gezicht in de richting van ons raam. Ik zag dat de man één van zijn handen in zijn broek hield. Ik zag door de broek van de man heen dat de man een erectie had. Dat kon ik duidelijk zien. Ik kan de man als volgt omschrijven: man, blanke huidskleur, zwarte pet, zwarte jas, driekwart broek in de kleur grijsbruin en bruine schoenen.
8.
Proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [_15fe2708-251f-4d27-955b-087f677f6ceb]
Op 19 maart 2026, omstreeks 09:55 uur kwamen wij, verbalisanten, aan op de Sionstraat in Rotterdam omdat wij een melding kregen dat daar een persoon zichzelf voor een studentenhuis zou bevredigen. De meldster omschreef deze persoon als volgt: man, blanke huidskleur, zwarte jas en pet. Ter plaatse zagen wij dat er een manspersoon voor de deur zat op een bankje. Wij zagen dat deze man voldeed aan het signalement uit de melding en hielden de man staande. Ik vorderde een geldig legitimatiebewijs en zag dat deze persoon bleek te zijn: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1990, in [geboorteplaats] (Oekraïne). Wij hoorden dat [verdachte] door de meldster herkend werd als zijnde de schennispleger.
9.
Proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [_9c2ee638-7c99-4145-9e77-59327ed4f16d]
Wij, verbalisanten, waren op 21 maart 2026 op het Stationsplein te Rotterdam en zagen een collega in gesprek gaan met een verwarde man. Ik, verbalisant [naam verbalisant], sprak de man aan. Deze man bleek genaamd te zijn: [verdachte], geboren [geboortedatum] -1990 (hierna [verdachte] ).
Wij zagen dat [verdachte] richting de naast gelegen fietsenstalling liep en dat hij in de fietsenstalling ging staan. Deze fietsenstalling betreft een openbare fietsenstalling aan de achterzijde van het Centraal Station te Rotterdam. Dit heeft een zeer publiekelijk karakter, en mensen lopen hier iedere seconde in en uit. Dit was nu ook het geval. Wij zagen dat [verdachte] ineens zijn hand in zijn broek stak ter hoogte van zijn kruis. Wij zagen dat [verdachte] zijn penis vastpakte met zijn linkerhand en zichzelf masturbeerde. Wij zagen namelijk dat de broek op en neer bolde ter hoogte van zijn kruis. Wij zagen dat hij dit met een snelle frequentie deed en er meerdere personen langs hem heen liepen terwijl hij dit deed.
3 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 2:
opzetaanranding;
Feit 3:
opzettelijk in het openbaar handelingen die aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid verrichten;
Feit 4:
opzettelijk op een niet-openbare plaats, terwijl een ander daarbij zijns ondanks tegenwoordig is, handelingen die aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid verrichten;
Feit 5:
opzettelijk in het openbaar handelingen die aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid verrichten;
Feit 6:
opzettelijk in het openbaar handelingen die aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid verrichten.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten zijn strafbaar.
Gelet op het rapport van psychiater [persoon B], psychiater, van 21 juli 2026, zoals verder besproken onder hoofdstuk 4 van dit vonnis, rekent de rechtbank de verdachte de bewezenverklaarde feiten in sterk verminderde mate toe. Omdat verder geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de verdachte volledig uitsluiten, is de verdachte strafbaar.
4 Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast moeten de bijzondere voorwaarden worden opgelegd, zoals door de reclassering geadviseerd is. Tevens wordt de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd.
Standpunt van de verdediging
In geval van een veroordeling heeft de verdediging verzocht om een gevangenisstraf op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest en om aan een voorwaardelijk deel de door de reclassering geadviseerde voorwaarden te verbinden.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft op straat de bil van een vrijwilligster van de Paulus Kerk betast. Hij heeft hiermee haar recht op lichamelijke integriteit ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen seksuele behoeften, zonder rekening te houden met de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. Uit de namens het slachtoffer overgelegde stukken blijkt dat dit nog invloed heeft op haar dagelijks leven.
Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan schennis van de eerbaarheid door in het openbaar op een bankje te masturberen voor het raam van een studentenhuis. Hij heeft ook gemasturbeerd in een fietsenstalling van het Centraal Station Rotterdam waar publiek aanwezig was. Verder heeft de verdachte in een wijkpark eerst zijn geslachtsdeel getoond aan voorbijgangers en hij heeft daarna achter een muurtje gemasturbeerd. Tot slot heeft de verdachte in de lift van een politiebureau in tegenwoordigheid van twee vrouwelijke (zeden)rechercheurs over zijn penis gewreven. Dergelijk gedrag is aanstootgevend en kan gevoelens van ongemak, onveiligheid en schrik teweegbrengen bij slachtoffers. Daarnaast wordt het bovengenoemde aanstootgevende gedrag als onfatsoenlijk aangemerkt en het is in strijd met de publieke moraal.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 21 september 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld.
Rapport van de deskundige
In het rapport van de psychiater van 21 juli 2026 staat samengevat (onder meer) het volgende:
De verdachte lijdt aan psychische stoornissen in de vorm van een manische episode van een bipolaire stemmingsstoornis en aan een stoornis in het gebruik van cannabis. Dit was ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten het geval en beïnvloedde zijn gedragskeuzes. De feiten worden als grotendeels voortgekomen uit ontremming en impulscontroleverlies als gevolg van een manische episode van een bipolaire stemmingsstoornis beschouwd. De verdachte heeft waarschijnlijk wel enig inzicht gehad in het laakbare en strafbare van de hem ten laste gelegde feiten, maar hij was door de manische ontremming nauwelijks in staat naar dat inzicht te handelen en zich van die feiten te onthouden. Geadviseerd wordt daarom onderzochte de hem thans ten laste gelegde feiten bij bewezenverklaring in een sterk verminderde mate toe te rekenen.
Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. Door de matig ernstige manische episode en het gebrek aan ziekte-inzicht kan zonder een adequate psychiatrische behandeling van de persoonlijkheid van de verdachte vooralsnog van zijn functioneren geen bescherming van betekenis uitgaan. Hierbij kunnen ongunstige omstandigheden, zoals dakloosheid, werkloosheid en het ontbreken van persoonlijke steun in aanmerking worden genomen.
Gelet op deze factoren en condities is een klinische psychiatrische behandeling van de manische episode van de verdachte in een gesloten setting aangewezen, met ambulante nazorg onder toezicht, in een forensisch kader.
De psychiater adviseert de verdachte op te nemen in een Forensisch Psychiatrische Afdeling (hierna FPA) of Forensisch Psychiatrische Kliniek (hierna FPK) voor de behandeling van zijn bipolaire stemmingsstoornis, met ambulante nazorg door een forensische polikliniek of forensisch FACT onder toezicht van de reclassering, in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel.
Rapport van de reclassering
In het reclasseringsadvies van Fivoor van 4 augustus 2026 en 11 september 2026 staat onder meer samengevat het volgende:
Het risico op recidive wordt als hoog ingeschat. Het delictgedrag houdt verband met mogelijk met elkaar verweven psychische en verslavingsproblemen. Een gebrek aan ziekte-inzicht maakt dat problemen vooral op maatschappelijk, praktisch gebied worden ervaren. Hierdoor is een meer intrinsieke motivatie nog gering voor het geadviseerde, klinisch te starten en een mogelijk langer durende behandelingstraject. Dit kan de kans op een succesvol verloop van de behandeling verminderen, terwijl dit nodig is om het risico op recidive te beperken.
Bij de verdachte prevaleert de behoefte aan praktische hulp boven de behandeling van een psychiatrisch ziektebeeld, waardoor het voor hem moeilijk kan zijn een mogelijk langer durende behandeling vol te houden. Wel toont hij gevoeligheid voor justitiële druk. Hij zegt zich te willen houden aan voorwaarden die de rechter hem oplegt, om de gevangenis te kunnen verlaten.
De reclassering ziet mogelijkheden voor een beperking van de risico’s indien de verdachte aansluitend aan detentie in een forensisch-klinische behandeling wordt geplaatst, zoals in het kader van bijzondere voorwaarden. Uit nader onderzoek met onder andere de gemeente Rotterdam is gebleken dat dit klinisch-forensisch zorgtraject uitvoerbaar is. De reclassering adviseert bij een deels voorwaardelijke straf de in haar rapport opgenomen bijzondere voorwaarden op te leggen en de dadelijke uitvoerbaarheid hiervan. De verdachte heeft zich op de zitting bereid verklaard tot medewerking aan deze voorwaarden.
De rechtbank onderschrijft de conclusies van de bovengenoemde gedragsdeskundige en de reclassering en neemt deze over.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.
Daarom wordt een gevangenisstraf van 241 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar opgelegd. De rechtbank verbindt aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. De verdachte moet zich houden aan de onderstaande bijzondere voorwaarden:
1. een meldplicht bij reclassering;
2. de opname in een zorginstelling;
3. het ondergaan van een ambulante behandeling;
4. het verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
5. het meewerken aan het aflossen van zijn schulden;
6. het beheersen van het middelengebruik.
Vanwege het hoge recidivegevaar en omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen, of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, verklaart de rechtbank de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar.
5 Vordering van de benadeelde partijen
Vordering [benadeelde 1]:
De benadeelde partij heeft voor feit 1 als vergoeding van immateriële schade een bedrag van € 1.000,00 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij moet primair worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak en moet subsidiair worden gematigd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering, omdat de verdachte van dit feit wordt vrijgesproken.
Proceskosten
De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
Vordering [benadeelde 2]:
De benadeelde partij heeft voor feit 2 als vergoeding van immateriële schade een bedrag van € 2.000,00 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 april 2026 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot het bedrag van
€ 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij heeft de gestelde psychische schade niet objectiveerbaar onderbouwd. Subsidiair moet het gevorderde bedrag worden gematigd.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Ingevolge artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde onder meer recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding bij aantasting in de persoon op andere wijze.
Aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval aan de orde indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, kunnen de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen. In zo’n geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in de persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dit is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Bij gebrek aan recente medische stukken kan de rechtbank niet vaststellen dat sprake is van objectiveerbaar geestelijk letsel.
Wel is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon wordt aangenomen. Daarbij neemt de rechtbank de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit, te weten opzetaanranding, alsmede de onderbouwing van de gevolgen daarvan in aanmerking. De benadeelde partij liep over straat en werd uit het niets door de verdachte bij haar bil gepakt. In de toelichting op het schadeformulier heeft de benadeelde partij gesteld dat zij na het incident paniekaanvallen heeft gekregen waarvoor zij medicatie gebruikt heeft. Zij durft ‘s avonds en ’s nachts niet meer naar huis te lopen, doet minder vrijwilligerswerk dan voorheen en haar gevoel van controle en vertrouwen in zichzelf is aangetast.
Daarmee is er een grond voor toekenning van een schadevergoeding. De rechtbank zal de schade naar billijkheid vaststellen op € 1.000,00. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 24 april 2026.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij deels wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 10 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Vordering [benadeelde 3]:
De benadeelde partij heeft voor feit 3 als vergoeding van immateriële schade een bedrag van € 5.000,00 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 25 april 2026, met vergoeding van de proceskosten van € 720,- en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft als gevolg van de indiening van de vordering zo kort voor de zitting de vordering niet kunnen beoordelen. Hij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat er slechts een verwijzing van de huisarts is en de vordering daarmee onvoldoende onderbouwd is. Daarnaast vormt de vordering een onredelijke belasting van het strafgeding omdat de feiten slechts in sterk verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
De vordering is gebaseerd op aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW.
De rechtbank kan uit de inhoud van de verwijzingsbrief van de huisarts naar de gespecialiseerde GGZ Jeugd voor diagnostiek en behandeling van trauma- en stressorgerelateerde klachten niet in voldoende mate vaststellen dat er objectiveerbaar geestelijk letsel is.
De rechtbank neemt zonder meer aan dat de benadeelde partij psychisch onbehagen en gevoelens van onveiligheid en kwetsbaarheid heeft ervaren.
Dit is echter niet zonder meer te beschouwen als een aantasting in de persoon op andere wijze. De rechtbank overweegt daartoe dat de aard en de ernst van de normschending - geconfronteerd worden met een onbekende man die zijn stijve penis in het openbaar toont aan haar en zich daarna achter een muurtje aftrekt zonder enige fysiek aanraking - in dit geval niet zodanig is, dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Dit betekent dat er geen wettelijke grondslag is voor toewijzing van de vordering tot immateriële schadevergoeding. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
Vordering [benadeelde 4]:
De benadeelde partij heeft voor feit 4 als vergoeding van immateriële schade een bedrag van € 375,00 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij moet worden gematigd, omdat van een rechercheur die werkzaam is op de zedenafdeling meer weerbaarheid en gehardheid mag worden verwacht.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
De vordering is gebaseerd op aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW.
De rechtbank neemt zonder meer aan dat bij de benadeelde partij sprake van psychisch onbehagen en gevoelens van onveiligheid is geweest. Daarmee is er nog geen aantasting in de persoon op andere wijze. De rechtbank overweegt dat de aard en de ernst van de normschending - geconfronteerd worden met de verdachte die in de lift van het politiebureau met zijn hand over zijn stijve penis wrijft zonder enige fysieke aanraking - in dit geval niet zodanig is, dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen.
Het vorenstaande betekent dat er geen wettelijke grondslag is voor toewijzing van de vordering tot immateriële schadevergoeding. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Proceskosten
De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
Vordering [benadeelde 5]:
De benadeelde partij heeft voor feit 4 als vergoeding van immateriële schade een bedrag van € 375,00 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij moet worden gematigd, omdat van een rechercheur die werkzaam is op de zedenafdeling meer weerbaarheid en gehardheid mag worden verwacht.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
De vordering is gebaseerd op aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW.
De rechtbank neemt zonder meer aan dat de benadeelde psychisch onbehagen en gevoelens van onveiligheid heeft ervaren en dat zij sindsdien erg op haar hoede is als zij weer met een verdachte in de lift van het politiebureau staat.
Daarmee is er nog geen aantasting in de persoon op andere wijze. De rechtbank overweegt dat de aard en de ernst van de normschending - geconfronteerd worden met de verdachte die in de lift van het politiebureau met zijn hand over zijn stijve penis wrijft zonder enige fysieke aanraking - in dit geval niet zodanig is, dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen.
Het vorenstaande betekent dat er geen wettelijke grondslag is voor toewijzing van de vordering tot immateriële schadevergoeding. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Proceskosten
De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
6 Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 241 en 254b van het Wetboek van Strafrecht.
7 Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 1 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 2 t/m 6, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 241 dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 60 dagen gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte
opnemen voor de eerste afspraak;
2. de verdachte zich tijdens de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een FPA of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo snel mogelijk zodra een plek bij een FPA of soortgelijke zorginstelling beschikbaar is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, seksueel grensoverschrijdend gedrag, en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
3. de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een klinisch te indiceren instelling/behandelaar of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start aansluitend aan de klinische behandeling. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, seksueel grensoverschrijdend gedrag, en/of andere
problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
4. de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader te indiceren instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische behandeling. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
5. de verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
6. de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de bovengenoemde voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden voor de verdachte dat hij:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
beveelt dat de bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;
Vorderingen benadeelde partijen
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering voor feit 1;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering en begroot deze kosten op € 0;
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 2] voor feit 2 te betalen een bedrag van € 1.000,00 (zegge: duizend euro) als vergoeding van immateriële schade en de wettelijke rente hierover vanaf 24 april 2026 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] aan de staat € 1.000,00 (zegge: duizend euro) te betalen, en de wettelijke rente vanaf 24 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 10 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering voor feit 3;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering voor feit 4;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in de vordering voor feit 4;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0.
8 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P.C. Tuinenburg, voorzitter,
en mrs. L.J.M. Janssen en N. van Mourik, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R. van Puffelen, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 23 oktober 2026.
Mrs. P.C. Tuinenburg en N. van Mourik zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Voetnoten
- Verklaard tijdens de terechtzitting van 9 oktober 2026.
- Pagina’s 4 t/m 8 in het zaaksdossier Blauw: proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 1], als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van de politie met proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 2].
- Pagina’s 12 t/m 14 in het zaaksdossier Rood: proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 3], als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van de politie met proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 4].
- Pagina’s 3 t/m 4 in het zaaksdossier Oranje: procesverbaalnummer [nummer proces-verbaal 5], als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van de politie met proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 6].
- Pagina’s 5 t/m 7 in het zaaksdossier Oranje: documentcode [code document], als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van de politie met proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 7].
- Pagina’s 5 t/m 6 van het proces-verbaal [nummer proces-verbaal 8], als bijlage gevoegd in het proces-verbaal van de politie met proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 9].
- Pagina’s 7 t/m 8 van het proces-verbaal [nummer proces-verbaal 10], als bijlage gevoegd in het proces-verbaal van de politie met proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 9].
- Pagina’s 11 t/m 12 van het proces-verbaal [nummer proces-verbaal 11], als bijlage gevoegd in het proces-verbaal van de politie met proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 9].
- Pagina 5 t/m 6 van het proces-verbaal: [nummer proces-verbaal 12], als bijlage gevoegd in het proces-verbaal van de politie met proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 13].
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 6:106 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 36f Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 14a Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 14b Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 14c Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 57 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 241 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 254b Sr meer uitspraken over dit artikel
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.