Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Rotterdam, 25 september 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:14614Zaaknummer C/10/692553 / FA RK 25-251

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25 september 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
C/10/692553 / FA RK 25-251
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Onderhoudsbijdrage aangehouden, procesvertegenwoordiger onbevoegd omdat de bewindvoerder dient te worden betrokken. Vaststellen voorlopige omgangsregeling en voorlopige zorgregeling, omdat de gezagssituaties voor de minderjarigen verschillen. De rechtbank houdt een vinger aan de pols ten aanzien van het opstarten en opbouwen van het contact.

De rechtbank:

4.1

bepaalt dat de tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een voorlopige omgangsregeling zal gelden, waarbij de minderjarigen (samen met hun zusje [minderjarige 3]) onder begeleiding van de broer van de vrouw – dan wel iemand anders die de vrouw vertrouwt en die daartoe bereid is – bij man zullen verblijven als volgt:

  • vier keer om de week een halve zaterdag van 15:00 uur tot 19:00 uur na het avondeten;
  • vervolgens vier keer om de week een hele weekenddag, waarbij partijen de precieze dag zullen afstemmen in onderling overleg;
  • daarna zullen partijen in samenspraak met de inschakelde hulpverlening toewerken naar een weekendregeling zoals verzocht door de man;

waarbij de vrouw de minderjarigen naar de man brengt en de man de minderjarigen terugbrengt bij de vrouw;

4.2

bepaalt dat tussen de man en [minderjarige 3] een voorlopige zorgregeling zal gelden, waarbij de minderjarige (samen met haar zusjes [minderjarige 1] en [minderjarige 2]) onder begeleiding van de broer van de vrouw – dan wel iemand anders die de vrouw vertrouwt en die daartoe bereid is – bij man zal verblijven als volgt:

  • vier keer om de week een halve zaterdag van 15:00 uur tot 19:00 uur na het avondeten;
  • vervolgens vier keer om de week een hele weekenddag, waarbij partijen de precieze dag zullen afstemmen in onderling overleg;
  • daarna zullen partijen in samenspraak met de inschakelde hulpverlening toewerken naar een weekendregeling zoals verzocht door de man;

waarbij de vrouw de minderjarigen naar de man brengt en de man de minderjarigen terugbrengt bij de vrouw;

4.3

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

en voordat verder wordt beslist:

4.4

bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de kinderbijdrage wordt aangehouden voor bepaalde tijd tot de mondelinge behandeling van 11 december 2026 om 9:00 uur, welke behandeling zal worden gehouden in het gerechtsgebouw in Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100-125;

4.5

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de definitieve omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 1] & [minderjarige 2] en ten aanzien van de definitieve zorgregeling tussen de man en [minderjarige 3] aan tot 1 april 2027 PRO FORMA. De rechtbank verzoekt partijen om de rechtbank uiterlijk twee weken voor de genoemde pro forma datum te informeren over de stand van zaken en hun proceswensen.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. Berghuis-Knijff, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E.J. den Hollander, griffier, op 25 september 2026.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De vaststaande feiten
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/692553 / FA RK 25-251

Beschikking van 25 september 2026 over de onderhoudsbijdrage, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht

in de zaak van:

[naam vrouw], hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats 1],

advocaat mr. A.J.C. van Bemmel te Rotterdam,

t e g e n

[naam man], hierna: de man,

wonende te [woonplaats 2],

advocaat mr. J.F. van Duin te Ridderkerk.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 15 januari 2025;
  • het bericht van de man van 30 mei 2025;
  • het verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 3 juli 2025 en het zelfstandig verzoekschrift van de man, ingekomen op 28 januari 2026;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 17 augustus 2026;
  • het bericht met bijlagen van de man van 20 augustus;
  • het verweerschrift met bijlagen op het zelfstandig verzoek, ingekomen op 24 augustus 2026;
  • de berichten van de man met bijlagen van 26 augustus 2026 en 28 augustus 2026.
1.2

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2026. Daarbij zijn verschenen:

  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad].
1.3

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man een pleitnotitie en een beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 4 maart 2025 over het beschermingsbewind overgelegd.

2 De vaststaande feiten

2.1

Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

2.2

Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:

[minderjarige 1]; geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1];

[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats 2];

[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2024 te [geboorteplaats 3].

2.3

De man heeft de minderjarigen erkend.

2.4

De vrouw oefent van rechtswege het ouderlijk gezag uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

2.5

Het ouderlijk gezag over [minderjarige 3] wordt door partijen gezamenlijk uitgeoefend.

3 De beoordeling

3.1

Onderhoudsbijdrage

3.1.1

De vrouw verzoekt een door de man met ingang van 1 november 2024, althans per datum indiening verzoekschrift, te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 500,- per maand per kind vast te stellen, bij vooruitbetaling te voldoen.

3.1.2

De man voert gemotiveerd verweer.

3.1.3

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man desgevraagd verklaard dat zijn goederen onder bewind staan. Omdat er sprake is van een beschermingsbewind, is de man op grond van artikel 1:441 BW niet procesbevoegd en kan hij niet zelfstandig als verwerende partij optreden. De behandeling van dit verzoek wordt daarom, in overleg met de advocaten, aangehouden, zodat de bewindvoerder, die de man in rechte vertegenwoordigt, overeenkomstig artikel 1:438 lid 2 BW de procedure kan overnemen dan wel schriftelijk toestemming verleent om de procedure zelfstandig te voeren.

3.1.4

De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling met partijen besproken dat partijen ten behoeve van de inhoudelijke behandeling standpunten over de behoefte en draagkracht zullen innemen en berekeningen worden overgelegd.

3.2

Omgangsregeling en zorgregeling

3.2.1

De man verzoekt bij zelfstandig verzoek een zorgregeling, dan wel een omgangsregeling of een contactregeling vast te stellen, inhoudende dat de man om de veertien dagen van vrijdag 19:00 uur tot zondag 19:00 uur de minderjarigen bij zich zal hebben.

3.2.2

De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij zelfstandig verzoek van 24 augustus 2026 het verzoek van de man af te wijzen, de raad te vragen om een onderzoek te doen naar de haalbaarheid van een zorgregeling en indien en voor zover er omgang zal moeten plaatsvinden, partijen te verwijzen naar het [naam instelling] voor begeleide omgang.

3.2.3

De vrouw oefent van rechtswege het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit. Op grond van artikel 1:377a BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of één van hen een omgangsregeling vaststellen. Het ouderlijk gezag over [minderjarige 3] oefenen partijen gezamenlijk uit. Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of één van hen een zorgregeling vaststellen. In het vervolg van deze beschikking zal de rechtbank in het belang van de leesbaarheid in het lichaam ten aanzien van alle minderjarigen spreken over een zorgregeling.

3.2.4

Tussen partijen is niet in geschil dat er sinds april 2025 geen contact is tussen de man en de minderjarigen. Ook is niet in geschil dat er wel contact tussen hem en de minderjarigen zou moeten zijn. De rechtbank constateert dat dit contact niet van de grond komt, – kort gezegd – omdat de vrouw veel zorgen heeft over de veiligheid en het welzijn van de minderjarigen bij de man.

3.2.5

De man stelt dat partijen toen zij uiteen gingen een zorgregeling zijn overeengekomen tussen hem en [minderjarige 1] en [minderjarige 2], inhoudende dat zij een weekend in de veertien dagen van vrijdagavond tot zondagavond bij de man zouden verblijven. [minderjarige 3] was toen nog maar een paar maanden oud, zodat zij niet in die regeling werd betrokken. Volgens de man is vanaf augustus 2024 uitvoering gegeven aan deze zorgregeling, waarna de vrouw de omgang in april 2025 heeft beëindigd wegens de schuldproblematiek van de man. De man stelt daarbij dat er sindsdien ook geen contact meer is tussen partijen en hij ook geen informatie over of foto’s van de minderjarigen ontvangt.

3.2.6

Volgens de vrouw is de stelling van de man dat zij het contact tussen hem en de minderjarigen heeft stopgezet wegens zijn schuldenproblematiek te kort door de bocht. De vrouw stelt dat zij de minderjarigen het contact met de man niet wil ontnemen, maar dat zij veel zorgen heeft over de veiligheid en het welzijn van de minderjarigen bij de man, die op verschillende omstandigheden zijn gebaseerd. Om te beginnen heeft de man een cocaïne- en gokverslaving (gehad), en de zorgen van de vrouw daarover worden gedeeld met de vader van de man. De man heeft zijn financiële situatie niet op orde en daar wordt de vrouw na het uiteengaan ook nog steeds verantwoordelijk voor gehouden. Die situatie is zo ernstig dat de minderjarigen daar uiteindelijk ook de effecten van ondervonden. De minderjarigen zijn meermaals met hevige honger thuisgekomen van contactmomenten met de man. Bovendien is het contact tussen partijen volgens de vrouw dramatisch, wat ook uitwerking heeft op de minderjarigen. De vrouw zou graag zien dat haar zorgen worden weggenomen, voordat er weer onbegeleid contact plaatsvindt tussen de man en de minderjarigen. Zij heeft dan ook behoefte aan advies, een partij die meedenkt en helpt bij het herstellen van haar vertrouwen. Tot slot helpt het niet mee dat [minderjarige 2] op dit moment extra zorg vraagt. Volgens de vrouw heeft [minderjarige 2] veel meegekregen van de relatiebreuk tussen partijen, waardoor zij mogelijk kampt met een angststoornis en daarom extra behoefte heeft aan structuur en duidelijkheid. Zij wordt op dit moment zowel lichamelijk als mentaal onderzocht in het ziekenhuis. De man heeft de zorgen van de vrouw weersproken en stelt dat nooit sprake is geweest van een verslaving, dat hij een slaapkamer voor de minderjarigen op orde heeft en hij ondanks zijn schulden iedere maand budget heeft om te voorzien in primaire levensbehoeften, zoals eten voor de minderjarigen. De man ontkent dan ook met klem dat hij de minderjarigen met hevige honger zou terugbrengen naar de vrouw. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man, in het belang van de minderjarigen, ingestemd met iedere vorm van onderzoek.

3.2.7

Anders dan de raad neemt de rechtbank de zorgen van de vrouw serieus. De vrouw heeft haar zorgen onderbouwd gesteld en de man weerspreekt die zorgen weliswaar, maar onderbouwt zijn weerlegging niet. Tegelijkertijd is het naar het oordeel van de rechtbank van belang dat het contact tussen de man en de minderjarigen zo snel mogelijk weer wordt opgestart. Voor dat contact is naar het oordeel van de rechtbank echter wel van belang dat de zorgen van de vrouw worden weggenomen en haar vertrouwen in de man wordt hersteld. De man heeft zich tijdens de mondelinge behandeling bereid verklaard hieraan mee te werken. In begeleide omgang via het [naam instelling], zoals verzocht door de vrouw, ziet de rechtbank geen oplossing. Dit zal de zorgen van de vrouw, die liggen in de woon- en leefsituatie van de man, niet wegnemen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank met partijen gesproken over de optie om het contact tussen de man en de minderjarigen op te bouwen in de woon- en leefomgeving van de man, onder toeziend oog van iemand die de vrouw vertrouwt. In dat kader is met partijen besproken dat dit de oudste broer van de vrouw zou kunnen zijn, mits hij daartoe bereid is. De rechtbank zal een voorlopige zorgregeling met opbouw opnemen in de beslissing, waarin uiteindelijk wordt toegewerkt naar een weekendregeling zoals verzocht door de man. De rechtbank zal de beslissingen voor een definitieve zorgregeling aanhouden omdat de rechtbank het nodig acht om een vinger aan de pols te houden met betrekking tot het verloop van de (opbouw in) de zorgregeling.

3.2.8

Ondanks dat [minderjarige 3] nog jong is en weinig contactmomenten heeft gehad met de man, is het ook voor haar van belang dat er snel contact tot stand komt. De rechtbank ziet geen aanleiding om het contact tussen de man en [minderjarige 3] op een andere manier op te bouwen dan voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2], waarmee de man inmiddels ook al meer dan een jaar geen (structureel) contact heeft. Voor de rechtbank weegt hierbij zwaar, zoals de raad ook naar voren heeft gebracht, dat de minderjarigen eraan gewend zijn gezamenlijk bij de vrouw te verblijven. Het is om die reden in het belang van de minderjarigen om hen ook samen, als zusjes, te laten wennen aan en groeien in de contactmomenten met de man.

3.2.9

Tot slot merkt de rechtbank op dat partijen, zoals geadviseerd door de raad en tijdens de mondelinge behandeling besproken, gebaat zijn bij het inschakelen van vrijwillige hulpverlening. Als sprake is van een conflictrelatie, zoals door partijen wederzijds beaamd, waar niet aan wordt gewerkt, bestaat onvoldoende stabiele basis voor het doen slagen van een zorgregeling. De rechtbank acht het daarom van belang dat partijen gelijktijdig met het opstarten van de regeling ook met die conflictrelatie aan de slag gaan en via ouderschapsbemiddeling gaan werken aan hun onderlinge communicatie. Partijen kunnen hiervoor terecht bij het sociaal wijkteam. Dit kan ook – naast de begeleiding van de broer van de vrouw dan wel iemand anders – bijdragen aan het wegnemen van de zorgen van de vrouw en het herstellen van haar vertrouwen in de man. Bovendien kan het sociaal wijkteam partijen helpen en/of begeleiden bij de opbouw in het contact tussen de man en de minderjarigen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat partijen zich hiervoor, in het belang van de minderjarigen, zo snel mogelijk bij het wijkteam aanmelden.

3.3

Proceskosten

3.3.1

Omdat ten aanzien van de definitieve omgangs- en zorgregeling en de kinderbijdrage nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1

bepaalt dat de tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een voorlopige omgangsregeling zal gelden, waarbij de minderjarigen (samen met hun zusje [minderjarige 3]) onder begeleiding van de broer van de vrouw – dan wel iemand anders die de vrouw vertrouwt en die daartoe bereid is – bij man zullen verblijven als volgt:

  • vier keer om de week een halve zaterdag van 15:00 uur tot 19:00 uur na het avondeten;
  • vervolgens vier keer om de week een hele weekenddag, waarbij partijen de precieze dag zullen afstemmen in onderling overleg;
  • daarna zullen partijen in samenspraak met de inschakelde hulpverlening toewerken naar een weekendregeling zoals verzocht door de man;

waarbij de vrouw de minderjarigen naar de man brengt en de man de minderjarigen terugbrengt bij de vrouw;

4.2

bepaalt dat tussen de man en [minderjarige 3] een voorlopige zorgregeling zal gelden, waarbij de minderjarige (samen met haar zusjes [minderjarige 1] en [minderjarige 2]) onder begeleiding van de broer van de vrouw – dan wel iemand anders die de vrouw vertrouwt en die daartoe bereid is – bij man zal verblijven als volgt:

  • vier keer om de week een halve zaterdag van 15:00 uur tot 19:00 uur na het avondeten;
  • vervolgens vier keer om de week een hele weekenddag, waarbij partijen de precieze dag zullen afstemmen in onderling overleg;
  • daarna zullen partijen in samenspraak met de inschakelde hulpverlening toewerken naar een weekendregeling zoals verzocht door de man;

waarbij de vrouw de minderjarigen naar de man brengt en de man de minderjarigen terugbrengt bij de vrouw;

4.3

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

en voordat verder wordt beslist:

4.4

bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de kinderbijdrage wordt aangehouden voor bepaalde tijd tot de mondelinge behandeling van 11 december 2026 om 9:00 uur, welke behandeling zal worden gehouden in het gerechtsgebouw in Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100-125;

4.5

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de definitieve omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 1] & [minderjarige 2] en ten aanzien van de definitieve zorgregeling tussen de man en [minderjarige 3] aan tot 1 april 2027 PRO FORMA. De rechtbank verzoekt partijen om de rechtbank uiterlijk twee weken voor de genoemde pro forma datum te informeren over de stand van zaken en hun proceswensen.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. Berghuis-Knijff, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E.J. den Hollander, griffier, op 25 september 2026.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.