Uitspraak · Strafrecht
Rechtbank Rotterdam, 8 juli 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14824Zaaknummer 10/164555-25
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 8 juli 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 10/164555-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor een poging tot zware mishandeling van een begeleider van de instelling waar de verdachte verbleef door die begeleider met een mes in het gezicht te steken. Gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek en de oplegging de maatregel van TBS met dwangverpleging van overheidswege. De verdachte heeft chronische psychische problematiek in de vorm van schizofrenie en een matig verstandelijke beperking. Het feit wordt hem in (sterk) verminderde mate toegerekend en alternatieve behandelkaders worden niet haalbaar en/of onvoldoende doelmatig geacht. De gevorderde vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht wordt niet opgelegd.
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf en maatregelen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van tien (10) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
tbs-maatregel
beveelt dat de verdachte voor het feit ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;
In beslag genomen voorwerpen
beveelt de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglist vermelde voorwerpen:
1: schoenen;
2: broek;
3: trui.
8 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P.C. Tuinenburg, voorzitter,
en mrs. C.G. van de Grampel en J.M.L. van Mulbregt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R. van Puffelen, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 8 juli 2026.
Bijlage I
Lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen met strafrechtelijk beslagtitel
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/164555-25
Datum uitspraak: 8 juli 2026
Datum zitting: 24 juni 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres:
[adres 1], [postcode] te [woonplaats],
gedetineerd in het PPC van de penitentiaire inrichting [naam P.I.], [locatie].
Advocaat van de verdachte: mr. H. de Boer
Officieren van justitie: mrs. X.C. van Balen en B.M.M. Zonneveld
Kern van het vonnis
De verdachte heeft een begeleider van de instelling waar hij verbleef met een mes in het gezicht gestoken en wordt veroordeeld voor poging tot zware mishandeling. De verdachte heeft chronische psychische problematiek in de vorm van schizofrenie en een matig verstandelijke beperking, op basis waarvan hem dit feit in (sterk) verminderde mate wordt toegerekend. Naast een gevangenisstraf van tien maanden legt de rechtbank hem een maatregel op tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging van overheidswege (hierna de tbs-maatregel); alternatieve behandelkaders worden niet haalbaar en/of onvoldoende doelmatig geacht. De door de officier van justitie gevorderde vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna gvm) wordt niet opgelegd.
1 Tenlastelegging
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
hij op of omstreeks 27 mei 2025 te Gorinchem, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer],
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- ( met kracht) (met gebalde vuisten) op/tegen de lip en/of het gezicht van die [slachtoffer], heeft geslagen/gestompt en/of
- met een mes in/op de lip en/of het gezicht van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 mei 2025 te Gorinchem, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld, door
- ( met kracht) (met gebalde vuisten) op/tegen de lip en/of het gezicht van die [slachtoffer] te slaan/stompen en/of
- met een mes in/op de lip en/of het gezicht van die [slachtoffer] te slaan en/of steken.
2 Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde feit; de subsidiair ten laste gelegde mishandeling kan wel worden bewezen. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer]. De bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en onderstaande bewijsoverweging.
1. Proces-verbaal van aangifte van [aangever] :[_8fd394e5-ae29-4d2b-b370-6c316a87631c]
Ik ben begeleider bij de zorginstelling [zorginstelling], gevestigd aan [adres 2] [plaats] (hierna [zorginstelling] ), waar [verdachte] woonachtig is.
Op 27 mei 2025 reden wij met een busje naar Gorinchem om afval te prikken. Ik was de bestuurder. Na het vuilprikken stapten wij in de bus. Ik reed richting [zorginstelling] en [verdachte] zat voorin in de bus.
Op een gegeven moment uit het niets bewoog [verdachte] naar voren en sloeg mij over een andere cliënt heen tegen mijn gezicht. Ik voelde dat ik geraakt werd ter hoogte van mijn lip. Ik voelde een pijnscheut boven mijn lip. Ik reed snel naar het tankstation. Toen ik de bus parkeerde, zag ik dat [verdachte] uit de bus sprong. Ik rende ook uit de bus achter hem aan. Ik voelde op dat moment bloed over mijn gezicht stromen. Ik zag dat [verdachte] de shop van het tankstation in rende. Ik zag dat [verdachte] een mes in zijn handen had. Ik herkende het mes dat [verdachte] bij zich had. Dit is een mes uit de besteklade van [zorginstelling]. Het mes heeft een zwart lemmet en is een iets groter mes dan een aardappelschilmesje.
2. Schriftelijk stuk, Medische Informatie/Forensisch Medische Letselrapportage FARR, over [slachtoffer] :[_9ad099cc-5b59-4bcc-9940-a8dd039f8c43]
Rotterdam, 08-08-2025:
S= vermelde gegevens, O= objectieve bevindingen, E= bijkomende gegevens,
P= geschatte genezingsduur.
S: Letselvertaling op basis van informatie van een bezoek aan de Spoedeisende Hulp van het Beatrixziekenhuis op 27-5-2025.
O: Huidverwonding van circa 12mm lang, door tot in de mond, geduid door de behandeld arts als steekverwonding, net boven de bovenlip links met rafeling van bovenkaak slijmvlies in de mond.
E: De verwonding werd gehecht met een drietal hechtingen. Betrokkene werd behandeld met antibiotica.
P: Bij een ongecompliceerd beloop wordt een genezingsduur verwacht van 2 weken met kans op littekenvorming.
3. Verklaring van de getuige [getuige]
Op 27 mei 2025 was ik werkzaam bij tankstation Esso, gevestigd aan [adres 3] te Gorinchem. Eerst kwam een jongen de shop binnen met als signalement: donker getint, kort, donker haar (beetje kalend), fors postuur en een zwarte trui met daarop opdruk [zorginstelling]. Ik hoorde dat de jongen tegen mij riep: “ik heb hem gestoken". Ik zag dat de jongen een mes vasthield. Ik zag dat dit mes een zwart handvat had en vrij lang was, in totaal zo'n 20 centimeter.
4. Verklaring van de verdachte ter zitting van 8 april 2026 [_cd3ba5c4-e785-4615-ad72-46369ee30948]
Ik heb een mes uit de keuken gepakt. Ik ben rechts voorin in het busje gaan zitten. Ik was heel boos. Ik had het mes eerst in mijn zak. Ik voelde mij later geïntimideerd. Ik wilde de aangever met dat mes wegduwen en raakte hem misschien. Ik weet niet meer in welke hand ik het mes vast heb gehad. Op het moment dat ik hem wegduwde had ik een mes in mijn hand. Op dat moment heb ik hem misschien op zijn lip geraakt.
Nadere bewijsmotivering
De rechtbank komt op grond van de bewijsmiddelen tot het oordeel dat de verdachte de aangever met kracht en op geringe afstand met een mes in het gezicht heeft gestoken. De forensisch arts heeft bij de aangever een steekverwonding vastgesteld boven de lip, die doorliep tot in de mond, met de kans op littekenvorming. Het gezicht/hoofd is een kwetsbaar deel van het lichaam. Het gericht met kracht steken met een mes in het gezicht levert naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op dat die persoon zwaar lichamelijk letsel oploopt, zoals weefsel- en/of zenuwschade en/of een blijvend litteken in het gezicht.
Het handelen van de verdachte wordt naar zijn uiterlijke verschijningsvorm aangemerkt als zodanig gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van de aangever, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg ook heeft aanvaard. Het opzet van de verdachte op dit gevolg is hiermee bewezen. Dat het letsel van de aangever uiteindelijk beperkt is gebleven, doet hier niet aan af. Gelet op het vorenstaande is de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op 27 mei 2025 te Gorinchem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer],
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- met kracht op het gezicht van die [slachtoffer] heeft geslagen en
- met een mes in de lip van die [slachtoffer] heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
poging tot zware mishandeling.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4 Straf en maatregel
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 408 dagen met aftrek van voorarrest. Daarnaast moet een tbs-maatregel met dwangverpleging en een gvm worden opgelegd. Uit de rapportages van de gedragsdeskundigen en de reclassering en de toelichting daarop blijkt dat een tbs-maatregel met dwangverpleging noodzakelijk is vanwege het hoge gevaar voor herhaling van geweldsdelicten. Voor zover de rechtbank, anders dan het Openbaar Ministerie, mogelijkheden zou zien voor het opleggen van een tbs-maatregel met voorwaarden, wordt verzocht om daarbij geen zorgmachtiging af te geven, omdat niet is voldaan aan de hiervoor gestelde criteria in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz).
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot een terbeschikkingstelling met dwangverpleging dient te worden afgewezen. In plaats daarvan wordt de rechtbank verzocht om een zorgmachtiging te verlenen met de verplichting tot het innemen van medicatie, in combinatie met een voorwaardelijk strafdeel, dan wel een terbeschikkingstelling met voorwaarden. In het kader van de te stellen voorwaarden kan de verdachte terugkeren naar [zorginstelling], dat hiertoe ook bereid is gebleken en waar hij gedurende langere tijd stabiel heeft gefunctioneerd. Als dit niet mogelijk is, kan hij worden geplaatst in een soortgelijke instelling met voldoende structuur en intensieve zorg. Het valt de verdachte niet te verwijten dat een eerder afgegeven rechterlijke machtiging niet is verlengd en dat hij in de periode daarna onder medische begeleiding zijn medicatie heeft afgebouwd. Een tbs-maatregel met bevel tot verpleging is niet noodzakelijk, niet doelmatig en niet proportioneel, en zal naar verwachting onnodig veel tijd kosten - mede gelet op de bestaande wachtlijsten voor opname in een tbs-kliniek.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een begeleider van [zorginstelling] in [plaats] door hem, terwijl hij een taxibus bestuurde, in aanwezigheid van enkele medebewoners met een mes in het gezicht te steken. De verdachte heeft daarmee letsel veroorzaakt aan het gezicht van de aangever en heeft een ernstige inbreuk gemaakt op zijn lichamelijke integriteit. Bovendien heeft hij daarmee de veiligheid in gevaar gebracht van andere inzittenden van het busje, voor wie het steekincident ook zeer beangstigend moet zijn geweest. Uit de slachtofferverklaring van de aangever ter zitting blijkt dat het feit grote impact heeft (gehad) op zijn leven en arbeidsomstandigheden.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 11 mei 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, onder meer voor geweldsfeiten.
Rapportage
Over de verdachte is op 21 oktober 2025 een zogeheten dubbelrapport uitgebracht door psychiater [psychiater] en GZ-psycholoog [psycholoog]. Naar aanleiding van vragen van de rechtbank hebben zij respectievelijk op 31 januari en 9 februari 2026 aanvullend gerapporteerd. Daarnaast is op 23 december 2025 een rapport uitgebracht door de reclassering van Fivoor (hierna: de reclassering).
Bij tussenvonnis van 22 april 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om de betrokken rapporteurs alsnog ter zitting te kunnen bevragen over eventuele mogelijkheden om de verdachte verder te behandelen in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden, en/of een zorgmachtiging, al dan niet in combinatie. De rechtbank heeft de officier van justitie daarbij verzocht om een voorbereidingsprocedure te starten ex artikel 2.3 van de Wet Forensische Zorg en om de reclassering opdracht te geven tot het opstellen van een maatregelrapport. De reclassering heeft op 16 juni 2026 een (tweede) rapport uitgebracht, ondertekend door [persoon A], werkzaam als reclasseringswerker bij Fivoor.
Op de zitting van 24 juni 2026 zijn de genoemde rapporteurs als deskundige door de rechtbank gehoord. Daarnaast heeft psychiater [persoon B], werkzaam als geneesheer-directeur bij Fivoor, telefonisch een toelichting gegeven op de door de officier van justitie overgelegde stukken naar aanleiding van het voorbereidend onderzoek naar de mogelijkheden voor een zorgmachtiging.
Toerekenbaarheid
De psychiater en de psycholoog concluderen op basis van hun onderzoeken dat de verdachte een matig verstandelijke beperking heeft en een psychotische stoornis, in de vorm van schizofrenie. In het verleden had de verdachte ook een drugsverslaving (cannabis en cocaïne), inmiddels langdurig in remissie in een gereguleerde omgeving.
De verstandelijke beperking leidt ertoe dat de verdachte beperkt is in het begrijpen van sociale situaties, het reguleren van impulsen en het overzien van de consequenties van zijn gedrag.
De psychotische kwetsbaarheid uit zich in achterdocht, een vervormde realiteitstoetsing en de neiging van de verdachte om gebeurtenissen persoonlijk te interpreteren. Hierdoor komt hij snel in conflict met bijvoorbeeld zorgverleners die hem aanspreken op bepaald gedrag of hem een grens stellen. Hoewel in de gesprekken met de verdachte het verband tussen zijn psychische problematiek en het tenlastegelegde niet volledig kon worden onderzocht, concluderen de rapporteurs dat hij ten tijde van het feit psychotisch ontregeld was en dat dit in combinatie met de verstandelijke beperking zijn vermogen tot oordeelsvorming, gedragsremming en realiteitstoetsing in aanzienlijke mate heeft beperkt. Geadviseerd wordt om het tenlastegelegde in (ten minste) verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De rechtbank stelt op basis van de besproken rapporten en de toelichting daarop ter zitting vast dat de verdachte ten tijde van het bewezen feit leed aan een psychische stoornis en een verstandelijke handicap, als gevolg waarvan hem dit feit slechts in (sterk) verminderde mate wordt toegerekend. Deze omstandigheid wordt in matigende zin betrokken bij de aan de verdachte op te leggen straf.
Recidiverisico en behandeladvies
Ten aanzien van het recidiverisico overwegen de rapporterend psychiater en psycholoog dat de verdachte structureel kwetsbaar is (psychotische stoornis, verstandelijke beperking, middelengebruik, lage frustratietolerantie) en dat het hem vrijwel ontbreekt aan interne beschermingsmechanismen. Hij is daardoor sterk afhankelijk van externe begeleiding en toezicht in een gedwongen kader, ondersteund door het gebruik van medicatie. Zonder langdurige behandeling in een hoog-gestructureerde context wordt het risico op herhaling van geweldsdelicten ingeschat als hoog.
Ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten is volgens de psychiater en de psycholoog een behandeling noodzakelijk, gericht op stabilisatie van de psychotische stoornis, het blijvend voorkomen van middelengebruik en het hanteren van de verstandelijke beperking. Daarnaast is een forensische delictgerelateerde behandeling noodzakelijk. Een klinische behandeling in een voldoende beveiligde forensisch-psychiatrische setting, zoals een forensisch-psychiatrische kliniek met LVB-expertise, is het meest passend. De deskundigen adviseren om deze behandeling te realiseren in het kader van een tbs-maatregel met dwangverpleging en achten alternatieve behandelkaders niet toereikend.
De reclassering onderschrijft de conclusies van de psychiater en de psycholoog en ziet geen mogelijkheden om het recidiverisico in het kader van een tbs met voorwaarden voldoende te beperken. Bij een dergelijke maatregel wordt een groot beroep gedaan op zelfredzaamheid en behandelmotivatie van de verdachte, maar die ontbreken bij hem. Het ziektebesef is namelijk slechts beperkt aanwezig en ziekte-inzicht ontbreekt. Het gebruik van medicatie blijft een discussiepunt, omdat de verdachte alleen medicatie wil innemen bij door hem ervaren spanningen. Ook de reclassering taxeert het gevaar voor herhaling van geweldsdelicten als hoog en adviseert een intensief en duurzaam behandelkader binnen een tbs-maatregel met dwangverpleging.
Ter zitting besproken alternatieve behandelopties
De rapporterend psychiater heeft ter zitting verklaard dat de verdachte naar zijn inschatting onvoldoende in staat zal zijn om in een voorwaardelijk kader de voorgeschreven medicatie duurzaam te blijven gebruiken en behandelafspraken na te komen. De verdachte moet gedurende een langere periode worden behandeld in een sterk gestructureerde forensische setting om het recidiverisico substantieel te verlagen. Zijn psychotische problematiek kan met medicatie enigszins worden gereguleerd, maar blijft op de achtergrond aanwezig en is medebepalend voor zijn gedrag. Een zorgmachtiging biedt onvoldoende mogelijkheden om de geschetste problemen te ondervangen, omdat deze vooral kortdurend gericht is op het bereiken van stabiliteit en in beginsel daarna eindigt.
[zorginstelling] is geen forensische setting en is op dit moment niet de juiste instelling om de verdachte verder te begeleiden. Weliswaar kan een groot deel van de benodigde zorg daar worden geboden, maar juist de delictgerelateerde behandeling die nodig is ter voorkoming van herhaling kan daar niet plaatsvinden. De psychiater handhaaft daarom zijn advies tot het opleggen van een tbs-maatregel met dwangverpleging, maar merkt daarbij op dat dit vooral nodig is om een duurzaam verplichtend kader te creëren en dat bij de behandeling niet zozeer het hoge beveiligingsniveau van een tbs-kliniek (FPC, niveau 4) noodzakelijk wordt geacht. De behandeling binnen het tbs-kader zou ook al gerealiseerd kunnen worden in een forensische kliniek met beveiligingsniveau 3 (FPK) of 2 (FPA).
De rapporterend psycholoog heeft zich ter zitting aangesloten bij de opmerkingen van haar mederapporteur, inclusief de conclusie dat de verdachte een langdurig forensisch kader nodig heeft met veel structuur om het duurzaam gebruik van medicatie en zijn therapietrouw op lange termijn te waarborgen. Een forensisch kader is noodzakelijk bij de verdere delictanalyse en voor het opstellen van een risicoplan, om signalen van spanning of psychische ontregeling tijdig te onderkennen, met een plan van aanpak om de verdachte te leren omgaan met zijn kwetsbaarheden. Dit vergt tijd en dient stapsgewijs te gebeuren. [zorginstelling] kan dit kader, zoals ook de psychiater opmerkte, niet bieden. Een zorgmachtiging heeft daarbij op dit moment geen toegevoegde waarde en kan het recidiverisico onvoldoende ondervangen.
De reclasseringswerkster heeft ter zitting verklaard dat zij een tbs-maatregel met voorwaarden voor de verdachte te zwaar acht en dat daarbij het risico bestaat dat hij wordt overvraagd en onnodig negatieve ervaringen opdoet doordat hij onvoldoende in staat zal zijn om de gestelde voorwaarden na te leven. De verdachte weet dat hij de medicatie langdurig moet blijven gebruiken, maar toonde zich hierover in een recent gesprek met de reclassering toch weer ambivalent. De reclassering schat in dat de behandeling binnen het kader van de dwangverpleging kan worden uitgevoerd in een FPK (beveiligingsniveau 3).
De geneesheer-directeur van Fivoor, telefonisch aanwezig bij de ondervraging door de rechtbank van de genoemde deskundigen, heeft ter zitting de conclusie onderschreven dat het verlenen van een zorgmachtiging op dit moment onvoldoende doelmatig is om de verdachte adequaat te behandelen. Er is complexe problematiek, waarbij de verdachte functioneert op een heel jong ontwikkelingsniveau. Een zorgmachtiging heeft tot doel slechts kortdurend en zo beperkt mogelijk zorg te verlenen om het ernstig nadeel dat voortvloeit uit de psychische stoornis af te wenden. Een zorgmachtiging is voor de verdachte niet het juiste middel om een duurzaam zorgkader te kunnen waarborgen. Daarmee wordt niet voldaan aan de criteria voor verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz.
Oplegging straf en maatregel
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit en ook gelet op het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf passend en noodzakelijk. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken eerder zijn opgelegd en met de LOVS- oriëntatiepunten. De rechtbank houdt daarnaast rekening met haar eerdere conclusie dat het bewezen feit slechts in (sterk) verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstaf voor de duur van tien maanden passend en geboden.
Hoewel de verdachte ten tijde van dit vonnis al langer in voorarrest verblijft dan de duur van de op te leggen gevangenisstraf, ziet de rechtbank in het licht van de hierna te bespreken tbs-maatregel geen termen om de voorlopige hechtenis op te heffen. Dit betekent dat de voorlopige hechtenis voortduurt totdat dit vonnis onherroepelijk is, dan wel tot eventueel nadere besluitvorming hierover door het gerechtshof in geval van hoger beroep.
Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege
De rechtbank stelt vast dat bij de verdachte tijdens het plegen van het strafbare feit een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, zoals hiervoor uiteengezet. Daarnaast is het feit een misdrijf waarop in de wet een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Gelet op de aard en ernst van het feit en het in de gedragskundige rapportage geschetste gevaar voor herhaling, eist de algemene veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld.
De rechtbank acht een terugkeer naar [zorginstelling], zoals bepleit door de verdediging, op dit moment niet verantwoord en acht ter beperking van het recidiverisico een klinische behandeling in een voldoende beveiligde forensisch-psychiatrische setting met LVB-expertise noodzakelijk. Een voorwaardelijk kader, al dan niet ondersteund door een zorgmachtiging, acht de rechtbank op dit moment ook nog niet haalbaar, gelet op de conclusies van de betrokken gedragsdeskundigen en hun toelichting daarbij ter zitting. Dit betekent dat de rechtbank bij de op te leggen tbs-maatregel een bevel zal geven tot verpleging van overheidswege.
De rechtbank merkt in dit verband op dat het kader van de dwangverpleging met name noodzakelijk wordt geacht om voor de verdachte een duurzaam behandelkader te creëren binnen een kliniek met forensische expertise, maar dat volgens de rapporterend deskundigen het hoge beveiligingsniveau van een tbs-kliniek daarbij op zich niet is vereist. De rechtbank gaat er, ook gelet op de lange wachtlijsten binnen het tbs-veld, vanuit dat deze omstandigheid bij de tenuitvoerlegging van de maatregel betrokken zal worden bij de indicatiestelling.
De rechtbank legt de maatregel van terbeschikkingstelling op voor poging tot zware mishandeling. Dat is een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom kan de terbeschikkingstelling langer duren dan vier jaar.
De door de officier van justitie gevorderde gvm-maatregel wordt niet opgelegd, aangezien de rechtbank hierin geen meerwaarde ziet in het geval van een ongemaximeerde tbs-maatregel.
5 In beslag genomen voorwerpen
Onder de verdachte zijn een paar schoenen, een broek en een trui in beslag genomen, waarover blijkens de beslaglijst in bijlage I bij dit vonnis nog geen beslissing is genomen.
De officier van justitie en de verdediging hebben hierover ter zitting geen standpunt ingenomen.
De rechtbank beslist tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte.
6 Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf en maatregelen zijn gebaseerd op de artikelen 37a, 37b, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
7 Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf en maatregelen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van tien (10) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
tbs-maatregel
beveelt dat de verdachte voor het feit ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;
In beslag genomen voorwerpen
beveelt de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglist vermelde voorwerpen:
1: schoenen;
2: broek;
3: trui.
8 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P.C. Tuinenburg, voorzitter,
en mrs. C.G. van de Grampel en J.M.L. van Mulbregt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R. van Puffelen, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 8 juli 2026.
Bijlage I
Lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen met strafrechtelijk beslagtitel
Voetnoten
- pagina’s 5 t/m 8 van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer]
- gevoegd bij het proces-verbaal [proces-verbaalnummer].
- proces-verbaal ter terechtzitting 8 april 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.