Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Rotterdam, 22 september 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:14737Zaaknummer C/10/723659 / KG ZA 26-781

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22 september 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
C/10/723659 / KG ZA 26-781
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Kort geding
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Excutiegeschil. Tenuitvoerlegging arbitraal vonnis. Gedaagde heeft aan vonnis voldaan. Geen dwangsommen verbeurd.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

gebiedt [gedaagde] om de executie van dwangsommen op basis van het arbitraal vonnis van 1 augustus 2024, voor zover gebaseerd op klacht 10 (hellingbaan), te staken en gestaakt te houden,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.229,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan.

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026. 1861/106

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 De vordering
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/723659 / KG ZA 26-781

Vonnis in kort geding van 22 september 2026

in de zaak van

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres],

advocaat: mr. M.R. Lim,

tegen

[gedaagde]

,

gevestigd te [vestigingsplaats 2],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 27 augustus 2026, met producties 1 tot en met 14;- de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door [gedaagde] toegezonden producties 1 tot en met 3;

- de mondelinge behandeling van 8 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de spreekaantekeningen van [eiseres] ;- de spreekaantekeningen van [gedaagde].

2 De feiten

2.1.

[eiseres] heeft appartementencomplexen gebouwd in [vestigingsplaats 2]. [eiseres] heeft met individuele kopers (hierna: de appartementseigenaren). aannemingsovereenkomsten gesloten voor de realisatie van de appartementen inclusief gemeenschappelijke delen in deze appartementencomplexen. Op deze aannemingsovereenkomsten zijn de algemene voorwaarden en de garantie- en waarborgregeling van Woningborg van toepassing. Hierin is bepaald dat geschillen worden voorgelegd aan de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen (RvA).

2.2.

In [gedaagde] (en een aantal andere verenigingen van eigenaren waaronder “VVE 4 Loftwoningen”) zijn de appartementseigenaren (van rechtswege) verenigd.

2.3.

In januari 2023 heeft (onder meer) [gedaagde] namens de appartementseigenaren om arbitrage door de RvA verzocht. Volgens [gedaagde] was [eiseres] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de met de individuele eigenaren gesloten aannemingsovereenkomsten. Dat tekortschieten was gelegen in volgens [gedaagde] 22 aan het gebouwde klevende gebreken. Een van deze gebreken was (zo volgt uit het hierna te bespreken arbitrale vonnis van 1 augustus 2024):

“10) de hellingsbaan van de garage [is] gebrekkig”.

2.4.

Het arbitrale vonnis van 1 augustus 2024 (hierna: het arbitrale vonnis) luidt ten aanzien van de hiervoor bedoelde hellingbaan van de garage, voor zover van belang, als volgt:

“de beoordeling van het geschil

(…)

inhoudelijk (…)

10) hellingbaan garage

94. De VvE’s stellen dat de hellingbaan van de garage gebrekkig is. Er is sprake van extreme slijtage van de hellingbaan, roestvorming in het geprepareerde deel van de verwarmingsbuis en blootliggende delen van de verwarmingselementen in de hellingbaan, aldus de VvE’s. Ook twijfelen de VvE’s aan de werking van de verwarmingselementen gezien de hoge energierekening van de garage. Bij - 1°C werkt de vloerverwarming niet en bij + 5°C wel, aldus de VvE’s.

95. De vordering luidt: “De VvE’s vorderen, namens verkrijgers, dat [onderneemster] zal worden veroordeeld om binnen 20 werkbare dagen na de betekening van het in deze te wijzen vonnis aan hen

Primair over te gaan tot herstel van de hellingbaan, conform contractstukken en verkoopdocumentatie. Een hellingbaan die voldoet aan de eisen van goed en deugdelijk werk volgens de Garantie- en Waarborgregelingen van Woningborg en het bouwbesluit, zodat verkrijgers onder alle weersomstandigheden veilig gebruik kunnen maken van de hellingbaan, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag of het gedeelte van een dag dat zij met de voldoening van deze veroordeling in gebreke zal zijn. Dit kan door diktemeting van het beton op de bewapening en het aanbrengen van een betere toplaag.

Subsidiair wanneer primair herstel niet mogelijk blijkt, eisen de VvE’s een schadevergoeding van

€ 40.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als de betaling niet is gedaan binnen 7 dagen na de datum van het in deze te wijzen vonnis.”

96. Onderneemster ( [eiseres]; toevoeging voorzieningenrechter) betwist dat sprake is van een aan haar toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomsten/van een gebrek.

97. Tijdens de bezichtiging van het werk heeft arbiter plaatselijk leidingen van de vloerverwarming of wapening gezien. Daar is de dekking onvoldoende. Dit moet worden hersteld en arbiter zal onderneemster daartoe veroordelen.

98. De VvE’s twijfelen over het functioneren van de vloerverwarming in de hellingbaan. Dit is onvoldoende om onderneemster te veroordelen tot enig herstel, mede gelet op de betwisting daarvan door onderneemster.

99. Arbiter stelt vast dat [gedaagde] en VvE 4 Loftwoningen ten aanzien van de dekking van de hellingbaan jegens onderneemster herstel op basis van de Woningborg regeling toekomt.

(…)

de proceskosten en overige vorderingen

(…)

169. Dat wat meer of anders is gevorderd, zal worden afgewezen

DE BESLISSING

Arbiter, rechtdoende naar de regelen des rechts:

(…)

VEROORDEELT onderneemster tot herstel van de klachten 2, 3, 5, 7, 10, 12, 18, 20 en 22 met inachtneming van wat hierover in het lichaam van dit vonnis is overwogen, binnen zes maanden na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 500,00 (vijfhonderd euro) per dag of een gedeelte van een dag dat onderneemster hiermee in gebreke blijft, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro);

(…)

WIJST het meer of anders gevorderde AF”

2.5.

Het arbitrale vonnis is op 31 januari 2025 aan [eiseres] betekend.

2.6.

Op 29 april 2025 heeft [eiseres] op de plekken van de hellingbaan waar de verwarmingsleidingen door de dekking heen kwamen, een nadere dekking aangebracht en daarna over de hele hellingbaan een coating aangebracht. Op 25 juni 2025 heeft de onderaannemer van [eiseres], na klachten van [gedaagde] over de esthetische afwerking van de uitgevoerde herstelwerkzaamheden, die afwerking bijgewerkt.

2.7.

Kort daarna heeft [eiseres] vanwege klachten over onvoldoende stroefheid van de hellingbaan van de garage haar onderaannemer opdracht gegeven de stroefheid van de coating te onderzoeken en eventueel te verbeteren.

2.8.

Bij brief van 13 oktober 2025 heeft de advocaat van [gedaagde], voor zover hier van belang, het volgende aan de advocaat van [eiseres] meegedeeld:

“Op grond van voornoemd vonnis was uw cliënte gehouden zorg te dragen voor herstel van diverse klachten waaronder klacht 10 (hellingbaan garage).

(…)

De hersteltermijn is inmiddels verstreken. Uw cliënte heeft slechts een dunne reparatie laag aangebracht en daarover een coating, die niet stroef is. Daarmee voldoet het herstel niet aan het arbitraal vonnis: de deklaag beschermt de wapening en leidingen onvoldoende en het oppervlak biedt geen veilig gebruik onder alle weersomstandigheden. Hierdoor zijn de in het vonnis bepaalde dwangsommen van rechtswege verbeurd.

(…)

Op grond van het vonnis en de toepasselijke wettelijke bepalingen, sommeer ik u hierbij om binnen veertien dagen na dagtekening van deze brief het bedrag van € 25.000,- (…) te voldoen (…).”

2.9.

In reactie op de brief van 13 oktober 2025 heeft de advocaat van [eiseres] het volgende aan [gedaagde] bericht:

“Het arbitrale vonnis geeft aan dat arbiter plaatselijk leidingen heeft gezien en dat daar de dekking onvoldoende is. Dit diende door [eiseres] hersteld te worden. Dit herstel is eind april 2025 door [eiseres] uitgevoerd. Overigens staat vast dat het een verwarmingsleiding betrof en niet de wapening, aangezien de verwarmingsleidingen op de wapening zijn geplaatst.

(…)Het herstel is vervolgens door de VvE's beoordeeld en niet akkoord bevonden vanwege esthetische bezwaren ten aanzien van de aangebrachte coating. [eiseres] is hiervoor teruggekomen op 2 mei 2025 en heeft daarna aangegeven dat zij met haar onderaannemer op 4 juni 2025 een aantal esthetische zaken zullen nalopen.

(…)

Op 25 juni 2025 is door (de onderaannemer van) [eiseres] de hellingbaan op de esthetische punten bijgewerkt.

Ondertussen werd duidelijk dat de VvE's kampten met een probleem aangaande de stroefheid/gladheid van de hellingbaan, welke werd veroorzaakt door de gladde toplaag.

Hiervoor is [eiseres] meerdere keren teruggekomen. Uit een recent onderzoek van de onderaannemer van [eiseres] is onlangs gebleken dat de hellingbaan op bepaalde punten qua stroefheid niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. [eiseres] heeft aangegeven dat zij ten aanzien van de stroefheid/gladheid herstelwerkzaamheden zal uitvoeren.

(…)

Kortom, [eiseres] heeft voldaan aan het vonnis, maar zij zal nog wel de stroefheid van de toplaag van de hellingbaan herstellen, zodat deze voldoet aan de daaraan te stellen eisen.”

2.10.

Woningborg heeft op verzoek van [gedaagde] (onder meer) de helling van de garage op 3 oktober 2025 geïnspecteerd. In het rapport van 6 november 2025 van die inspectie staat het volgende:

“10. Hellingbaan garage

[eiseres] is veroordeeld tot herstel van de dekking van de hellingbaan.

Bevinding.

[eiseres] heeft de dekking hersteld en een coating over de hellingbaan aangebracht. Dat hierbij mogelijk is afgeweken van het aangeleverde plan van aanpak doet voor de beoordeling van de klacht niet ter zake. Hierbij geldt alleen hetgeen de arbiter heeft gevonnist.

De aangebrachte coating heeft echter een onvoldoende stroefheid waardoor dit herstel niet voldoende is uitgevoerd. [eiseres] heeft een rapportage van de stroefheid ingediend waaruit dit ook blijkt, en dit punt dus heeft erkend.

De verwarmingsleidingen zijn op de wapening aangebracht. Waar de arbiter spreekt over onvoldoende dekking zal dit zien op de dekking van de verwarmingsleidingen. Ook de VvE heeft altijd gesproken over de dekking op de verwarmingsleidingen, en niet over de dekking van de wapening.

Aangezien de verwarmingsleidingen zijn aangebracht op de wapening, en daar waar onvoldoende dekking was op deze leidingen door plaatselijke inkepingen/inzakkingen in de beton dit is hersteld, is er geen aanleiding om te veronderstellen dat de dekking op de wapening onvoldoende zou zijn. Doordat er dekking is op de verwarmingsleidingen die nog boven de wapening liggen is er naar alle waarschijnlijkheid geen sprake van onvoldoende dekking op de wapening.

In het vonnis heeft de arbiter [eiseres] ook niet veroordeeld tot het aantonen van de dekking middels metingen. Hiertoe is [eiseres] dan ook niet gehouden.

Wel dient er alsnog een voldoende stroeve coating worden aangebracht om te voldoen aan het vonnis.”

2.11.

Bij brief van 28 januari 2026 heeft de advocaat van [gedaagde] aan de advocaat van [eiseres] – verkort weergegeven - bericht dat nog geen duurzame oplossing door [eiseres] is bewerkstelligd voor de gladheid van de hellingbaan, dat [gedaagde] die oplossing alsnog eist en dat [gedaagde] zich alle rechten voorbehoudt in het bijzonder het vorderen van de in haar visie verbeurde dwangsom.

2.12.

Bij brief van 4 februari 2026 heeft de advocaat van [eiseres] aan de advocaat van [gedaagde] - verkort weergegeven - meegedeeld dat [eiseres] meent dat zij aan de veroordeling in het arbitraal vonnis voor wat betreft de hellingbaan heeft voldaan en dat de toegezegde herstelwerkzaamheden vanwege de gladheid van de helling worden uitgevoerd zodra het weer dat toelaat, waarschijnlijk in april 2026.

2.13.

Bij brief van 25 juni 2026 heeft de advocaat van [gedaagde] aan de advocaat van [eiseres] het volgende meegedeeld:

“Van cliënte begreep ik dat de problemen met de hellingbaan ondanks de recente herstelwerkzaamheden nog steeds niet afdoende zijn verholpen. Cliënte heeft wederom vastgesteld dat van voldoende stroefheid geen sprake is. Uw cliënte diende zorg te dragen voor goed en deugdelijk herstel van de hellingbaan en hieronder valt ook een voldoende stroeve hellingbaan.

Cliënte eist dat wordt voorzien in een structurele en duurzame oplossing die aantoonbaar veilig is onder voorzienbare weersomstandigheden.

De deurwaarder heb ik inmiddels opdracht gegeven om de dwangsommen te executeren.”

2.14.

Op 10 juli 2026 is door de deurwaarder aan [eiseres] een “exploot van bevel (aanzegging en stuiting dwangsommen)” uitgebracht op verzoek van [gedaagde]. [eiseres] wordt daarin bevolen binnen twee dagen een bedrag van € 25.000,- te voldoen vanwege verbeurde dwangsommen.

3 De vordering

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

primair:

a. a) [gedaagde] te gebieden om de executie van dwangsommen op basis van het arbitraal vonnis van 1 augustus 2024, voor zover gebaseerd op klacht 10 (hellingbaan), te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 20.000,00,

althans een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom, op iedere overtreding

van dit gebod;

b) [gedaagde] (en/of de deurwaarder namens haar) te verbieden executiemaatregelen (waaronder beslaglegging of inning) te treffen ter zake van (gestelde) dwangsommen uit hoofde van klacht 10 (hellingbaan), op straffe van een dwangsom van € 20.000,00, althans

een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom, op iedere overtreding van dit

verbod;

subsidiair:

[gedaagde] te gebieden om de executie van (gestelde) dwangsommen uit hoofde van klacht 10 (hellingbaan) te schorsen, totdat door een onafhankelijke deskundige is vastgesteld dat de coating van de hellingbaan onderdeel is van het herstel van de dekking van de hellingbaan en dat deze ondeugdelijk is, op straffe van een dwangsom van € 20.000,00, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom, op iedere overtreding van dit gebod;

primair en subsidiair

[gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit kort geding, daarbij primair uitgaande van de reële proceskosten aan de zijde van [eiseres] ter hoogte van € 5.000,00, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag, en subsidiair te begroten conform de wet, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente.

3.2.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres], met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het geschil dat in deze procedure voorligt is een executiegeschil. Het gaat over de tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis van 1 augustus 2024. In het bijzonder is de vraag aan de orde of [eiseres] dwangsommen heeft verbeurd omdat zij niet heeft voldaan aan de beslissing in het arbitraal vonnis over de hellingbaan van de garage (klacht 10).

4.2.

Bij beantwoording van de vraag of [eiseres] heeft voldaan aan de veroordeling uit het arbitraal vonnis moeten de handelingen die [eiseres] ter uitvoering van het arbitraal vonnis heeft verricht, worden getoetst aan de inhoud van de uitgesproken veroordeling. De inhoud van de uitgesproken veroordeling moet worden vastgesteld door uitleg daarvan door de executierechter. De veroordeling in het arbitrale vonnis moet worden uitgelegd in het licht van en met inachtneming van de overwegingen die tot die beslissing hebben geleid. Bij de uitleg dienen verder het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te worden genomen, in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (zie HR 20 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1367; HR 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3085). Bij de uitleg van de veroordeling mag de rechter de maatstaven van redelijkheid en billijkheid hanteren.

4.3.

[eiseres] heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter tegen de achtergrond van het hiervoor opgenomen rechtskader voldoende aannemelijk gemaakt dat zij aan haar verplichtingen uit het arbitrale vonnis heeft voldaan voor zover het klacht 10 betreft. De voorzieningenrechter komt op grond van het volgende tot dat oordeel.

4.4.

In de beslissing van het arbitrale vonnis is [eiseres] (voor zover hier van belang) veroordeeld tot herstel van het probleem dat aan de orde is gesteld met klacht 10. Deze veroordeling is behalve ten gunste van [gedaagde] ook ten gunste van een andere vereniging van eigenaars (VVE 4 Loftwoningen) gegeven door de arbiter. Partijen zijn het er evenwel over eens dat indien [eiseres] niet aan de veroordeling ten aanzien van klacht 10 heeft voldaan, dwangsommen verbeurd zijn aan [gedaagde]. Daar gaat ook de voorzieningenrechter bij de verdere beoordeling vanuit, zodat de positie van VVE 4 Loftwoningen buiten beschouwing kan blijven.

4.5.

Om vast te stellen wat de veroordeling tot herstel van klacht 10 inhoudt, moet worden gekeken naar wat de arbiter in de overwegingen van het arbitrale vonnis over deze klacht heeft opgenomen. Uit die overwegingen (genummerd 94 tot en met 99, zie 2.4) volgt het volgende. Klacht 10 gaat over de hellingbaan van de garage. [gedaagde] heeft verschillende, volgens haar bestaande gebreken aan de hellingbaan onder de aandacht van de arbiter gebracht. De vordering die is ingesteld ten aanzien van de hellingbaan, zo volgt uit overweging 95, komt er kort gezegd op neer dat zodanig herstel moet plaatsvinden aan de hellingbaan dat deze voldoet aan de eisen van goed en deugdelijk werk en onder alle weersomstandigheden veilig te gebruiken is. In 96 is weergegeven dat [eiseres] de gebreken betwist. In 97 verwoordt de arbiter wat hij heeft waargenomen bij de bezichtiging van het werk. De arbiter zegt plaatselijk leidingen van de vloerverwarming of wapening te hebben gezien op de hellingbaan. Volgens de arbiter is de dekking van de hellingbaan daar onvoldoende. Overweging 97 sluit de arbiter af met de zin: “Dit moet worden hersteld en arbiter zal onderneemster daartoe veroordelen.”. In 98 wordt nog ingegaan op de twijfel die [gedaagde] heeft geuit over het functioneren van de vloerverwarming in de hellingbaan. Die twijfel is volgens de arbiter onvoldoende om [eiseres] te veroordelen tot enig herstel. In 99 concludeert de arbiter dat [gedaagde] ten aanzien van de dekking van de hellingbaan herstel toekomt. In nr. 169 heeft hij overwogen dat wat anders gevorderd werd wordt afgewezen. Wanneer deze overwegingen in hun onderlinge samenhang en in relatie tot de beslissing worden bezien, kan de beslissing van de arbiter dat [eiseres] wordt veroordeeld tot herstel van klacht 10 in redelijkheid niet anders worden uitgelegd dan als een veroordeling van [eiseres] tot het herstellen van het onvoldoende gedekt zijn van de vloerverwarming of wapening op de hellingbaan. Alleen ten aanzien van dat gebrek heeft de arbiter in zijn overwegingen aangegeven dat herstel door [eiseres] nodig is.

4.6.

Niet in geschil is dat [gedaagde] herstelwerkzaamheden heeft laten verrichten die ertoe hebben geleid dat de vloerverwarming (en/of wapening) niet meer zichtbaar is en voldoende is afgedekt. Daarmee heeft [gedaagde] aan de veroordeling in het arbitrale vonnis voor wat betreft klacht 10 voldaan.

4.7.

Iets anders is dat kennelijk als gevolg van die herstelwerkzaamheden een nieuw probleem is ontstaan, zo begrijpt de voorzieningenrechter uit de stellingen van partijen en de toelichting ter zitting. De hellingbaan van de garage is nu onvoldoende stroef. Dat levert volgens [gedaagde] gevaarlijke situaties op bij het gebruik van de hellingbaan. [eiseres] heeft erkend dat de hellingbaan onvoldoende stroef is en dat twee herstelpogingen door een door haar ingeschakelde onderaannemer dat probleem nog niet voldoende hebben opgelost. [eiseres] heeft toegezegd dit euvel spoedig te zullen laten verhelpen (door een andere partij dan de partij die de twee eerdere herstelpogingen deed).

4.8.

Partijen zijn het er in de kern over eens dat het gebrek aan stroefheid hersteld moet worden. Daarom is aannemelijk dat de hellingbaan nu niet (meer) voldoet aan de eisen van goed en deugdelijk werk als gevolg van het na het door de arbiter bevolen herstel van de dekking van de hellingbaan aanbrengen van een (kennelijk) ondeugdelijke coating. Dat doet in het kader van dit executiegeschil echter niet ter zake. Het komt hier alleen aan op de uitvoering van de arbitrale beslissing. De stroefheid van de hellingbaan is geen onderdeel van de beslissing van de arbiter en de veroordeling die de arbiter heeft gegeven ziet niet op dat probleem. Aan de veroordeling die de arbiter ten aanzien van klacht 10 wèl heeft uitgesproken, namelijk tot het herstel van het onvoldoende bedekt zijn van eerder bedoelde vloerverwarming/wapening, heeft [eiseres] voldaan. Omdat [eiseres] aan de veroordeling ten aanzien van klacht 10 heeft voldaan, kan van het verbeurd zijn van dwangsommen op dat punt geen sprake zijn. Als [gedaagde] een beslissing over de stroefheid had willen hebben had zij die kunnen vragen, in reconventie of in een nieuw arbitraal geding, maar dat heeft zij niet gedaan.

4.9.

Omdat [eiseres] geen dwangsommen heeft verbeurd, bestaat voor (verdere) executie van het arbitrale vonnis geen grond. De vorderingen van [eiseres] tot het gebieden van [gedaagde] om de executie te staken en gestaakt te houden voor zover gebaseerd op klacht 10 (de primaire vordering onder a, zie 3.1) zal dan ook worden toegewezen. Nu de voorzieningenrechter [gedaagde] niet slechts gebiedt de executie te staken maar ook deze, zoals gevorderd, gestaakt te houden, is voor het daarnaast toewijzen van de vordering om [gedaagde] te verbieden terzake van die dwangsommen executiemaatregelen te treffen (de primaire vordering onder b, zie 3.1), geen plaats. Dat is immers al in de eerste vordering verweven.

De voorzieningenrechter gaat er voorts vanuit dat de veroordeling wordt nagekomen en aanwijzingen voor het tegendeel ontbreken, zodat voor het opleggen van een dwangsom geen aanleiding bestaat. Aan de subsidiaire vordering wordt niet toegekomen.

4.10.

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding€128,65
- griffierecht€735,00
- salaris advocaat€1.177,00
- nakosten€189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€2.229,65

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen op de wijze als in de beslissing bepaald.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

gebiedt [gedaagde] om de executie van dwangsommen op basis van het arbitraal vonnis van 1 augustus 2024, voor zover gebaseerd op klacht 10 (hellingbaan), te staken en gestaakt te houden,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.229,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan.

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026. 1861/106

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.