Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Rotterdam, 25 september 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14649Zaaknummer C/10/726098 / JE RK 26-1786 en C/10/705964 / FA RK 25-6660
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 25 september 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/10/726098 / JE RK 26-1786 en C/10/705964 / FA RK 25-6660
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Beschikking
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing binnen het netwerk voor de duur van vijf maanden, het overige verzochte wordt aangehouden. Verzoek ten aanzien van de hoofdverblijfplaats wordt aangehouden. De gecertificeerde instelling heeft onvoldoende onderbouwd op grond waarvan de minderjarige in een neutraal pleeggezin geplaatst zou moeten worden.
9 De beslissing
De kinderrechter:
ten aanzien van C/10/726098 / JE RK 26-1786
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 17 oktober 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de oma en de opa vz, tot 17 maart 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van de verzoeken onder de zaaknummers 705964 en 726098 voor het overige aan en roept de Raad, de GI, de moeder met haar advocaat en de vader met zijn advocaat op te verschijnen tijdens de zitting van mr. A.A.J. de Nijs bij de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, in het gerechtsgebouw aan het Wilhelminaplein 100 / 125 in Rotterdam, op 9 maart 2027 om 14:45 uur, om nader op de verzoeken te worden gehoord;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de genoemde zitting;
vraagt de griffie de oma en de opa vz op te roepen als informanten;
verzoekt de GI een week voor voornoemde zitting te rapporteren, met afschrift aan de belanghebbenden.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2026 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 16 oktober 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/726098 / JE RK 26-1786 en C/10/705964 / FA RK 25-6660
Datum uitspraak: 25 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling, verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en wijziging hoofdverblijfplaats
in de zaken van
ten aanzien van C/10/726098 / JE RK 26-1786
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
en
ten aanzien van C/10/705964 / FA RK 25-6660
[vader],
hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Kievit, kantoorhoudende in Breda.
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
ten aanzien van C/10/726098 / JE RK 26-1786
[moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.J.J. Trooster, kantoorhoudende in Vlaardingen,
de vader, voornoemd.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[oma vz] en [opa vz],
de pleegouders en tevens de oma en de opa vaderszijde (vz),
hierna te noemen: de oma en de opa vz, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
ten aanzien van C/10/705964 / FA RK 25-6660
de moeder, voornoemd.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de GI, voornoemd.
In haar adviserende en/of toetsende taak is in de procedures betrokken:
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
ten aanzien van C/10/726098 / JE RK 26-1786
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 2 september 2026, ontvangen op 8 september 2026.
- het bericht met bijlage (afwijzing Gezin Totaal) van de GI, ontvangen op 9 september 2026;
- het bericht met bijlage (negatieve screening pleegouders) van de GI, ontvangen op 24 september 2026.
ten aanzien van C/10/705964 / FA RK 25-6660
- de tussenbeschikking van 17 oktober 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader met zijn advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2],
- de oma en de opa vz.
De Raad is – met kennisgeving – niet verschenen.
2 De feiten
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft bij de oma en de opa vz.
Bij beschikking van 17 oktober 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 17 oktober 2026.
Bij beschikking van 7 mei 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de oma en de opa vz, verlengd tot 17 oktober 2026.
3 Het verzoek
ten aanzien van C/10/726098 / JE RK 26-1786
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren
ten aanzien van C/10/705964 / FA RK 25-6660
De vader verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem zal zijn.
De moeder voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij zelfstandig verzoek te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar wordt vastgesteld.
4 Het standpunt van de GI
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. Terugplaatsing van [minderjarige] bij de vader is onderzocht. Hiervoor is ASVZ ingezet om zicht te krijgen op de opvoedsituatie bij de vader. Dit heeft nog onvoldoende zicht opgeleverd, omdat de hulpverlening vooral in de thuissituatie bij de oma en de opa vz plaatsvond. Daarom heeft de GI de vader aangemeld bij Gezin Totaal. Gezin Totaal heeft aangegeven niet te kunnen starten, omdat de situatie volgens hen te complex is. Zij hebben een langdurige gezinsopname geadviseerd. Ook is een NIKA-traject geadviseerd, waarbij specifieker kan worden onderzocht of de vader leerbaar is en in hoeverre hij kan aansluiten bij de behoeften van [minderjarige]. Omdat hierover nog onvoldoende duidelijkheid bestaat, is terugplaatsing bij de vader nu niet aan de orde. Ook terugplaatsing bij de moeder is op dit moment niet aan de orde. [minderjarige] verblijft bij de oma en de opa vz. De oma en de opa vz zijn de afgelopen week negatief gescreend als pleeggezin voor [minderjarige]. Het verslag van de screening is nog niet ontvangen. Er moet nog een plan worden gemaakt over de vraag wat de komende tijd in het belang van [minderjarige] is. Daarbij moet worden onderzocht of [minderjarige] - in de periode waarin meer zicht wordt verkregen op de opvoedsituatie bij de vader - bij de oma en opa vz kan blijven of dat een plaatsing in een neutraal pleeggezin nodig is. Als voor een neutraal pleeggezin wordt gekozen, moet ook worden beoordeeld of het in het belang van [minderjarige] is om kort daarna opnieuw te worden overgeplaatst naar een gezinsopname met de vader.
5 Het standpunt van de moeder
Door en namens de moeder wordt ingestemd met de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. Er moet rust komen in de situatie en een stabiele opvoedsituatie voor [minderjarige] worden gecreëerd. Aan [minderjarige] wordt van alle kanten getrokken. Dit is niet goed voor hem. Ook is het van belang dat er rust komt tussen de ouders. De komende tijd moet er nog veel gebeuren. De moeder is bereid om hulp te aanvaarden; ze heeft informatie over een website hierover aan de jeugdbeschermer doorgegeven. Haar WMO-indicatie moet overgezet worden van [plaats 1] naar [plaats 2]. De moeder hoopt dat er goed naar de situatie en de belangen van [minderjarige] wordt gekeken. Het is van belang dat [minderjarige] in een neutraal pleeggezin wordt geplaatst. De moeder hoopt dat dit het pleeggezin kan zijn waar ook de halfzus van [minderjarige] verblijft.
Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats verzoekt de moeder het verzoek van de vader af te wijzen, omdat binnen afzienbare tijd nog geen duidelijkheid wordt verwacht over de situatie.
6 Het standpunt van de vader
Door en namens de vader wordt ingestemd met de verlenging van de ondertoezichtstelling. Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht het verzoek af te wijzen. Er is onvoldoende gedaan om zicht te krijgen op de opvoedsituatie van de vader. Het is voor de vader niet duidelijk wat hij moet doen om meer zicht te geven zodat [minderjarige] volledig bij hem kan wonen. Uit de stukken blijkt dat de vader overal aan meewerkt en dat zijn woning geschikt is voor [minderjarige]. De vader accepteert hulp voor zichzelf en volgt o.a. groepstherapie. [minderjarige] verblijft al langere tijd van vrijdag uit de opvang tot maandagochtend bij de vader. De vader begrijpt niet waarom het voor bijna de helft van de week veilig is bij hem, maar voor de overige dagen niet. Als [minderjarige] ook doordeweeks bij de vader verblijft, kan vanuit de opvang en door de oma en de opa vz zicht worden verkregen.
Mocht het nog te vroeg zijn om [minderjarige] volledig bij de vader te laten verblijven, dan verzoekt de vader om de machtiging voor een kortere periode te verlengen, te weten maximaal drie maanden. In deze periode moet worden onderzocht hoe [minderjarige] kan worden teruggeplaatst bij de vader. De vader verzoekt daarbij om [minderjarige] uitsluitend bij de oma en opa vz te laten verblijven. De vader hoort tijdens de zitting voor het eerst over de mogelijke plaatsing van [minderjarige] in een neutraal pleeggezin. Een plaatsing in een neutraal pleeggezin is schadelijk voor [minderjarige]. De kans bestaat dat [minderjarige] vanwege het gebrek aan pleeggezinnen uit zijn vertrouwde omgeving wordt gehaald. Dit is niet in [minderjarige] belang; hij zou dan ook van opvang en zwemles moeten veranderen. Het is vervelend dat de moeder spanningen ervaart met de oma en de opa vz, maar het belang van [minderjarige] staat voorop.
Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats handhaaft de vader zijn verzoek. [minderjarige] verblijft al de helft van de week bij hem en [minderjarige] zou volledig hem moeten wonen.
7 De oma en de oma vz
De oma en de opa vz kunnen zich niet vinden in de negatieve uitkomst van de screening. [minderjarige] verblijft inmiddels tien maanden bij hen en heeft in die periode grote stappen in zijn ontwikkeling gezet. De moeder wordt hierover op de hoogte gehouden.
8 De beoordeling
ten aanzien van C/10/726098 / JE RK 26-1786
Ondertoezichtstelling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.[_83ed941b-39fe-427d-b7ab-76fc57aed3a4] Dit wordt door de ouders ook niet weersproken. De kinderrechter legt hieronder uit waarom een ondertoezichtstelling nog nodig is.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige] is destijds uit huis geplaatst, omdat de ouders door hun eigen problematiek niet in staat waren om hem een stabiele en veilige opvoedsituatie te bieden. Ten aanzien van de moeder is hierin nog onvoldoende verandering gekomen. Bij de vader zijn positieve veranderingen zichtbaar, maar is er nog onvoldoende zicht op de vraag of deze veranderingen voldoende zijn om een stabiele opvoedsituatie te bieden.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Een jeugdbeschermer blijft nodig om de regie te voeren. Daarnaast kan de jeugdbeschermer een rol spelen bij het verminderen van de spanningen tussen de moeder en de oma en opa vz.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de verzochte duur van een jaar.[_68f9100f-8dde-418e-b501-23eca8027e21]
Machtiging tot uithuisplaatsing
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding.[_16f92803-a2e4-497c-9c24-92efc694f8f3]
[minderjarige] verblijft sinds tien maanden bij zijn oma en opa vz. Afgelopen week is bekend geworden dat de screening van de oma en opa vz negatief is uitgevallen, waardoor de GI voornemens is te onderzoeken of een plaatsing in een neutraal pleeggezin beter voor [minderjarige] is. Op grond van de op dit moment bekende informatie is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige] bij de oma en opa vz dient te blijven. De GI heeft onvoldoende onderbouwd op grond waarvan een overplaatsing van [minderjarige] naar een neutraal pleeggezin in zijn belang zou zijn. Dit zou immers opnieuw een wijziging in zijn verblijfsplaats betekenen, waarschijnlijk (ver) buiten zijn vertrouwde omgeving. Dit zou tot gevolg hebben dat het contact met de vader en de oma en opa vz fors wordt verminderd en dat [minderjarige] zou moeten veranderen van opvang en zwemles. Uitgangspunt is dat een kind bij een van de ouders of anders binnen het netwerk opgroeit. Pas als voldoende komt vast te staan dat dit niet in het belang van het kind is, wordt gekeken naar een neutraal pleeggezin. Die situatie is echter nu niet aan de orde. Zeker nu [minderjarige] al drie dagen per week bij de vader verblijft en ook al langdurig bij de oma en opa vz verblijft, moet gedegen onderzocht worden of [minderjarige] volledig bij de vader kan worden geplaatst of dat de vader en de oma en opa vz in gezamenlijkheid de opvoeding en verzorging van [minderjarige] op zich kunnen nemen. Daarbij is uiteraard van belang dat regelmatig contact tussen de moeder en [minderjarige] in stand blijft.
Gelet op het feit dat er snel duidelijkheid moet komen voor [minderjarige] ziet de kinderrechter aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere duur te verlengen dan verzocht, te weten voor de duur van vijf maanden, en het overige verzochte aan te houden.
De komende tijd is het van belang dat de hulpverlening wordt voortgezet en er zicht wordt verkregen op de opvoedsituatie bij de vader. Hierbij kan worden gedacht aan een NIKA-traject, een gezinsopname of een andere vorm van hulpverlening of begeleiding.
De kinderrechter verzoekt de GI een week voor de hierna te noemen zitting te rapporteren over de stand van zaken op dat moment en een afschrift te zenden aan de belanghebbenden.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
ten aanzien van C/10/705964 / FA RK 25-6660
Hoofdverblijfplaats
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder een geschil over de hoofdverblijfplaats, op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
In de beschikking van 17 oktober 2025 is vermeld dat de rechtbank zich onvoldoende voorgelicht achtte om een beslissing te kunnen nemen op de verzoeken van partijen over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige]. Deze situatie is, zoals blijkt uit vorenstaande, nog steeds aan de orde. De verzoeken op dit punt zullen daarom opnieuw worden aangehouden.
9 De beslissing
De kinderrechter:
ten aanzien van C/10/726098 / JE RK 26-1786
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 17 oktober 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de oma en de opa vz, tot 17 maart 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van de verzoeken onder de zaaknummers 705964 en 726098 voor het overige aan en roept de Raad, de GI, de moeder met haar advocaat en de vader met zijn advocaat op te verschijnen tijdens de zitting van mr. A.A.J. de Nijs bij de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, in het gerechtsgebouw aan het Wilhelminaplein 100 / 125 in Rotterdam, op 9 maart 2027 om 14:45 uur, om nader op de verzoeken te worden gehoord;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de genoemde zitting;
vraagt de griffie de oma en de opa vz op te roepen als informanten;
verzoekt de GI een week voor voornoemde zitting te rapporteren, met afschrift aan de belanghebbenden.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2026 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 16 oktober 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Voetnoten
- Artikel 1:260 BW.
- Artikel 1:260, eerste lid, BW
- Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.