Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Rotterdam, 23 september 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14599Zaaknummer C/10/726074 / JE RK 26-1781
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 23 september 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/10/726074 / JE RK 26-1781
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Beschikking
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Trajectmachtiging gesloten jeugdzorg (maximaal 3 maanden) en regulier machtiging accommodatie jeugdhulpaanbieder voor duur ondertoezichtstelling.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verleent een trajectmachtiging, inhoudende een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, gevolgd door een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 23 september 2026 tot 30 maart 2027;
de machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp geldt voor de maximale duur van drie maanden, te weten van 23 september 2026 tot 23 december 2026;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026 door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, in aanwezigheid van mrs. A.L. Bottse en F.W. Marijnen als griffier, en op schrift gesteld op 5 oktober 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/726074 / JE RK 26-1781
Datum uitspraak: 23 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een trajectmachtiging
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de jeugdbescherming,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige],
advocaat mr. P.H.A. de Boer, kantoorhoudende in Rotterdam.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
wonende in [plaats 1], hierna te noemen: de moeder,
[vader],
wonende in [plaats 2], hierna te noemen: de vader.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de jeugdbescherming met bijlagen, ontvangen op 8 september 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van [minderjarige];
- de vader;
- twee vertegenwoordigers van de jeugdbescherming, [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2].
De moeder was niet aanwezig tijdens de zitting. De kinderrechter heeft in het dossier gezien dat de moeder wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] uitgenodigd voor een kindgesprek. [minderjarige] heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en een telefonisch gesprek gevoerd met de kinderrechter in het bijzijn van zijn advocaat. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige]. Dit betekent dat de ouders de belangrijke beslissingen over [minderjarige] gezamenlijk nemen.
[minderjarige] verblijft op een gesloten groep bij Bergse Bos.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft tijdens de zitting van 17 maart 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 30 maart 2027. Dit betekent dat de kinderrechter het belangrijk vindt dat de jeugdbescherming in ieder geval tot 30 maart 2027 bij [minderjarige] betrokken blijft.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft tijdens de zitting van 25 juni 2026 een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 30 september 2026. Dit betekent dat de kinderrechter het belangrijk vindt dat [minderjarige] tot 30 september 2026 op een groep verblijft waar vrijheidsbeperkende maatregelen ingezet kunnen worden als dat nodig is voor de veiligheid van [minderjarige] en zijn omgeving.
3 Het verzoek
De jeugdbescherming verzoekt een trajectmachtiging te verlenen voor de duur van drie maanden, inhoudende een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, gevolgd door een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Dit betekent dat de jeugdbescherming vraagt om toestemming om [minderjarige] nog langer op de gesloten groep te laten verblijven en hem vervolgens over te plaatsen naar een open groep, zonder hiervoor eerst langs de kinderrechter te moeten.
De jeugdbescherming verzoekt ook om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4 De standpunten
De jeugdbescherming blijft tijdens de zitting bij het verzoek zoals dat van tevoren is ingediend en legt verder uit waarom dit verzoek is gedaan. De groep waar [minderjarige] verblijft op Bergse Bos heeft de afgelopen periode veel minder vrijheidsbeperkende maatregelen hoeven inzetten dan voorheen. [minderjarige] heeft hele goede stappen gezet, waardoor een gesloten plaatsing niet veel langer meer nodig is. [minderjarige] kan binnenkort naar Rijnhove waar hij op een open groep zal verblijven. Bij Rijnhove kan [minderjarige] intern naar school en zal hij behandeling krijgen. De overgangsperiode naar Rijnhove kan mogelijk voor spanning zorgen bij [minderjarige]. De jeugdbescherming vindt het daarom belangrijk dat de huidige groep bij Bergse Bos ook in de overgangsperiode de mogelijkheid heeft om vrijheidsbeperkende maatregelen in te zetten als dat noodzakelijk is. Het contact met de ouders van [minderjarige] verloopt stroef. [minderjarige] heeft een onthulling gedaan over de thuissituatie bij de moeder omdat hij zich zorgen maakt om zijn zusjes, waarna de moeder heeft gezegd dat zij voorlopig geen behoefte heeft aan contact. [minderjarige] mist zijn moeder en vraagt veel naar haar. [minderjarige] is één keer bij de vader langs geweest en dit is positief verlopen. In de periode dat [minderjarige] bij Rijnhove gaat verblijven, moet onderzocht worden waar zijn perspectief ligt.
De advocaat van [minderjarige] vertelt tijdens de zitting wat [minderjarige] van het verzoek van de jeugdbescherming vindt. Het is goed dat er de komende periode nog een gesloten machtiging ligt. [minderjarige] heeft het fijn op de groep waar hij nu verblijft en het is belangrijk dat hij op deze groep kan blijven tot de overplaatsing naar Rijnhove. Zonder gesloten machtiging kan het zijn dat [minderjarige] naar een andere groep bij Bergse Bos moet en dat is niet in zijn belang. De advocaat van [minderjarige] ziet ook dat [minderjarige] de afgelopen periode veel vooruitgang heeft geboekt en dat het een stuk beter met hem gaat.
De vader vertelt tijdens de zitting wat hij van het verzoek van de jeugdbescherming vindt. De vader wil niet dat [minderjarige] wordt overgeplaatst. Hij ziet liever dat [minderjarige] de laatste paar maanden op Bergse Bos verblijft. De vader vindt het belangrijk dat [minderjarige] zich ervan bewust is dat hij een vader en een moeder heeft waar hij heen kan. Het is niet nodig dat [minderjarige] tot zijn meerderjarigheid in instellingen verblijft. De vader kan voor nu met tegenzin instemmen met het verzoek, maar wil het liefst dat [minderjarige] zo snel mogelijk bij hem komt wonen.
5 De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.[_bd029929-d594-46a8-8d2d-ab68b6f1f892] De kinderrechter zal hieronder uitleggen waarom zij dit vindt.
[minderjarige] is dertien jaar oud en woont al ruim drie jaar niet meer bij één van zijn ouders. Van 14 januari 2023 tot 2 januari 2024 verbleef [minderjarige] op een gesloten groep bij Bergse Bos. Hierna heeft [minderjarige] een hele periode op een open groep bij Bergse Bos verbleven en sinds 20 januari 2026 verblijft [minderjarige] weer op een gesloten groep bij Bergse Bos. [minderjarige] heeft op deze groep twee begeleiders waar hij een fijne band mee heeft en die hij vertrouwt. De afgelopen periode heeft [minderjarige] positieve stappen gezet en wordt er gezien dat het beter met hem gaat. Het inzetten van vrijheidsbeperkende maatregelen is steeds minder nodig. Door deze vooruitgang kan [minderjarige] binnenkort overgeplaatst worden naar een open groep bij Rijnhove. Dit is een groep waar [minderjarige] behandeling kan krijgen en waar hij zelf ook graag naartoe wil. Het is belangrijk dat [minderjarige] positieve stappen blijft zetten en de overplaatsing naar Rijnhove zorgvuldig verloopt. Hiervoor is het van belang dat [minderjarige] tot de overplaatsing op zijn huidige groep kan verblijven, waar hij vertrouwd is en de stabiliteit en begeleiding krijgt die hij nodig heeft. Om deze plek de komende periode te waarborgen is een gesloten machtiging noodzakelijk. Voor de open groep bij Rijnhove is aansluitend een reguliere machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder nodig.
De kinderrechter zal daarom een trajectmachtiging verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, inhoudende een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van maximaal drie maanden, gevolgd door een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
Dit betekent dat de kinderrechter het belangrijk vindt dat [minderjarige] nog even bij de gesloten groep kan blijven. De kinderrechter vindt het ook belangrijk dat [minderjarige] zodra dat mogelijk is overgeplaatst kan worden naar een open groep.
De kinderrechter zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren zoals verzocht.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verleent een trajectmachtiging, inhoudende een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, gevolgd door een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 23 september 2026 tot 30 maart 2027;
de machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp geldt voor de maximale duur van drie maanden, te weten van 23 september 2026 tot 23 december 2026;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026 door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, in aanwezigheid van mrs. A.L. Bottse en F.W. Marijnen als griffier, en op schrift gesteld op 5 oktober 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Voetnoten
- Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.