Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Rotterdam, 1 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14736Zaaknummer C/10/725674 / KG ZA 26-921
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 1 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/10/725674 / KG ZA 26-921
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Kort geding
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Kort geding. Vordering tot gedeeltelijke opheffing van in eerder kortgedingvonnis opgelegd verbod tot benaderen van bepaalde leveranciers en klanten wegens onrechtmatig concurreren. Gedaagde heeft belang bij handhaving verbod. Afwijzing vordering.
6 De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vordering af,
veroordeelt [eiseres 1] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partijen] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
| Dit vonnis is gewezen door mr. G.C. Makkink en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2026. 1861/4101 |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/725674 / KG ZA 26-921
Vonnis in kort geding van 1 oktober 2026
in de zaak van
1 [eiser 1],
wonende te [woonplaats 1],
hierna te noemen: [eiser 1],2. [eiseres 1],
gevestigd te [vestigingsplaats 1],hierna te noemen: [eiseres 1],3. [eiseres 2],
gevestigd te [vestigingsplaats 2],hierna te noemen: [eiseres 2],4. [eiser 2],
wonende te [woonplaats 2],hierna te noemen: [eiser 2],5. [eiseres 3],
gevestigd te [vestigingsplaats 3],
hierna te noemen: [eiseres 3],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisende partijen]
advocaat: mr. M.A.M. Bannenberg,
tegen
1 [gedaagde 1],
gevestigd te [vestigingsplaats 4],hierna te noemen: [gedaagde 1],
2. [gedaagde 2],
gevestigd te [vestigingsplaats 5],
hierna te noemen: [gedaagde 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde partijen],
advocaat: mr. E.P. Groenewegen-Caris.
1 De zaak in het kort
Bij een eerder kortgedingvonnis is aan [eisende partijen] een verbod opgelegd tot het benaderen van bepaalde leveranciers en klanten van [gedaagde partijen] op de grond dat [eisende partijen] [gedaagde partijen] onrechtmatig beconcurreerden. In dit kort geding vorderen [eisende partijen] opheffing van het verbod voor een bepaalde leverancier. Volgens [eisende partijen] hebben [gedaagde partijen] bij dat deel van het verbod geen belang meer. De voorzieningenrechter volgt [eisende partijen] daarin niet en wijst de vordering af.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 september 2026, met producties 1 tot en met 17;
- de aanvullende productie 18 van [eisende partijen];
- de conclusie van antwoord van [gedaagde partijen], met producties 1 tot en met 10;- de mondelinge behandeling van 17 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de spreekaantekeningen van [eisende partijen];- de spreekaantekeningen van [gedaagde partijen]
3 De feiten
[eiseres 3] en [gedaagde partijen] zijn bedrijven die IT-diensten leveren. [eiser 1] is de aandeelhouder en de bestuurder van [eiseres 1] en [eiseres 1] is de aandeelhouder en de bestuurder van [eiseres 2]. [eiser 2] is indirect de aandeelhouder en de bestuurder van [eiseres 3].
Tussen [gedaagde 1] en [eiseres 1] is in 2016 een managementovereenkomst gesloten, waarbij is overeengekomen dat [eiseres 1] bepaalde werkzaamheden voor [gedaagde 1] zou verrichten, tegen betaling door [gedaagde 1] van een maandelijkse vergoeding. Ter uitvoering van de managementovereenkomst onderhield [eiser 1] de contacten met de klanten en leveranciers van [gedaagde partijen]
In oktober 2017 heeft [eiseres 1] een belang van 28% in [gedaagde 1] verkregen, in de vorm van stemrechtloze aandelen.
In september 2025 zijn de verhoudingen tussen partijen verstoord geraakt en is aan de samenwerking feitelijk een einde gekomen.
Partijen hebben in september/oktober 2025 in kort geding over en weer vorderingen ingesteld. De vorderingen van [gedaagde partijen] tegen [eisende partijen] strekten ertoe aan [eisende partijen] een verbod op te leggen [gedaagde partijen] onrechtmatig te beconcurreren (hierna: de eerste kortgedingprocedure).
[bedrijf A] (hierna: [bedrijf A]) levert software. [bedrijf A] is een onderdeel van de internationale groep [naam groep]. [bedrijf A] levert haar software via resellers aan ondernemingen die de software gebruiken. Tussen [bedrijf A] en [gedaagde partijen] bestond een reseller overeenkomst.
Bij brief van 1 oktober 2025 heeft [bedrijf A] de reseller overeenkomst met [gedaagde partijen], opgezegd tegen 30 december 2025.
Op 1 oktober 2025 hebben [eiseres 3] en [bedrijf A] een reseller overeenkomst gesloten met ingang van 1 september 2025. [bedrijf A] heeft in dat kader een letter of authorization aan [eiseres 3] verstrekt, waarin staat dat [eiseres 3] de geautoriseerde dealer van [bedrijf A] software is in de Benelux.
Op 27 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de eerste kortgedingprocedure vonnis gewezen (hierna: het vonnis). In het vonnis is geoordeeld dat aannemelijk is dat [eiser 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde 1] door haar onrechtmatig te beconcurreren, dat onvoldoende gemotiveerd betwist is dat [eiser 1] en [eiser 2] samenwerken met de andere (rechts)personen van [eisende partijen] om de onrechtmatige concurrentie van [eiser 1] mogelijk te maken en dat er daarom grond was aan hen allen een verbod op te leggen. Het vonnis houdt verder onder meer in:4. Het geschil(…)4.3 [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen (…) [[eisende partijen]] ieder hoofdelijk, te veroordelen dan wel te bevelen:I. dat het gedaagden voor de duur van 2 jaar, althans voor de duur van een in goede justitie te bepalen termijn, na het in dit geding te wijzen vonnis wordt verboden om contact te hebben en/of contracten aan te gaan met de zakelijke relaties van eisers als vermeld onder 2.4 van de dagvaarding en/of hen te bedienen en/of voor hen, direct of indirect, op enigerlei wijze IT-werkzaamheden en/of diensten te verrichten, en/of IT-oplossingen aan te bieden, en/of (software)producten aan hen te leveren
en/of van hen geleverd te krijgen, dan wel daartoe voor anderen te bemiddelen;(…)
5. De beoordeling (…)De vorderingen
De onrechtmatige concurrentie rechtvaardigt in beginsel een voorziening die ertoe strekt dat het [[eisende partijen]] wordt verboden om bestaande relaties van eisers actief te benaderen met de bedoeling hen te bewegen om over te stappen van [gedaagde 1] naar (één van) hen. Wat eisers hebben gevorderd onder I gaat echter veel verder dan dat. Toewijzing van die vordering zou de contractsvrijheid van bestaande relaties van [gedaagde 1] te ver inperken en zou strijdig zijn met het uitgangspunt dat het gedaagden in beginsel vrij staat om eisers te beconcurreren. Die vordering wordt dus afgewezen, maar de voorzieningenrechter wijst wel de in die vordering besloten liggende minder verstrekkende voorziening toe zoals nader omschreven onder de beslissing. Daarin wordt ook een beperking van de geldigheidsduur van de voorziening opgenomen. De voorzieningenrechter gaat uit van de lijst van relaties zoals die in 3.4 van dit vonnis is opgenomen. Deze is overgenomen uit de dagvaarding en gedaagden hebben de juistheid daarvan niet betwist. Voor de goede orde merkt de voorzieningenrechter op dat de hieronder vermelde voorziening de rechtsgeldigheid van inmiddels tot stand gekomen overeenkomsten met een relatie van [gedaagde 1] ongemoeid laat.(…)
(…)6. De beslissing
De voorzieningenrechter
(…)
verbiedt [[eisende partijen]] om de relaties (klanten en leveranciers) van [[gedaagde partijen]], zoals opgenomen in 3.4 van dit vonnis, voor de duur van twee jaar na datum van dit vonnis telefonisch, schriftelijk of op welke andere wijze dan ook actief te benaderen met de bedoeling hen over te halen om met (één van) gedaagden een overeenkomst te sluiten;
veroordeelt gedaagden hoofdelijk, om aan eisers een dwangsom te betalen van € 100.000 voor iedere keer dat één van hen het in 6.5 genoemde verbod overtreedt, tot een gezamenlijk maximum van € 1.000.000 is bereikt;
In 3.4 van het vonnis is onder “leveranciers” opgenomen: “[naam groep] ([bedrijf A])”.
Naar aanleiding van het vonnis heeft [bedrijf A] laten weten niet via [eiseres 3] als reseller haar producten te zullen leveren aan klanten in de Benelux. Daarover heeft [persoon A] van [naam groep] in een e-mailbericht aan [eiser 1] van 10 december 2025 het volgende geschreven:
“Thank you for your message. As we discussed, there isn’t a method to retain the margin as revenue and then return it to you.(…)
[eiseres 3] Groep is a legally signed partner, but the customers in NL are not [eiseres 3] customers; they are [bedrijf A] customers transacted through [gedaagde 1] [de handelsnaam van [gedaagde 1], voorzieningenrechter] and [gedaagde 2]. Due to the risk associated with the injunction, [naam groep] will not take the risk of being drawn into a legal process associated with the [bedrijf A] customers listed in the court documents if they purchased through [eiseres 3] Groep.”
[bedrijf A] levert de software nu rechtstreeks, zonder tussenkomst van een reseller, aan klanten in de Benelux.
In een e-mail van 27 juli 2026 heeft (de advocaat van) [eisende partijen] aan [bedrijf A] verzocht te verklaren dat zij, verkort weergegeven, geen zaken meer wil doen met aan [persoon B] (de bestuurder van [gedaagde partijen]) gelieerde ondernemingen, dat zij zich vrij acht zaken te doen met [eisende partijen] maar geen risico wil lopen vanwege het vonnis en dat zij onmiddellijk weer zaken zal doen met [eiseres 3] als het verbod in dat vonnis wordt opgeheven. De reactie daarop van [bedrijf A] ([naam groep]) van 13 augustus 2026 luidt als volgt:
“As discussed, [bedrijf A] is not a party to the proceedings before the District Court of Rotterdam and takes no position on the matters in dispute between the parties. As a general matter, [bedrijf A] can confirm that its reseller relationship with [gedaagde 2] / [gedaagde 1] concluded effective 30 December 2025 as a business decision under the terms of the applicable agreement. Additionally, [bedrijf A] can confirm that it entered into a Reseller Agreement with [eiseres 3] prior to the October 27, 2025 Rotterdam District Court’s decision, and that it is not presently conducting business with the clients listed in §3.4 of the Court’s decision through a reseller. [bedrijf A] is not in a position to provide statements characterizing any party's conduct, interpreting the Court's judgment, or regarding future commercial relationships, all of which are matters for the parties and the Court.”
4 Het geschil
[eisende partijen] vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad de veroordeling in het dictum sub 6.5 en 6.6 van het vonnis op te heffen voorzover het de leverancier ‘[naam groep] ([bedrijf A])’ betreft zoals genoemd in r.o. 3.4 van het vonnis, met veroordeling van [gedaagde partijen] in de kosten van deze procedure.
[gedaagde partijen] concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van [eisende partijen] in hun vorderingen, dan wel tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [eisende partijen] in de proceskosten bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5 De beoordeling
In dit kort geding is de vraag aan de orde of er gronden zijn om het verbod dat aan [eisende partijen] is opgelegd bij het vonnis op te heffen voor zover dat leverancier [bedrijf A] ([naam groep]) betreft. Volgens [eisende partijen] is dat het geval. [gedaagde partijen] betwist dat. De voorzieningenrechter acht geen gronden aanwezig het verbod op het door [eiseres 1] bedoelde punt op te heffen. Hieronder wordt uitgelegd hoe de voorzieningenrechter tot dat oordeel komt.
Voldoende gebleken is dat [eisende partijen] spoedeisend belang hebben bij hun vordering. [eiseres 3] loopt op dit moment, volgens [eisende partijen], grote bedragen aan marges mis die zij anders zou hebben ontvangen voor de (door)levering van de [bedrijf A] aan klanten, omdat [bedrijf A] er vanwege het vonnis voor heeft gekozen deze klanten zelf van die software te voorzien.
In het vonnis heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat aannemelijk is dat [eisende partijen] onrechtmatig handelen jegens [gedaagde partijen] door haar onrechtmatig te beconcurreren. Dat rechtvaardigde volgens de voorzieningenrechter een voorziening die ertoe trekt dat het [eisende partijen] wordt verboden om bestaande relaties van [gedaagde partijen] actief te benaderen met de bedoeling hen te bewegen om over te stappen van [gedaagde partijen] naar [eisende partijen] Hetgeen [gedaagde partijen] toen vorderde ging veel verder dan dat. Die vordering strekte er namelijk toe dat het [eisende partijen] zou worden verboden contact te hebben of contact aan te gaan met de zakelijke relaties van [gedaagde partijen] zoals genoemd in de stukken. Die vordering is in het vonnis afgewezen, omdat een daartoe strekkend verbod de contractsvrijheid te veel zou inperken en strijdig zou zijn met het uitgangspunt dat het [eisende partijen] op zichzelf vrijstaat [gedaagde partijen] te beconcurreren. De voorzieningenrechter heeft in de eerste kortgedingprocedure (slechts) toegewezen het verbod aan [eisende partijen] om de relaties van [gedaagde partijen] zoals genoemd in het vonnis voor de duur van twee jaar actief te benaderen met de bedoeling hen over te halen met [gedaagde partijen] een overeenkomst te sluiten.
Hieruit volgt, en dat hebben partijen ter zitting ook onderkend, dat als [eisende partijen] worden benaderd door de bedoelde relaties en daaruit een overeenkomst voortvloeit, [eisende partijen] niet in strijd met het verbod handelen. Meer in het bijzonder staat het verbod er niet aan in de weg dat [eiseres 3] op grond van haar reseller overeenkomst met [bedrijf A] ([naam groep]) zakendoet met [bedrijf A] ([naam groep]) en met de in r.o. 3.4 van het vonnis genoemde klanten, mits [eiseres 3] [bedrijf A] ([naam groep]) en die klanten niet op enige wijze actief benadert met de bedoeling hen over te halen om met haar een overeenkomst te sluiten. Deze beperkte strekking van het verbod maakt dat het belang van [eisende partijen] bij de onderhavige vordering beperkt is.
Het aan [eisende partijen] opgelegde verbod om gedurende twee jaar de bedoelde relaties actief te benaderen om met hen een overeenkomst te sluiten, biedt [gedaagde partijen] in die periode de gelegenheid om die relaties, waaronder [bedrijf A], terug te winnen. De stellingen van [eisende partijen] komen erop neer dat het terugwinnen van [bedrijf A] door [gedaagde partijen] niet meer aan de orde is, omdat [gedaagde partijen] na het aflopen van haar reseller overeenkomst met [bedrijf A] per 30 december 2025, geen nieuwe overeenkomst met [bedrijf A] heeft gesloten en [bedrijf A] te kennen heeft gegeven geen zaken meer te willen doen met aan [persoon B] gelieerde ondernemingen vanwege gebeurtenissen die tussen [bedrijf A] en [persoon B] zijn voorgevallen. Dat betekent volgens [eiseres 1] dat [gedaagde partijen] geen belang meer heeft bij het verbod voor zover dat [bedrijf A] ([naam groep]) betreft.
[gedaagde partijen] heeft evenwel gemotiveerd betwist dat [bedrijf A] ([naam groep]) voor haar blijvend verloren is als leverancier. [persoon B] heeft ter zitting toegelicht dat hij veel tijd en energie steekt in het terugwinnen van [bedrijf A] ([naam groep]) als leverancier. [persoon B] zegt inmiddels fysiek weer in staat te zijn om [bedrijf A] ([naam groep]) in de Verenigde Staten te bezoeken. Dat heeft [persoon B] volgens zijn stellingen ook al gedaan. [persoon B] zegt gesprekken te voeren met [naam groep] om de kwestie recht te zetten en de positie van reseller van [bedrijf A] terug te krijgen. Volgens [persoon B] is dat alles zeker niet kansloos, onder meer omdat de geloofwaardigheid van [gedaagde 1] als reseller veel groter is dan die van [eiseres 3], dat slechts een kleine onderneming is zonder de jarenlange ervaring van [gedaagde partijen] [persoon B] verklaarde ter zitting er het volste vertrouwen in te hebben dat de relatie met [bedrijf A] via [naam groep] hersteld kan worden en dat het niet waar is dat [bedrijf A] geen zaken meer wil doen met hem. Daarom moet het verbod volgens [gedaagde partijen] worden gehandhaafd, voor de resterende duur tot 27 oktober 2027.
Naar het oordeel van voorzieningenrechter hebben [eisende partijen] in het licht van de hiervoor weergegeven stellingen van [gedaagde partijen], onvoldoende aannemelijk gemaakt dat uitgesloten is dat [gedaagde partijen] de relatie met [bedrijf A] ([naam groep]) kan herstellen. [bedrijf A] ([naam groep]) heeft dat desgevraagd ook niet willen bevestigen aan [eiseres 1] (zie 3.11). Dat betekent dat moet worden aangenomen dat [gedaagde partijen], anders dan [eisende partijen] bepleiten, nog steeds belang hebben bij het verbod, ook voor zover het [bedrijf A] ([naam groep]) betreft. Opheffing van het verbod als door [eisende partijen] gevorderd, zou [gedaagde partijen] belemmeren in haar pogingen om dit deel van haar bedrijfsdebiet, dat door onrechtmatige concurrentie bij [eisende partijen] terecht is gekomen, terug te krijgen. Dat leidt tot het oordeel dat de vordering van [eisende partijen] tot het opheffen van het verbod voor wat betreft [bedrijf A] ([naam groep]) moet worden afgewezen.
Proceskosten
[eisende partijen] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partijen] worden begroot op:
| - griffierecht | € | 735,00 | ||
| - salaris advocaat | € | 1.177,00 | ||
| - nakosten | € | 189,00 | (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) | |
| Totaal | € | 2.101,00 |
6 De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vordering af,
veroordeelt [eiseres 1] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partijen] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
| Dit vonnis is gewezen door mr. G.C. Makkink en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2026. 1861/4101 |
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.