Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Rotterdam, 24 september 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14617Zaaknummer C/10/721641 / JE RK 26-1199 en C/10/722308 / JE RK 26-1271
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 24 september 2026
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/10/721641 / JE RK 26-1199 en C/10/722308 / JE RK 26-1271
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Beschikking
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beschikking van de meervoudige kamer. De rechtbank verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor een gezinsopname, te weten in de gezinskliniek van [Zorg instelling].
De rechtbank:
Ten aanzien van C/10/721641 / JE RK 26-1199
wijst het verzoek af;
Ten aanzien van C/10/722308 / JE RK 26-1271
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] voor een gezinsopname, te weten in de gezinskliniek van [zorg instelling 2], met ingang van de start van de gezinsopname en voor de duur van het gehele traject, maar maximaal voor de duur van zes maanden en niet langer dan de huidige ondertoezichtstelling, die loopt tot 28 mei 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beschikking is gegeven door mr. M.A. van der Laan-Kuijt, voorzitter, tevens kinderrechter, en mr. S. Jordaan en mr. R. van der Wal, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2026, in aanwezigheid van mr. M.M.C. van der Knaap als griffier. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/721641 / JE RK 26-1199 en C/10/722308 / JE RK 26-1271
Datum uitspraak: 24 september 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,
hierna te noemen: de GI, gevestigd in Dordrecht,
en
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen: de Raad, gevestigd in Rotterdam,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 1].
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. M.S. Krol, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2].
1 Het (verdere) verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 2 juli 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- de briefrapportage van de GI van 24 augustus 2026, ontvangen op diezelfde datum;
- de briefrapportage met bijlagen van de Raad van 25 augustus 2026, ontvangen op 26 augustus 2026.
Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 28 mei 2026 is [minderjarige 1] onder toezicht gesteld tot 28 mei 2027. In dezelfde beschikking heeft de kinderrechter de behandeling van het verzoek van de Raad om een machtiging te verlenen om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp aangehouden tot 2 juli 2026 (C/10/719772 / JE RK 26-94).
Op 17 juni 2026 heeft de GI (met spoed) verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg, dan wel in een gezinsgerichte voorziening, te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling (C/10/721641 / JE RK 26-1199). Ter zitting van 22 juni 2026 heeft de GI dit verzoek gewijzigd naar plaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van drie maanden. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 22 juni 2026 heeft de kinderrechter het verzoek van de GI aangehouden tot de zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank op 2 juli 2026.
Op 29 juni 2026 heeft de Raad het verzoek om een machtiging te verlenen om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp ingetrokken. In plaats daarvan heeft de Raad verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden (C/10/722308 / JE RK 26-1271).
Ter zitting van 2 juli 2026 zijn de verzoeken van de GI en de Raad besproken. De GI heeft tijdens die zitting haar verzoek opnieuw gewijzigd, in die zin dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening wordt verzocht voor de duur van de ondertoezichtstelling. Bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de behandeling van de verzoeken van de GI en de Raad (opnieuw) aangehouden tot de zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 31 augustus 2026.
Op 31 augustus 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger van de raad];
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger van de GI].
De rechtbank heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de rechtbank. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1].
[minderjarige 1] woont bij de moeder.
3 De aangehouden (gewijzigde) verzoeken
Ten aanzien van C/10/721641 / JE RK 26-1199
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ten aanzien van C/10/722308 / JE RK 26-1271
De Raad verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
Het standpunt van de GI
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Tijdens de zomervakantie was [zorg instelling 1] minder vaak aanwezig in de thuissituatie bij de moeder, omdat het rooster niet rondkwam. Het was de GI niet bekend dat [zorg instelling 1] in de zomermaanden maanden nauwelijks is langsgekomen, zoals door [minderjarige 1] aan de kinderrechter is verteld. [zorg instelling 1] heeft aangegeven dat zij geen explosieve uitbarstingen van [minderjarige 1] hebben gezien. In die zin lijkt het beter te gaan. Wel ziet [zorg instelling 1] nog steeds veel spanningsvolle momenten tussen moeder en [minderjarige 1]. Ook heeft [zorg instelling 1] de indruk dat [minderjarige 1] minder openheid van zaken geeft richting de hulpverlening.
Daarbij komen de zorgen die het Erasmus MC Sophia Kinderziekenhuis (hierna: SKZ) heeft gemeld over [minderjarige 1], met name over de verhouding tussen [minderjarige 1] en de moeder. Volgens het SKZ moet rekening worden gehouden met kindermishandeling door falsificatie. Het is belangrijk dat duidelijk wordt welke mogelijke persoonlijke problematiek bij [minderjarige 1] speelt en hoe de interacties tussen de moeder en [minderjarige 1] zijn, zodat passende hulpverlening kan worden ingezet. De GI vindt een gezinsopname binnen de Gezinspsychiatrie van [zorg instelling 2] het meest passend, mede gelet op de zorgen over kindermishandeling door falsificatie. Na aanmelding volgt binnen vier weken een intake, gevolgd door een samenwerkingsopname van twee weken. Vervolgens is er een periode van vier tot zes maanden waarin een hulpverlener thuis langskomt. Tot slot volgt een opname van zestien weken. De GI begrijpt de praktische bezwaren van de moeder tegen deze gezinsopname en is bereid mee te denken over een oplossing voor praktische zaken. Hopelijk is een machtiging tot uithuisplaatsing uiteindelijk niet nodig, omdat de moeder instemt met de gezinsopname in [locatie]. Een andere mogelijkheid is aanhouding van het verzoek. In de tussentijd is het van belang dat [zorg instelling 1] betrokken blijft. De GI werkt nog aan verlenging van de inzet van [zorg instelling 1] bij de moeder thuis.
Het standpunt van de Raad
De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. De Raad is het met de GI eens dat een gezinsopname bij [zorg instelling 2] noodzakelijk is. De observaties van [zorg instelling 1], de medische informatie vanuit het Albert Schweitzer ziekenhuis (hierna: ASZ) en het SKZ over mogelijke kindermishandeling door falsificatie, en de eerdere consultaties met Veilig Thuis laten een consistent patroon zien van zorgen over zowel de fysieke als de emotionele veiligheid van [minderjarige 1]. De Raad heeft de verantwoordelijkheid gevoeld om aangifte te doen tegen de moeder en die verantwoordelijkheid ook genomen.
Een gezinsopname bij [zorg instelling 2] biedt de mogelijkheid om het gezinssysteem in een veilige en gecontroleerde omgeving te observeren, te behandelen en te onderzoeken. Bovendien beschikt [zorg instelling 2] over expertise op het gebied van kindermishandeling door falsificatie. Op basis van de bevindingen van de gezinsopname kan vervolgens een plan voor de toekomst van [minderjarige 1] worden gemaakt. De zorgen over het (risicovolle) gedrag van [minderjarige 1] en de opvoedsituatie bij de moeder thuis zijn groot en bestaan al jaren. Een kortdurende gezinsopname van bijvoorbeeld een week is daarom niet toereikend. Tot de start van de gezinsopname moet zeer intensieve hulpverlening in de thuissituatie betrokken blijven. De Raad vindt het niet wenselijk om [minderjarige 1] in afwachting van de gezinsopname uit huis te plaatsen.
Het standpunt van de moeder
Door en namens de moeder wordt ter zitting verweer gevoerd tegen de verzoeken. Uit de briefrapportage van de GI blijkt dat er geen plek in een gezinshuis voor [minderjarige 1] is gevonden en dat niet duidelijk is wanneer die plek er wel zal zijn. Eerder dit jaar heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een soortgelijke zaak overwogen dat van de GI mag worden verwacht dat zij een machtiging tot uithuisplaatsing pas aanvraagt als er een plek beschikbaar is, of als die plek in aan zekerheid grenzende mate van waarschijnlijkheid binnen drie maanden beschikbaar komt.[_2d557612-7100-4632-8407-00b4c248328d] Daar gaat de GI nu aan voorbij. Bovendien wil de GI het gezin aanmelden voor de gezinsopname bij [zorg instelling 2], en daarvoor is volgens de moeder geen machtiging tot uithuisplaatsing nodig. Het verzoek van de GI moet daarom worden afgewezen. Aanhouding van het verzoek is niet wenselijk vanwege de onrust die dat met zich meebrengt.
Voorzover een machtiging voor een gezinsopname wel vereist zou zijn, kan deze machtiging alleen voor [minderjarige 1] worden gegeven. De gezinsopname kan echter alleen plaatsvinden als de moeder ook naar [locatie] gaat. De kans dat de moeder dat gaat doen is alleen heel klein. Het is voor haar praktisch onmogelijk om mee te werken aan de beoogde gezinsopname, onder meer vanwege de zorg voor haar paarden en haar vader. Ook vraagt zij zich af hoe het dan moet met de schoolgang van [minderjarige 1] en haar broertje [minderjarige 2]. De moeder kan niet worden verplicht mee te werken aan de gezinsopname. Overigens is het nog maar de vraag of de gezinsopname wel passend is, nu er nog geen diagnose bij [minderjarige 1] is vastgesteld. Ook is nog niet bekend hoe de financiering van de gezinsopname eruitziet. Van belang is dat er een duidelijk plan komt. Wellicht zijn er minder ingrijpende alternatieven mogelijk, zoals een dagbehandeling bij het Erasmus MC of een kortdurende gezinsopname bij Yulius in Barendrecht. Het is aan de GI om dat uit te zoeken.
Het standpunt van de vader
De vader brengt ter zitting het volgende naar voren. De vader heeft [minderjarige 1] en haar broertje [minderjarige 2] al lange tijd niet gezien en speelt nog altijd een weinig betekenisvolle rol in hun leven. Het medische dossier van [minderjarige 1] heeft hij pas recent kunnen inzien. Dat is het resultaat na vier jaren waarin sprake is van ondertoezichtstelling. De vader ziet de situatie niet verbeteren en heeft daardoor zijn vertrouwen in de GI verloren. De betrokkenheid van de hulpverlening verloopt volgens hem met pieken en dalen. De vader ziet daarin een patroon. De zorgen over [minderjarige 1] en de opvoedsituatie zijn ernstig, maar de vader moet er nu maar op vertrouwen dat de GI deze keer wel de regie pakt.
Bij de vader is bekend dat de Raad niet alleen aangifte heeft gedaan van kindermishandeling door falsificatie, maar ook van fysiek geweld door de moeder richting [minderjarige 1].
5 De beoordeling
Op basis van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding.[_6b7e8a3a-6725-4187-b832-3bdc0606ce11] De rechtbank legt hieronder uit waarom.
Er zijn sinds een lange periode ernstige zorgen over de opvoedsituatie van [minderjarige 1] bij de moeder. De zorgen zien op het gedrag van [minderjarige 1], maar ook op de dynamiek tussen de moeder en [minderjarige 1]. Door de hulpverlening wordt beschreven dat alledaagse situaties, zoals een discussie over kleding of bedtijd, kunnen uitmonden in spanningen en regelmatig in forse escalaties, waarbij het ook voorkomt dat de politie erbij moet komen. De moeder is dan niet in staat om [minderjarige 1] op een veilige manier te begrenzen. Haar handelen leidt op die momenten tot angst, pijn en verdere ontregeling bij [minderjarige 1]. In de afgelopen maanden hebben hulpverleners van [zorg instelling 1] meerdere keren waargenomen dat de moeder [minderjarige 1] fysiek heeft aangepakt, bijvoorbeeld door haar hardhandig van de trap te duwen of haar een klap in het gezicht te geven. [zorg instelling 1] kwam op een gegeven moment zeven dagen per week bij het gezin thuis, maar ook die zeer intensieve hulpverlening bleek onvoldoende om de zorgen over [minderjarige 1] weg te nemen.
De Raad en de GI zijn daarom al langer van mening dat [minderjarige 1] uithuisgeplaatst moet worden, omdat het voor [minderjarige 1] noodzakelijk is uit de negatieve dynamiek te komen. Eerder dit jaar hebben zij daarom ook allebei een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] verzocht. Zij zaten echter niet op een lijn voor wat betreft de vraag waar [minderjarige 1] dan het beste kon verblijven. De Raad vond plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp noodzakelijk, terwijl de GI zocht naar een plek in een pleeggezin of gezinshuis. In de afgelopen maanden hebben meerdere zittingen plaatsgevonden, maar steeds bleek dat een concreet plan voor een passende plek ontbrak. In de tussentijd heeft de GI haar verzoek meerdere keren gewijzigd. Op de laatste zitting verzocht zij om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening. Gelet op de briefrapportage van de GI en de toelichting ter zitting is dat verzoek inmiddels niet meer aan de orde. Er is nog altijd geen plek voor [minderjarige 1] gevonden in een gezinshuis. Bovendien heeft de GI inmiddels een ander standpunt ingenomen. Dat hangt samen met de zorgen die onlangs door artsen van het ASZ en het SKZ zijn geuit over mogelijk toegebracht letsel bij [minderjarige 1] en het aandringen van de moeder op (onnodige) medische behandelingen. Volgens die artsen moet rekening worden gehouden met kindermishandeling door falsificatie. De GI richt zich daarom nu op een gezinsopname bij [zorg instelling 2] en ziet dat als passend alternatief voor een uithuisplaatsing van [minderjarige 1], juist omdat bij deze gezinsopname ook het specialisme is over kindermishandeling door falsificatie. De rechtbank zal daarom het verzoek van de GI voor een machtiging uithuisplaatsing voor een gezinsgerichte voorziening afwijzen.
Uit de briefrapportage van de Raad blijkt dat de Raad zich inmiddels achter het plan van de GI schaart om het gezin aan te melden voor een gezinsopname bij [zorg instelling 2]. Uit de toelichting ter zitting begrijpt de rechtbank dat het verzoek van de Raad zo moet worden gelezen dat het ook ziet op een machtiging tot uithuisplaatsing voor die gezinsopname. De Raad is namelijk van mening dat zo’n machtiging daarvoor kan worden verleend. Volgens de Raad beschikt [zorg instelling 2] over specialistische kennis op het gebied van kindermishandeling door falsificatie en is die gezinsopname daarom het meest passend.
Gelet op het jarenlange patroon van zorgelijke interacties tussen [minderjarige 1] en de moeder, en daarnaast het vermoeden van kindermishandeling door falsificatie op basis van zorgen van artsen van twee verschillende ziekenhuizen, onderschrijft de rechtbank de noodzaak van een intensieve gezinsopname. Tijdens die gezinsopname kan zicht worden verkregen op de emotieregulatie van [minderjarige 1], de belastbaarheid en opvoedvaardigheden van de moeder, de dynamiek tussen [minderjarige 1] en de moeder, en de rol en mogelijkheden van de vader. Zo kan worden onderzocht wat [minderjarige 1] nodig heeft om veilig op te groeien. De gezinsopname bij [zorg instelling 2] lijkt goed aan te sluiten bij de problematiek van dit gezin. In lijn met de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 april 2026 overweegt de rechtbank dat het tijdens de gezinsopname niet aan de moeder (of de vader) is om te bepalen waar de kinderen verblijven, maar aan de professionals. Daarvoor is een machtiging tot uithuisplaatsing nodig.[_baa502e5-a6a7-4088-89f8-05460e22d328] De rechtbank zal daarom het verzoek van de Raad toewijzen, met ingang van de gezinsopname, waarbij de rechtbank begrijpt dat die start met de intake. De machtiging geldt voor de duur van het gehele traject, maar maximaal voor de duur van zes maanden en niet langer dan de huidige ondertoezichtstelling, die loopt tot 28 mei 2027. Tot slot overweegt de rechtbank dat het van groot belang is dat [zorg instelling 1] intensief betrokken blijft bij het gezin totdat de gezinsopname kan starten.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De rechtbank:
Ten aanzien van C/10/721641 / JE RK 26-1199
wijst het verzoek af;
Ten aanzien van C/10/722308 / JE RK 26-1271
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] voor een gezinsopname, te weten in de gezinskliniek van [zorg instelling 2], met ingang van de start van de gezinsopname en voor de duur van het gehele traject, maar maximaal voor de duur van zes maanden en niet langer dan de huidige ondertoezichtstelling, die loopt tot 28 mei 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beschikking is gegeven door mr. M.A. van der Laan-Kuijt, voorzitter, tevens kinderrechter, en mr. S. Jordaan en mr. R. van der Wal, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2026, in aanwezigheid van mr. M.M.C. van der Knaap als griffier. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Voetnoten
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 juli 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4325.
- Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16 april 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:2296.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.