Uitspraak · Strafrecht

Rechtbank Rotterdam, 30 september 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:14724Zaaknummer 10/322198-25

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30 september 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
10/322198-25
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats
Dordrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Zeden. Veroordeling voor opzetverkrachting. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het ten laste gelegde feit.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.

De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen[_a371b058-178c-4c3c-a175-56118dfc7c52] en de onderstaande bewijsmotivering.

1. Proces-verbaal van de politie [_b5aeb07d-e839-4ab2-ae33-7140d2c085e1]

Waarvan doe je aangifte? -Ik ben verkracht.

Tegen wie doe je aangifte? - [voornaam verdachte].

(…)

En dan? -Dan weet ik het allemaal niet meer. Op een paar dingetjes van thuis na. Ik zie op Googlefit in mijn telefoon dat ik er in plaats van 19 minuten nu 39 minuten over had gedaan om thuis te komen. Ik zie hierop ook dat ik kennelijk een poosje stil heb gestaan. Ook zie ik dat ik kennelijk onderweg om 19:15 uur en 19:16 uur naar [persoon A] heb gebeld.

Wat weet je nog wel van die avond? -Ik weet dat ik pijn had, dat ik zijn adem ruik en dat ik zijn lippen zie. En ik zag hem in een schim weglopen. Het was heel donker in wat ik mij herinner.

Wat voor pijn had je? -Pijn beneden. Buikpijn en van binnen pijn. Vagina pijn. Het duurde heel lang voordat deze pijn wegzakte. Het leek erop of iemand met een vuist in mijn vagina en in mijn onderbuik had gestompt.

Zag je nog letsel aan je vagina of voelde je er nog iets anders aan? -Nou, de eerste week of anderhalve week is het echt heel gevoelig geweest. Het was een schraal en branderig gevoel. Omdat het zo'n pijn deed ben ik 23 februari 2025 naar het Sint Franciscus ziekenhuis in Rotterdam gegaan.

Hoe zat het toen met jouw kleding? -Volgens mij was mijn onderlichaam was bloot. Mijn spijkerbroek hing aan mijn enkels of half over mijn enkels. Ik heb echt geen idee. Mijn schoenen lagen naast de bank.

En hoe zat het met jouw ondergoed? -Die vond ik later die nacht in het wastafeltje in de wc. Ik weet niet meer hoe laat dit was.Het eerst volgende wat ik mij dan herinner is dat ik rond een uur of 1 of 2 heel verdrietig wakker geworden ben. Ik lag toen in bed en had toen mijn slaapshirt aan. Ik was verdrietig en had pijn. Ik ben naar de wc gegaan en daar vond ik mijn onderbroek dus in de wastafel. Dit was een zwarte boxershort.

Waarom had je het idee dat je verkracht was? -Ik had heel veel pijn aan mijn vagina en in mijn buik. Mijn bank was ook helemaal nat.

Wat zie je aan de bank? -Het was op de rand van de bank waar ik die nacht met mijn billen had gelegen. Het was een natte plek van ongeveer 30 centimeter.

Wie heb je als eerst verteld wat jou is overkomen? -Aan [persoon A]. Dat heb ik zaterdagavond 22 februari 2025 gedaan. Dat was bij haar thuis. Ik heb haar gezegd dat er iets heel ergs was gebeurt en dat ik heel blij was dat ik even met haar kon praten. Ik heb haar alles wat ik me nog kon herinneren, verteld. Dat is dus alles wat ik tegen jullie verteld heb. Ik heb haar ook gezegd dat ik haar kennelijk nog twee keer had geprobeerd om te bellen. daar voelt [persoon A] zich nu schuldig over. [persoon A] had haar telefoon uitgezet en was naar bed gegaan. We waren allebei heel emotioneel. [persoon A] zei me dat ik naar de dokter moest gaan, omdat ik zo'n pijn had.

We hebben ook camerabeelden opgevraagd van de afdeling cameratoezicht van de politie.

-Ik zie mezelf lopen. Volgens mij is dit op de Deensestraat, want daar is alles nu opgebroken. Aan de bouw van die man en aan de pet zie ik dat het [voornaam verdachte] is die naast me loopt. Ik kan me dit helemaal niet meer herinneren, ik weet niet dat ik met hem meegelopen ben. Ik wilde ook helemaal niet dat hij met me mee zou lopen.

2. Verklaring van de getuige [naam getuige] [_444d21bf-7da0-4c92-8d81-58bd1581c1b5]

Op vrijdag zijn we naar het cafe in Schiedam gegaan. De volgende dag kwam zij bij mij en toen heeft ze mij verteld wat er aan de hand was. Ze vertelde mij dat ze hoogst waarschijnlijk verkracht was. Ze was overstuur en haar onderkleding was uit toen ze wakker werd. Ze kon zich herinneren dat ze die gast boven haar zag en dat ze zijn dikke vette hoofd zag en ze vertelde ook dat ze een grote natte vlek in haar bank had.

Wie bedoelde ze met die gast? Die donkere man uit het café. Ze wist dat ze in het café was en dat ze weg ging en dat hij met haar mee wilde lopen om haar thuis te brengen. Ze vertelde dat hij [voornaam verdachte] of [naam] heette.

3. Schriftelijk stuk, rapport NFI [_0bf4817e-c9dc-4a25-83a8-47830f3f6f9d]

In overleg met de aanvrager is besloten om het volgende onderzoek uit te voeren aan onderzoeksset zedendelicten ZAAE3249NL afgenomen bij slachtoffer [slachtoffer] .Onderzoek (in eerste instantie) de volgende bemonsteringen op mannelijk DNA en de aanwezigheid van sperma:• buitenste (grote) schaamlippen buitenzijde - nat;• buitenste (grote) schaamlippen binnenzijde - nat;• binnenste (kleine) schaamlippen binnenzijde - nat;• diep vaginaal.

Tevens is verzocht om van het referentiemateriaal van slachtoffer [slachtoffer] een DNA profiel te vervaardigen en dit verkregen DNA-profiel te betrekken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.

In onderstaande tabel staan de resultaten van het (vergelijkend) DNA-onderzoek en van het onderzoek naar sperma(vloeistof). Wanneer er een overeenkomst is gevonden tussen het DNA-profiel van slachtoffer [slachtoffer] en dat van een bemonstering uit de onderzoeksset zedendelicten, is ervan uitgegaan dat er daadwerkelijk DNA van het slachtoffer in de bemonstering aanwezig is. De bewijskracht is daarom niet berekend.

4. Schriftelijk stuk, rapport NFI [_36386227-22a0-4671-b127-497da17a69a6]

Forensische Opsporing Politie Eenheid Rotterdam heeft verzocht om van het referentiemateriaal van verdachte [verdachte] een DNA-profiel te vervaardigen en dit DNA-profiel te vergelijken met de eerder in deze zaak verkregen DNA- profielen van bemonsteringen ZAAE3249NL#0l tot en met #04 (zie het deskundigenrapport van aanvraag 002). Het doel van dit onderzoek is om vast te stellen of de eerder onderzochte bemonsteringen DNA bevatten dat afkomstig kan zijn van verdachte [verdachte].

In onderstaande tabel staan de resultaten van het (vergelijkend) DNA-onderzoek en van het onderzoek naar het type celmateriaal. In deze tabel zijn ook de resultaten van de berekende bewijskracht vermeld. Het DNA-profiel van verdachte [verdachte] komt overeen met het DNA-profiel dat in het rapport van aanvraag 002 is gekoppeld aan onbekende man A.

Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van twee personen en dat een deel van dit DNA afkomstig is van sperma. Tevens is aangenomen dat (een deel van) het overige DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer].

DNA-mengprofiel ZAAE3249NL#04 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering celmateriaal bevat van slachtoffer [slachtoffer] en sperma bevat van verdachte [verdachte], dan wanneer de bemonstering celmateriaal bevat van slachtoffer [slachtoffer] en sperma bevat van een willekeurige onbekende persoon.

2.3.2.

Bewijsmotivering

Op 21 februari 2025 heeft er een incident plaatsgevonden tussen de verdachte en slachtoffer [slachtoffer]. Na een avond doorgebracht te hebben in een café in Rotterdam, samen met de verdachte en haar vriendin [persoon A] en een andere vriend, zijn de verdachte en het slachtoffer samen naar het huis van het slachtoffer gelopen. Daar stelt het slachtoffer door de verdachte te zijn verkracht.

Zedenzaken kenmerken zich door het feit dat in de regel slechts twee personen aanwezig zijn bij de veronderstelde seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is de enkele verklaring van een getuige (het veronderstelde slachtoffer) onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan echter in zedenzaken een geringe mate van steunbewijs, in combinatie met de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer, wel voldoende wettig bewijs van het ten laste gelegde opleveren.

Het slachtoffer heeft verklaard dat zij zich weinig van de betreffende avond kan herinneren. Ze wist nog wel dat ze wakker werd op de bank in de woonkamer met haar broek en onderbroek op haar knieën. Verder zag ze een natte plek op haar bank en deed het zeer bij haar vagina en onderbuik. Ook herinnert zij zich vaag een zwart gezicht en zwarte lippen en rook zij de adem van de verdachte en voelde de adem op haar gezicht. Een dag later heeft zij haar verhaal gedaan bij haar vriendin [persoon A]. Daags na het incident is het slachtoffer onderzocht door de gynaecoloog in het ziekenhuis. Op 25 februari 2025 is de politie is ingeschakeld, heeft er een informatief gesprek plaatsgevonden en is een forensisch medisch onderzoek ingesteld aan het lichaam van het slachtoffer door middel van een daarvoor bestemde zedenbemonsterinsgset. Uit dat onderzoek volgt dat er DNA-materiaal (sperma) afkomstig van de verdachte is aangetroffen op de schaamlippen van het slachtoffer en diep in de vagina.

De verdachte heeft wisselend verklaard over het (seksueel) contact met het slachtoffer.

Hij heeft in eerste instantie verklaard dat hij slechts zijn hand bij haar vagina heeft gezet en dat het slachtoffer zijn penis heeft vastgehouden. Een dag later voegt de verdachte daaraan toe dat het slachtoffer hem ook heeft gepijpt en heeft afgetrokken en dat hij daardoor is klaargekomen. Zodra de verdachte wordt geconfronteerd met de resultaten van het DNA-onderzoek draagt hij het alternatieve scenario aan inhoudende dat het slachtoffer zijn sperma heeft gepakt en zelf tussen haar benen heeft gestopt.

Mede gelet op de wisselende verklaringen van de verdachte acht de rechtbank dit aangedragen alternatieve scenario niet aannemelijk, temeer nu het sperma van de verdachte niet oppervlakkig, maar juist diep vaginaal bij het slachtoffer is aangetroffen. De rechtbank verwerpt het verweer van eventuele secundaire DNA-overdracht dan ook. De verklaring van het slachtoffer wordt ondersteund door resultaten van het DNA-onderzoek. De rechtbank ziet daarom geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer en gaat daarom bij de beoordeling uit van de juistheid daarvan.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of deze handeling van de verdachte kan worden aangemerkt als opzetverkrachting of als schuldverkrachting. Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte met een ander seksuele handelingen heeft verricht die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl hij wist dat de wil daartoe bij de ander ontbrak. Voorwaardelijk opzet op het ontbreken van de wil is hiervoor voldoende. Hiervan is sprake indien iemand zich bewust is van de mogelijk ontbrekende wil van de ander en die mogelijkheid negeert of, in andere woorden, voor lief of op de koop toeneemt. Van wetenschap van een ontbrekende wil bij de ander is in het algemeen sprake als die ander met duidelijke verbale of non-verbale signalen te kennen geeft het seksuele contact niet op prijs te stellen en de initiatiefnemer zet het contact toch voort. Wanneer de ander een dergelijke overduidelijke negatieve opstelling inneemt over het seksuele contact en de initiatiefnemer dit contact vervolgens toch doorzet, dan kan het niet anders dan dat die initiatiefnemer weet dat bij de ander de wil daartoe afwezig is en dit eenvoudigweg negeert.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het slachtoffer wilsonbekwaam was. Het slachtoffer was dusdanig onder invloed van alcohol dat zij zich weinig kan herinneren van de betreffende avond. Ook de verdachte zelf geeft te kennen dat hij wist dat het slachtoffer onder invloed was. Volgens de verdachte had het slachtoffer al in het café drugs gebruikt en was ze toen al anders. Verder verklaarde de verdachte dat het slachtoffer na het vertrek uit het café de weg naar haar huis niet meer wist en zij iemand heeft gebeld omdat zij haar eigen woning niet meer kon vinden.

Mede gelet op de toestand van het slachtoffer waarbij zij duidelijk onder invloed was, moet de verdachte hebben geweten dat bij haar de wil ontbrak om seks met hem te hebben. De verdachte heeft desondanks de seks doorgezet en de ontbrekende wil van het slachtoffer genegeerd. De rechtbank acht hiermee bewezen dat de verdachte seks had met het slachtoffer tegen haar wil, terwijl hij wist dat die wil daartoe ontbrak. Het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, leidt tot het oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting.

2.3.3.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

hij op of omstreeks 21 februari 2025 te Rotterdam,met een persoon, te weten [slachtoffer] ,een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit hetseksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis in de vagina van die[slachtoffer] ,terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die[slachtoffer] daartoe de wil ontbrak;

3 Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

opzetverkrachting

3.2.

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4 Straf

4.1.

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, bij bewezenverklaring, verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zodoende te komen tot oplegging van een taakstraf, gecombineerd met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetverkrachting. Het moet voor de verdachte duidelijk zijn geweest dat de wil bij het slachtoffer ontbrak, desondanks heeft hij de seks doorgezet. De verdachte heeft met de bewezenverklaarde handelingen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. In zijn algemeenheid worden deze handelingen door een slachtoffer als (zeer) ingrijpend en traumatisch ervaren. Dat het slachtoffer het handelen van de verdachte als traumatisch heeft ervaren, wordt goed overgebracht in de indringende slachtofferverklaring die namens het slachtoffer ter terechtzitting is voorgedragen. Het is de rechtbank duidelijk dat de verdachte zich heeft laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en hij heeft de bevrediging daarvan voorop heeft gesteld.

4.3.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 29 juli 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Reclasseringsadvies

In het rapport van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) van 10 september 2026 staat het volgende.

De reclassering schat de seksuele recidive in op beneden-gemiddeld. De verdachte werd niet eerder verdacht van of veroordeeld voor een zedenfeit, waardoor er geen sprake is van een delictpatroon. Daarnaast zijn de veroordelingen voor eerdere (andersoortige) delicten een lange tijd geleden en is de verdachte sinds onderhavig feit niet meer bij politie en justitie in beeld geweest. Bij een veroordeling ziet de reclassering mogelijk delictgerelateerde risicofactoren op het gebied van seksualiteit, sociaal netwerk en houding. Zij heeft echter geen aanwijzingen gevonden voor verdere problematiek op het gebied van seksualiteit of grensoverschrijdend gedrag. Tenslotte ziet de reclassering enige risico's in de houding van de verdachte, daar hij de schuld grotendeels bij de aangeefster lijkt te leggen. Echter, kan zij gezien de proceshouding van de verdachte hier weinig concrete uitspraken over doen. Mocht zijn houding bij een veroordeling ongewijzigd blijven, heeft zij hier enige zorgen over. Op de overige leefgebieden lijkt sprake te zijn van stabiliteit. De verdachte heeft een eigen huurwoning, vaste dagbesteding en heeft zijn schulden afbetaald. Hij zegt een stabiele partnerrelatie te hebben en er zou sprake zijn van een steunend netwerk vanuit familie en vrienden. De huidige situatie zorgt echter wel voor veel stress bij de verdachte, waarbij hij bang is om zijn baan en woning te verliezen.

De reclassering ziet gelet op het bovenstaande momenteel geen meerwaarde in een reclasseringstoezicht en verplichte interventies. Zij adviseert daarom, bij veroordeling, een straf zonder bijzondere voorwaarden aan de verdachte op te leggen. Dit komt mede gezien het feit dat zij los van de huidige verdenking geen aanwijzingen heeft gevonden voor problemen op het gebied van seksualiteit. Immers, de verdachte is niet eerder verdacht van een zedenfeit en hij is na onderhavige situatie niet meer in beeld geweest bij de politie.

4.3.3.

Oplegging straf

Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten, de rechtbank acht daarom een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren passend.

5 Vordering van de benadeelde partij

5.1.

Vordering [slachtoffer]

Mevrouw [slachtoffer] heeft als benadeelde partij € 18.498,99 als vergoeding voor materiële- en immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.2.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van materiële schade van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 998,99, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie refereert zich voor wat betreft de hoogte van de immateriële schadevergoeding aan het oordeel van de rechtbank.

5.3.

Standpunt van de verdediging

De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd dan wel omdat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Subsidiair dient de vordering van de benadeelde partij te worden gematigd.

5.4.

Oordeel van de rechtbank

5.4.1.

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het strafbare feit. De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 663,99. Dit bedrag bestaat uit de kosten van het vervangen van het bankstel (€ 613,99) en de reis- en parkeerkosten (€ 50,-). De beoordeling van de overige materiële schade vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. De behandeling van dit deel van de vordering van de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk. Dit deel kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

5.4.2.

Immateriële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden als gevolg van het strafbare feit. Zij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, waardoor hij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van zijn immateriële schade.

De vergoeding voor immateriële schade wordt toegewezen tot een bedrag van € 7.500,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt en de aanleiding van het incident. Verder is acht geslagen op de Rotterdamse schaal en bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

5.4.3.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 21 februari 2025. De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op als bedoeld in artikel 36f Sr. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 66 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6 Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f en 243 van het Wetboek van Strafrecht.

7 Beslissingen

verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals onder 2.3.3 is omschreven, heeft gepleegd;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het onder 3 vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 8.163,99,- als vergoeding van materiële- en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 21 februari 2025 tot de dag van volledige betaling;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van haar vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] aan de staat € 8.163,99,- te betalen, alsmede de wettelijke rente hierover vanaf 21 februari 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 66 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

8 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F.P.J. Schoonen, voorzitter,

en mrs. M.I. Blagrove en F. Tosun, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Tanzarella, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 30 september 2026.

Mr. F. Tosun is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Tenlastelegging
  2. 2 Bewijs
  3. 3 Kwalificatie en strafbaarheid
  4. 4 Straf
  5. 5 Vordering van de benadeelde partij
  6. 6 Wettelijke voorschriften
  7. 7 Beslissingen
  8. 8 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10/322198-25

Datum uitspraak: 30 september 2026

Datum zitting: 16 september 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1969 op [geboorteplaats],

ingeschreven op het adres:[adres], [postcode] [woonplaats],

Advocaat van de verdachte: mr. F. Laros

Officier van justitie: mr. X. van Balen

Benadeelde partij: [benadeelde]

Advocaat van de benadeelde partij: mr. P.R. Hogerbrugge

Kern van het vonnis

De verdachte wordt veroordeeld voor opzetverkrachting. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen.

1 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan opzet- dan wel schuldverkrachting.

De volledige tenlastelegging houdt in dat

hij op of omstreeks 21 februari 2025 te Rotterdam,met een persoon, te weten [slachtoffer] ,een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit hetseksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis in de vagina van die[slachtoffer] ,terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die[slachtoffer] daartoe de wil ontbrak;

2 Bewijs

2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor impliciet primair het ten laste gelegde feit (opzetverkrachting).

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het ten laste gelegde feit.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.

De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen[_a371b058-178c-4c3c-a175-56118dfc7c52] en de onderstaande bewijsmotivering.

1. Proces-verbaal van de politie [_b5aeb07d-e839-4ab2-ae33-7140d2c085e1]

Waarvan doe je aangifte? -Ik ben verkracht.

Tegen wie doe je aangifte? - [voornaam verdachte].

(…)

En dan? -Dan weet ik het allemaal niet meer. Op een paar dingetjes van thuis na. Ik zie op Googlefit in mijn telefoon dat ik er in plaats van 19 minuten nu 39 minuten over had gedaan om thuis te komen. Ik zie hierop ook dat ik kennelijk een poosje stil heb gestaan. Ook zie ik dat ik kennelijk onderweg om 19:15 uur en 19:16 uur naar [persoon A] heb gebeld.

Wat weet je nog wel van die avond? -Ik weet dat ik pijn had, dat ik zijn adem ruik en dat ik zijn lippen zie. En ik zag hem in een schim weglopen. Het was heel donker in wat ik mij herinner.

Wat voor pijn had je? -Pijn beneden. Buikpijn en van binnen pijn. Vagina pijn. Het duurde heel lang voordat deze pijn wegzakte. Het leek erop of iemand met een vuist in mijn vagina en in mijn onderbuik had gestompt.

Zag je nog letsel aan je vagina of voelde je er nog iets anders aan? -Nou, de eerste week of anderhalve week is het echt heel gevoelig geweest. Het was een schraal en branderig gevoel. Omdat het zo'n pijn deed ben ik 23 februari 2025 naar het Sint Franciscus ziekenhuis in Rotterdam gegaan.

Hoe zat het toen met jouw kleding? -Volgens mij was mijn onderlichaam was bloot. Mijn spijkerbroek hing aan mijn enkels of half over mijn enkels. Ik heb echt geen idee. Mijn schoenen lagen naast de bank.

En hoe zat het met jouw ondergoed? -Die vond ik later die nacht in het wastafeltje in de wc. Ik weet niet meer hoe laat dit was.Het eerst volgende wat ik mij dan herinner is dat ik rond een uur of 1 of 2 heel verdrietig wakker geworden ben. Ik lag toen in bed en had toen mijn slaapshirt aan. Ik was verdrietig en had pijn. Ik ben naar de wc gegaan en daar vond ik mijn onderbroek dus in de wastafel. Dit was een zwarte boxershort.

Waarom had je het idee dat je verkracht was? -Ik had heel veel pijn aan mijn vagina en in mijn buik. Mijn bank was ook helemaal nat.

Wat zie je aan de bank? -Het was op de rand van de bank waar ik die nacht met mijn billen had gelegen. Het was een natte plek van ongeveer 30 centimeter.

Wie heb je als eerst verteld wat jou is overkomen? -Aan [persoon A]. Dat heb ik zaterdagavond 22 februari 2025 gedaan. Dat was bij haar thuis. Ik heb haar gezegd dat er iets heel ergs was gebeurt en dat ik heel blij was dat ik even met haar kon praten. Ik heb haar alles wat ik me nog kon herinneren, verteld. Dat is dus alles wat ik tegen jullie verteld heb. Ik heb haar ook gezegd dat ik haar kennelijk nog twee keer had geprobeerd om te bellen. daar voelt [persoon A] zich nu schuldig over. [persoon A] had haar telefoon uitgezet en was naar bed gegaan. We waren allebei heel emotioneel. [persoon A] zei me dat ik naar de dokter moest gaan, omdat ik zo'n pijn had.

We hebben ook camerabeelden opgevraagd van de afdeling cameratoezicht van de politie.

-Ik zie mezelf lopen. Volgens mij is dit op de Deensestraat, want daar is alles nu opgebroken. Aan de bouw van die man en aan de pet zie ik dat het [voornaam verdachte] is die naast me loopt. Ik kan me dit helemaal niet meer herinneren, ik weet niet dat ik met hem meegelopen ben. Ik wilde ook helemaal niet dat hij met me mee zou lopen.

2. Verklaring van de getuige [naam getuige] [_444d21bf-7da0-4c92-8d81-58bd1581c1b5]

Op vrijdag zijn we naar het cafe in Schiedam gegaan. De volgende dag kwam zij bij mij en toen heeft ze mij verteld wat er aan de hand was. Ze vertelde mij dat ze hoogst waarschijnlijk verkracht was. Ze was overstuur en haar onderkleding was uit toen ze wakker werd. Ze kon zich herinneren dat ze die gast boven haar zag en dat ze zijn dikke vette hoofd zag en ze vertelde ook dat ze een grote natte vlek in haar bank had.

Wie bedoelde ze met die gast? Die donkere man uit het café. Ze wist dat ze in het café was en dat ze weg ging en dat hij met haar mee wilde lopen om haar thuis te brengen. Ze vertelde dat hij [voornaam verdachte] of [naam] heette.

3. Schriftelijk stuk, rapport NFI [_0bf4817e-c9dc-4a25-83a8-47830f3f6f9d]

In overleg met de aanvrager is besloten om het volgende onderzoek uit te voeren aan onderzoeksset zedendelicten ZAAE3249NL afgenomen bij slachtoffer [slachtoffer] .Onderzoek (in eerste instantie) de volgende bemonsteringen op mannelijk DNA en de aanwezigheid van sperma:• buitenste (grote) schaamlippen buitenzijde - nat;• buitenste (grote) schaamlippen binnenzijde - nat;• binnenste (kleine) schaamlippen binnenzijde - nat;• diep vaginaal.

Tevens is verzocht om van het referentiemateriaal van slachtoffer [slachtoffer] een DNA profiel te vervaardigen en dit verkregen DNA-profiel te betrekken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.

In onderstaande tabel staan de resultaten van het (vergelijkend) DNA-onderzoek en van het onderzoek naar sperma(vloeistof). Wanneer er een overeenkomst is gevonden tussen het DNA-profiel van slachtoffer [slachtoffer] en dat van een bemonstering uit de onderzoeksset zedendelicten, is ervan uitgegaan dat er daadwerkelijk DNA van het slachtoffer in de bemonstering aanwezig is. De bewijskracht is daarom niet berekend.

4. Schriftelijk stuk, rapport NFI [_36386227-22a0-4671-b127-497da17a69a6]

Forensische Opsporing Politie Eenheid Rotterdam heeft verzocht om van het referentiemateriaal van verdachte [verdachte] een DNA-profiel te vervaardigen en dit DNA-profiel te vergelijken met de eerder in deze zaak verkregen DNA- profielen van bemonsteringen ZAAE3249NL#0l tot en met #04 (zie het deskundigenrapport van aanvraag 002). Het doel van dit onderzoek is om vast te stellen of de eerder onderzochte bemonsteringen DNA bevatten dat afkomstig kan zijn van verdachte [verdachte].

In onderstaande tabel staan de resultaten van het (vergelijkend) DNA-onderzoek en van het onderzoek naar het type celmateriaal. In deze tabel zijn ook de resultaten van de berekende bewijskracht vermeld. Het DNA-profiel van verdachte [verdachte] komt overeen met het DNA-profiel dat in het rapport van aanvraag 002 is gekoppeld aan onbekende man A.

Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van twee personen en dat een deel van dit DNA afkomstig is van sperma. Tevens is aangenomen dat (een deel van) het overige DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer].

DNA-mengprofiel ZAAE3249NL#04 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering celmateriaal bevat van slachtoffer [slachtoffer] en sperma bevat van verdachte [verdachte], dan wanneer de bemonstering celmateriaal bevat van slachtoffer [slachtoffer] en sperma bevat van een willekeurige onbekende persoon.

2.3.2.

Bewijsmotivering

Op 21 februari 2025 heeft er een incident plaatsgevonden tussen de verdachte en slachtoffer [slachtoffer]. Na een avond doorgebracht te hebben in een café in Rotterdam, samen met de verdachte en haar vriendin [persoon A] en een andere vriend, zijn de verdachte en het slachtoffer samen naar het huis van het slachtoffer gelopen. Daar stelt het slachtoffer door de verdachte te zijn verkracht.

Zedenzaken kenmerken zich door het feit dat in de regel slechts twee personen aanwezig zijn bij de veronderstelde seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is de enkele verklaring van een getuige (het veronderstelde slachtoffer) onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan echter in zedenzaken een geringe mate van steunbewijs, in combinatie met de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer, wel voldoende wettig bewijs van het ten laste gelegde opleveren.

Het slachtoffer heeft verklaard dat zij zich weinig van de betreffende avond kan herinneren. Ze wist nog wel dat ze wakker werd op de bank in de woonkamer met haar broek en onderbroek op haar knieën. Verder zag ze een natte plek op haar bank en deed het zeer bij haar vagina en onderbuik. Ook herinnert zij zich vaag een zwart gezicht en zwarte lippen en rook zij de adem van de verdachte en voelde de adem op haar gezicht. Een dag later heeft zij haar verhaal gedaan bij haar vriendin [persoon A]. Daags na het incident is het slachtoffer onderzocht door de gynaecoloog in het ziekenhuis. Op 25 februari 2025 is de politie is ingeschakeld, heeft er een informatief gesprek plaatsgevonden en is een forensisch medisch onderzoek ingesteld aan het lichaam van het slachtoffer door middel van een daarvoor bestemde zedenbemonsterinsgset. Uit dat onderzoek volgt dat er DNA-materiaal (sperma) afkomstig van de verdachte is aangetroffen op de schaamlippen van het slachtoffer en diep in de vagina.

De verdachte heeft wisselend verklaard over het (seksueel) contact met het slachtoffer.

Hij heeft in eerste instantie verklaard dat hij slechts zijn hand bij haar vagina heeft gezet en dat het slachtoffer zijn penis heeft vastgehouden. Een dag later voegt de verdachte daaraan toe dat het slachtoffer hem ook heeft gepijpt en heeft afgetrokken en dat hij daardoor is klaargekomen. Zodra de verdachte wordt geconfronteerd met de resultaten van het DNA-onderzoek draagt hij het alternatieve scenario aan inhoudende dat het slachtoffer zijn sperma heeft gepakt en zelf tussen haar benen heeft gestopt.

Mede gelet op de wisselende verklaringen van de verdachte acht de rechtbank dit aangedragen alternatieve scenario niet aannemelijk, temeer nu het sperma van de verdachte niet oppervlakkig, maar juist diep vaginaal bij het slachtoffer is aangetroffen. De rechtbank verwerpt het verweer van eventuele secundaire DNA-overdracht dan ook. De verklaring van het slachtoffer wordt ondersteund door resultaten van het DNA-onderzoek. De rechtbank ziet daarom geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer en gaat daarom bij de beoordeling uit van de juistheid daarvan.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of deze handeling van de verdachte kan worden aangemerkt als opzetverkrachting of als schuldverkrachting. Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte met een ander seksuele handelingen heeft verricht die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl hij wist dat de wil daartoe bij de ander ontbrak. Voorwaardelijk opzet op het ontbreken van de wil is hiervoor voldoende. Hiervan is sprake indien iemand zich bewust is van de mogelijk ontbrekende wil van de ander en die mogelijkheid negeert of, in andere woorden, voor lief of op de koop toeneemt. Van wetenschap van een ontbrekende wil bij de ander is in het algemeen sprake als die ander met duidelijke verbale of non-verbale signalen te kennen geeft het seksuele contact niet op prijs te stellen en de initiatiefnemer zet het contact toch voort. Wanneer de ander een dergelijke overduidelijke negatieve opstelling inneemt over het seksuele contact en de initiatiefnemer dit contact vervolgens toch doorzet, dan kan het niet anders dan dat die initiatiefnemer weet dat bij de ander de wil daartoe afwezig is en dit eenvoudigweg negeert.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het slachtoffer wilsonbekwaam was. Het slachtoffer was dusdanig onder invloed van alcohol dat zij zich weinig kan herinneren van de betreffende avond. Ook de verdachte zelf geeft te kennen dat hij wist dat het slachtoffer onder invloed was. Volgens de verdachte had het slachtoffer al in het café drugs gebruikt en was ze toen al anders. Verder verklaarde de verdachte dat het slachtoffer na het vertrek uit het café de weg naar haar huis niet meer wist en zij iemand heeft gebeld omdat zij haar eigen woning niet meer kon vinden.

Mede gelet op de toestand van het slachtoffer waarbij zij duidelijk onder invloed was, moet de verdachte hebben geweten dat bij haar de wil ontbrak om seks met hem te hebben. De verdachte heeft desondanks de seks doorgezet en de ontbrekende wil van het slachtoffer genegeerd. De rechtbank acht hiermee bewezen dat de verdachte seks had met het slachtoffer tegen haar wil, terwijl hij wist dat die wil daartoe ontbrak. Het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, leidt tot het oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting.

2.3.3.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

hij op of omstreeks 21 februari 2025 te Rotterdam,met een persoon, te weten [slachtoffer] ,een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit hetseksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis in de vagina van die[slachtoffer] ,terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die[slachtoffer] daartoe de wil ontbrak;

3 Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

opzetverkrachting

3.2.

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4 Straf

4.1.

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, bij bewezenverklaring, verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zodoende te komen tot oplegging van een taakstraf, gecombineerd met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetverkrachting. Het moet voor de verdachte duidelijk zijn geweest dat de wil bij het slachtoffer ontbrak, desondanks heeft hij de seks doorgezet. De verdachte heeft met de bewezenverklaarde handelingen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. In zijn algemeenheid worden deze handelingen door een slachtoffer als (zeer) ingrijpend en traumatisch ervaren. Dat het slachtoffer het handelen van de verdachte als traumatisch heeft ervaren, wordt goed overgebracht in de indringende slachtofferverklaring die namens het slachtoffer ter terechtzitting is voorgedragen. Het is de rechtbank duidelijk dat de verdachte zich heeft laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en hij heeft de bevrediging daarvan voorop heeft gesteld.

4.3.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 29 juli 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Reclasseringsadvies

In het rapport van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) van 10 september 2026 staat het volgende.

De reclassering schat de seksuele recidive in op beneden-gemiddeld. De verdachte werd niet eerder verdacht van of veroordeeld voor een zedenfeit, waardoor er geen sprake is van een delictpatroon. Daarnaast zijn de veroordelingen voor eerdere (andersoortige) delicten een lange tijd geleden en is de verdachte sinds onderhavig feit niet meer bij politie en justitie in beeld geweest. Bij een veroordeling ziet de reclassering mogelijk delictgerelateerde risicofactoren op het gebied van seksualiteit, sociaal netwerk en houding. Zij heeft echter geen aanwijzingen gevonden voor verdere problematiek op het gebied van seksualiteit of grensoverschrijdend gedrag. Tenslotte ziet de reclassering enige risico's in de houding van de verdachte, daar hij de schuld grotendeels bij de aangeefster lijkt te leggen. Echter, kan zij gezien de proceshouding van de verdachte hier weinig concrete uitspraken over doen. Mocht zijn houding bij een veroordeling ongewijzigd blijven, heeft zij hier enige zorgen over. Op de overige leefgebieden lijkt sprake te zijn van stabiliteit. De verdachte heeft een eigen huurwoning, vaste dagbesteding en heeft zijn schulden afbetaald. Hij zegt een stabiele partnerrelatie te hebben en er zou sprake zijn van een steunend netwerk vanuit familie en vrienden. De huidige situatie zorgt echter wel voor veel stress bij de verdachte, waarbij hij bang is om zijn baan en woning te verliezen.

De reclassering ziet gelet op het bovenstaande momenteel geen meerwaarde in een reclasseringstoezicht en verplichte interventies. Zij adviseert daarom, bij veroordeling, een straf zonder bijzondere voorwaarden aan de verdachte op te leggen. Dit komt mede gezien het feit dat zij los van de huidige verdenking geen aanwijzingen heeft gevonden voor problemen op het gebied van seksualiteit. Immers, de verdachte is niet eerder verdacht van een zedenfeit en hij is na onderhavige situatie niet meer in beeld geweest bij de politie.

4.3.3.

Oplegging straf

Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten, de rechtbank acht daarom een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren passend.

5 Vordering van de benadeelde partij

5.1.

Vordering [slachtoffer]

Mevrouw [slachtoffer] heeft als benadeelde partij € 18.498,99 als vergoeding voor materiële- en immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.2.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van materiële schade van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 998,99, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie refereert zich voor wat betreft de hoogte van de immateriële schadevergoeding aan het oordeel van de rechtbank.

5.3.

Standpunt van de verdediging

De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd dan wel omdat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Subsidiair dient de vordering van de benadeelde partij te worden gematigd.

5.4.

Oordeel van de rechtbank

5.4.1.

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het strafbare feit. De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 663,99. Dit bedrag bestaat uit de kosten van het vervangen van het bankstel (€ 613,99) en de reis- en parkeerkosten (€ 50,-). De beoordeling van de overige materiële schade vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. De behandeling van dit deel van de vordering van de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk. Dit deel kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

5.4.2.

Immateriële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden als gevolg van het strafbare feit. Zij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, waardoor hij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van zijn immateriële schade.

De vergoeding voor immateriële schade wordt toegewezen tot een bedrag van € 7.500,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt en de aanleiding van het incident. Verder is acht geslagen op de Rotterdamse schaal en bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

5.4.3.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 21 februari 2025. De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op als bedoeld in artikel 36f Sr. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 66 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6 Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f en 243 van het Wetboek van Strafrecht.

7 Beslissingen

verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals onder 2.3.3 is omschreven, heeft gepleegd;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het onder 3 vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 8.163,99,- als vergoeding van materiële- en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 21 februari 2025 tot de dag van volledige betaling;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van haar vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] aan de staat € 8.163,99,- te betalen, alsmede de wettelijke rente hierover vanaf 21 februari 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 66 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

8 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F.P.J. Schoonen, voorzitter,

en mrs. M.I. Blagrove en F. Tosun, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Tanzarella, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 30 september 2026.

Mr. F. Tosun is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

  1. De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op (doorgenummerde) paginanummers uit het zaaksdossier [dossiernaam] / [dossiernummer].
  2. Pagina’s 25-41.
  3. Proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige] d.d. 16 juli 2025, [nummer proces-verbaal], p. 44-46.
  4. Pagina’s 11-19.
  5. Pagina’s 11-19.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.