Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Rotterdam, 22 september 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14406Zaaknummer C/10/723472 / KG ZA 26-758
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 22 september 2026
- Publicatiedatum
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/10/723472 / KG ZA 26-758
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Kort geding
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Kort geding. Vordering schorsing executie van de tenuitvoerlegging van een notariële akte.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
gebiedt [gedaagde] de tenuitvoerlegging van de grosse van de notariële akte betreffende de Vendor Loan d.d. 6 juni 2025 te staken, tot het moment waarop de tweede aflossingstermijn bedoeld in de Vendor Loan verschuldigd wordt, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 100.000,-, een en ander onder de voorwaarde dat [eiseres] binnen twee maanden na datum van dit vonnis een bodemprocedure als bedoeld in 4.6 aanhangig maakt,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.229,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
| Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.3144/1980 |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/723472 / KG ZA 26-758
Vonnis in kort geding van 22 september 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres],
advocaat: mr. R.M. Gelaudie,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. D.J.J. Folgering.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 20 augustus 2026, met producties 1 tot en met 18 en de aanvullend overgelegde producties 19 tot en met 22
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 4
- de akte wijziging van eis
Op 1 september 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van beide partijen hebben een pleitnota overgelegd. De procedure is daarna enige tijd aangehouden voor minnelijk overleg. Vervolgens hebben partijen vonnis gevraagd.
2 De feiten
[eiseres] heeft van [gedaagde] alle aandelen in de onderneming [bedrijf 1] B.V. gekocht. [bedrijf 1] verricht activiteiten op het gebied van ontwikkeling, productie, beheer en exploitatie van software en websites, alsmede het verlenen van (online) marketingadvies.
De aandelen zijn op basis van een op 11 maart 2025 gesloten koopovereenkomst bij notariële akte geleverd op 6 juni 2025. De totale koopsom van de aandelen bedraagt € 2.770.482,- en is gebaseerd op basis van 4,44 maal de genormaliseerde en geprognosticeerde EBITDA van [bedrijf 1] over 2024.
In de koopovereenkomst is, voor zover van belang, opgenomen:
Artikel 6 Garanties en vrijwaringen
(…)
( k) Alle inlichtingen die redelijkerwijs van belang zijn voor het sluiten van de koopovereenkomst zijn verstrekt.
( l) Verkoper garandeert dat alle debiteurenvorderingen met een ouderdom groter dan 150 dagen per peildatum 31 december 2024 (zoals uiteen gezet in Bijlage 4) courant zijn en uiterlijk 31 december 2025 door de Vennootschap zijn ontvangen. Indien vorderingen per 31 december 2025 niet zijn ontvangen zal Verkoper deze aan de Vennootschap vergoeden.
(…)
Ingeval de Koper de Verkoper terecht aanspreekt op het niet in kunnen staan voor de bij de Overeenkomst verleende en eventueel bij de Levering nog te verlenen garanties en vrijwaringen, zal Koper aanspraak kunnen maken op vergoeding van Schade (als gedefinieerd in Artikel 6.12). De schade wordt slechts vergoed indien zij in totaal een bedrag van € 5.000 te boven gaat.
(…)
Verkoper heeft alle feiten of omstandigheden aan Koper bekend gemaakt, waarvan moet worden aangenomen dat de kennisneming daarvan door Koper van invloed zou kunnen zijn geweest op de bereidheid van Koper om de Aandelen te kopen, de hoogte van de Koopprijs, Garanties of de overige voorwaarden als vervat in deze Overeenkomst.
(…)
Schade als gevolg van Inbreuk of tekortkoming
In geval van een Inbreuk, of een tekortkoming in de nakoming door Verkoper van enige andere verplichting uit hoofde van deze Overeenkomst, zal Verkoper de Schade aan Koper vergoeden.
(…)
De helft van de koopsom (€ 1.385.241,-) is door [gedaagde] aan [eiseres] gefinancierd via een Vendor Loan. De Vendor Loan is op 6 juni 2025 vastgelegd in een notariële akte. Partijen zijn overeengekomen dat de Vendor Loan een looptijd heeft van vijf jaar en dat [eiseres] maandelijks 5% rente (op jaarbasis) verschuldigd is over het uitstaande saldo. Op de lening is conform de overeenkomst een bedrag van € 250.000,- vervroegd afgelost. Op 6 juni 2026 is de eerste reguliere aflossingstermijn opeisbaar geworden.
Op 24 februari 2026 heeft [eiseres] [gedaagde] schriftelijk aansprakelijk gesteld voor door haar geleden schade. [eiseres] heeft daartoe kort gezegd aangegeven dat zij na overname heeft geconstateerd dat de financiële resultaten van [bedrijf 1] over 2024 vertekend zijn door verschillende ongebruikelijke bedrijfspraktijken en facturatiewijzen. [eiseres] stelt in de brief verder dat de koopsom als gevolg van die omstandigheden te hoog is geweest en dat zij daardoor schade lijdt. [eiseres] heeft in deze brief tot slot aangegeven de schade te willen verrekenen met het openstaande deel van de Vendor Loan en aan [gedaagde] verzocht hierover in gesprek te gaan.
[gedaagde] heeft in reactie op de voorgaande brief op 12 maart 2026 aansprakelijkheid van de hand gewezen en aangegeven geen aanleiding te zien in te gaan op het verzoek tot overleg over een schadeberekening.
Op 31 mei 2026 heeft [eiseres] een beroep gedaan op verrekening van een schadebedrag van € 1.615.846,22, althans op een bedrag van 50 % van de oorspronkelijke Vendor Loan.
3 Het geschil
[eiseres] vordert:
I. [gedaagde] te gebieden de tenuitvoerlegging van de grosse van de notariële akte betreffende de Vendor Loan d.d. 6 juni 2025, althans alle op [eiseres] gerichte executoriale maatregelen in verband met de Vendor Loan, te staken, althans te schorsen, totdat in de door [gedaagde] tegen [eiseres] aanhangig te maken bodemprocedure onherroepelijk is beslist over de garantieschendingen en de daaruit voortvloeiende tegenvordering en/of het beroep op verrekening, op straffe van verbeurte van een dwangsom van 1 miljoen euro;
II. althans [gedaagde] te gebieden om de tenuitvoerlegging van de grosse van de notariële akte betreffende de Vendor Loan d.d. 6 juni 2025, althans alle op [eiseres] gerichte executoriale maatregelen in verband met de Vendor Loan, te staken, althans te schorsen, totdat in een bodemprocedure is beslist over de garantieschendingen, de daaruit voortvloeiende tegenvordering en/of het beroep op verrekening, op straffe van verbeurte van een dwangsom van 1 miljoen euro;
III. [gedaagde] te verbieden een verzoek tot faillietverklaring van [eiseres] in (te doen) dienen, voort te zetten of te handhaven, voor zover dat verzoek geheel of gedeeltelijk is gebaseerd op de door [gedaagde] gestelde vorderingen uit hoofde van de Vendor Loan, zolang niet onherroepelijk is beslist in een bodemprocedure over de garantieschendingen, en de daaruit voortvloeiende tegenvordering en/of het beroep op verrekening, op straffe van verbeurte van een dwangsom van 1 miljoen euro;
IV. [gedaagde] te veroordeling in de kosten van de procedure, te vermeerderen met nakosten en de wettelijke rente.
[eiseres] legt aan de vordering het navolgende ten grondslag. De koopprijs van de aandelen in [bedrijf 1] is vastgesteld aan de hand van de financiële resultaten van [bedrijf 1] over 2024. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat de geadministreerde resultaten een verkeerd beeld gaven van de werkelijke omzet en bedrijfsvoering van de onderneming, als gevolg waarvan de omzet en EBITDA van 2024 – en daarmee de koopprijs – kunstmatig zijn verhoogd. Door [eiseres] onjuist en/of onvolledig te informeren is sprake van een schending van de garantiebepalingen in de koopovereenkomst. De te hoge koopsom is schade die op grond van de koopovereenkomst verrekend mag worden met de nog openstaande Vendor Loan. De schade bedraagt ruim 1,6 miljoen euro, waarvan ruim 1,3 miljoen euro (50% van de koopprijs) op grond van artikel 6.11 van de Koopovereenkomst dient te worden vergoed. Door de verrekening is [eiseres] terzake van de Vendor Loan niets meer aan [gedaagde] verschuldigd. De door [gedaagde] aangekondigde executiemaatregelen in verband met de Vendor Loan zijn daarmee onrechtmatig jegens [eiseres] en moeten worden gestaakt.
[gedaagde] voert verweer en voert aan dat artikel 6:136 BW in de weg staat aan het beroep van [eiseres] op verrekening. [gedaagde] betwist de tegenvordering en daarmee is geen sprake van een vordering die op eenvoudige wijze is vast te stellen. [gedaagde] betwist daarnaast de uitkomsten van het onderzoek van [eiseres] en daarmee de stelling dat sprake is geweest van een te hoge koopprijs.
Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
[gedaagde] beschikt over een executoriale titel in de vorm van de grosse van de notariële akte. De Vendor Loan die ten grondslag ligt aan de notariële akte staat op zichzelf niet ter discussie. Dit betekent dat [gedaagde] in beginsel het recht heeft om executiemaatregelen te treffen ter incassering van haar vordering. Dat is anders indien en voor zover aannemelijk is dat een bodemrechter zal oordelen dat de vordering uit hoofde van de Vendor Loan inmiddels teniet is gegaan door verrekening.
De schadevergoedingsvordering die [eiseres] meent te hebben is opgebouwd uit een viertal feitelijke omstandigheden die volgens [eiseres] hebben geleid tot een te hoge EBITDA over 2024 en daarmee tot een te hoge koopprijs.
De eerste omstandigheid betreft het verzenden van creditnota’s aan klanten aan wie de dienstverlening in 2024 feitelijk al was beëindigd, zodat de facturen eigenlijk niet gestuurd hadden mogen worden. De daarmee gemoeide omzet bedraagt volgens het door [eiseres] ingediende rapport € 17.994,29, welk bedrag ten onrechte is meegenomen in de berekening van de EBITDA. [gedaagde] heeft erkend dat gedeeltelijk sprake is van oninbare facturen. Daarover hebben partijen de afspraak gemaakt dat vergoeding van die facturen, gespecificeerd in bijlage 4 bij de Overeenkomst, zal plaatsvinden. Omdat de vergoeding moet worden betaald aan [bedrijf 1] en niet aan [eiseres], is echter geen sprake van wederzijdse schuldeisers, zodat verrekening niet mogelijk, aldus [gedaagde].
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter miskent [gedaagde] hiermee dat de omzet in de facturen ten onrechte hebben meegewogen als omzet over 2024, en daarmee invloed hebben gehad op de koopprijs. Een hogere omzet leidt immers tot een hogere EBITDA en daarmee tot een hogere koopprijs. Nu [gedaagde] de stellingen van [eiseres] over ten onrechte verdisconteerde omzet op zichzelf niet (voldoende concreet) heeft betwist, moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden aangenomen dat in zoverre sprake is van een schending van de garantie dat [gedaagde] als verkoper alle informatie die redelijkerwijs van belang was voor het bepalen van de koopprijs. [gedaagde] is in zoverre dus schadeplichtig geworden jegens [eiseres] als koper. Dat [bedrijf 1] aanspraak kan maken op terugbetaling van de factuurbedragen staat los van de schadevordering van [eiseres]. De schade van [eiseres] kan worden begroot op het bedrag van de ten onrechte in de omzet verwerkte facturen vermenigvuldigd met de multiplier. [gedaagde] heeft verder aangevoerd dat de facturen die niet genoemd zijn in bijlage 4 bij de overeenkomst niet moeten worden meegenomen, zodat hooguit een bedrag van € 8.454,29 (vermenigvuldigd met de multiplier) moet worden meegenomen in de schadeberekening. [eiseres] heeft in reactie op het verweer gewezen op de specificatie in het onderzoeksrapport van Yellow Transactions. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om te concretiseren welke facturen hier volgens haar ten onrechte in zijn opgenomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, gaat de voorzieningenrechter uit van de juistheid van de specificatie van [eiseres]. Dat betekent dat aannemelijk is dat de koopprijs € 17.994,29 * 4,44 = € 79.894,65 hoger is uitgevallen als gevolg van het meenemen van de omzet van deze facturen. Tot dit bedrag is aannemelijk dat (de bodemrechter zal oordelen dat) [eiseres] een vordering tot schadevergoeding op [gedaagde] heeft.
De tweede omstandigheid die volgens [eiseres] heeft geleid tot een kunstmatig verhoogde omzet, betreft de kosten voor ‘linkbuilding’. Uit het in opdracht van [eiseres] door een derde uitgevoerde onderzoek volgt dat de kosten die zijn geboekt in het jaar 2024 aanzienlijk lager waren dan het gemiddelde van de daaraan voorafgaande jaren (ruim 40 duizend euro in 2024 tegenover gemiddeld 115 duizend euro). Volgens [eiseres] volgt hieruit dat [gedaagde] over 2024 – het jaar dat bepalend was voor de koopprijs – zonder deugdelijke reden veel te weinig kosten geboekt, waardoor de EBITDA kunstmatig hoog uitviel. [gedaagde] heeft op dit punt geen steekhoudende verklaring kunnen geven voor de grote afwijking van deze kosten. Zij heeft gesteld dat sprake was van een dalende lijn in de kosten vanwege een in januari 2023 geïntroduceerde nieuwe werkwijze. In reactie hierop heeft [eiseres], met verwijzing naar een accountantsrapport, erop gewezen dat de kosten in 2025 weer rond het gemiddelde niveau van de jaren vóór 2024 zaten. Hierop heeft [gedaagde] niet gereageerd. Op basis van deze informatie moet worden vastgesteld dat de kosten in 2024 eenmalig opvallend laag zijn ten opzichte van de overige jaren. Het had op weg van [gedaagde] gelegen om hiervoor een onderbouwde verklaring te geven, maar dat heeft zij niet gedaan.
De voorzieningenrechter concludeert dat ook op dit punt aannemelijk is dat [gedaagde] de hiervoor bedoelde garantie heeft geschonden en daarmee schadeplichtig is geworden jegens [eiseres]. De hoogte van de op dit punt door [eiseres] geleden schade kan worden begroot op basis van het verschil tussen de te lage linkbuilding-kosten over 2024 en het gemiddelde niveau van die kosten over de voorafgaande jaren. De voorzieningenrechter gaat uit van de berekening die [eiseres] heeft gepresenteerd, omdat de daarin genoemde cijfers op zichzelf niet zijn betwist. Op basis daarvan is aannemelijk dat over 2024 ten onrechte een kostenpost van € 74.838,22 buiten beschouwing is gelagen. Aannemelijk is daarom dat de koopprijs van de aandelen (4,44 * € 74.838,22 =) € 332.281,70 te hoog is vastgesteld. Dit is schade op vergoeding waarvan [eiseres] aanspraak kan maken.
De derde omstandigheid betreft facturen van ‘ [bedrijf 2] ’ (thans [bedrijf 3]) die – kennelijk vanwege een geschil tussen dit bedrijf en [gedaagde] – niet door [gedaagde] waren betaald en evenmin als kosten in de omzet waren opgenomen. [gedaagde] heeft niet bestreden dat deze kosten alsnog voldaan moeten worden, maar heeft aangegeven dat dit geen schade is voor [eiseres] maar hooguit leidt tot een vordering van [bedrijf 1]. Voor deze post geldt hetzelfde als voor de eerste post, namelijk dat de kosten, indien zij wel op juiste wijze in de omzet van 2024 waren meegenomen, de omzet zouden hebben gedrukt waardoor de EBITDA en vervolgens de koopprijs lager zouden zijn geweest. Ook hiervoor geldt dat (aannemelijk is dat) sprake is van een schending van de hier relevante garantie, als gevolg waarvan [gedaagde] schadeplichtig is jegens [eiseres]. Dat resulteert in een aannemelijk gemaakte schadepost van (4,44 * € 5.770,- =) € 25.618,80.
Ten aanzien van de vierde – en grootste – door [eiseres] gestelde schadepost geldt dat gelet op de beperkingen van een kortgedingprocedure niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat sprake is van voor verrekening in aanmerking komende schade. Het betreft een inhoudelijke discussie over de kwaliteit van de door [bedrijf 1] geleverde diensten. Partijen hebben hier allebei een geheel eigen visie op die zonder nadere bewijslevering niet kan worden beslecht. Dat zal in een eventuele bodemprocedure moeten gebeuren. In dit stadium is daarmee onvoldoende aannemelijk dat op dit punt sprake is van kunstmatig verhoogde omzet en daarmee van een te hoge EBITDA over 2024 en van schending van de hiervoor bedoelde garantie door [gedaagde]. Dit heeft tot gevolg dat in zoverre een vordering tot schadevergoeding in dit stadium onvoldoende aannemelijk is.
De conclusie uit het voorgaande is dat aannemelijk is dat [eiseres] een tegenvordering heeft van – afgerond – € 437.800,-. Aannemelijk is dus ook dat de verrekening door [eiseres] tot dit bedrag doel heeft getroffen en dat de vordering uit de Vendor Loan daarmee tot dit bedrag teniet is gegaan.
Hoewel daarmee nog een openstaande Vendor Loan van € 697.441,- resteert, is onduidelijk wat het gevolg is van de verrekening voor de opeisbaarheid van de eerste aflossingstermijn en daarmee voor de executiebevoegdheid van [gedaagde]. Partijen hebben daarover geen standpunt ingenomen. Het in verrekening gebrachte bedrag overstijgt ruimschoots het bedrag dat [eiseres] op 6 juni 2026 betaald zou moeten hebben volgens het in de Vendor Loan opgenomen aflosschema (afgerond € 227.000,-). Beredeneerd kan worden dat [eiseres] door middel van verrekening de eerste aflostermijn heeft voldaan. Zo bezien is [eiseres] op 6 juni 2026 niet in verzuim is geraakt met betaling van enig bedrag. In dat geval valt er voor [gedaagde] op dit moment niets te executeren. Zo lang de schuldenaar zich immers houdt aan de (in de notariële akte opgenomen) voorwaarden voor de geldlening, behoort de schuldeiser af te zien van tenuitvoerlegging van de executoriale titel. De alternatieve uitleg is dat de totaal verschuldigde Vendor Loan door de verrekening lager is geworden, maar nog altijd in vijf gelijke termijnen moest worden afgelost. In dat geval had [eiseres] op 6 juni 2026 wel degelijk een bedrag aan aflossing moeten betalen, hetgeen zij niet heeft gedaan, waardoor de gehele resterende Vendor Loan opeisbaar is geworden.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet de onduidelijkheid in het kader van de belangenafweging voor rekening van [gedaagde] blijven. Daarbij speelt een rol dat als gevolg van de (aannemelijk te achten) verrekening het resterende bedrag van de Vendor Loan per saldo is verminderd met meer dan wanneer [eiseres] niet zou hebben verrekend maar wel de eerste termijn zou hebben betaald. Ook is van belang de aard van het handelen van [gedaagde] dat tot de (aannemelijk te achten) vordering tot schadevergoeding heeft geleid, namelijk het kunstmatig ophogen van de EBITDA zonder de koper daarover te informeren. Aan het belang van [eiseres] bij voorlopige schorsing van de executie, in afwachting van de uitkomst van een te voeren bodemprocedure of te bereiken onderlinge overeenstemming, komt daarom groter gewicht toe dan aan het belang van [gedaagde] bij onmiddellijke executie van de gehele Vendor Loan. Hieraan doet niet af dat de rechter een beroep op verrekening kan passeren als de gegrondheid van dat beroep niet eenvoudig kan worden vastgesteld (artikel 6:136 BW). In dit geval is immers op voorhand aannemelijk te achten dat de verrekening (deels) slaagt. [eiseres] kan in een bodemprocedure vorderen dat dit in rechte wordt vastgesteld. Artikel 6:136 BW speelt dan geen rol. De voorzieningenrechter verwerpt in dit verband ook het betoog van [gedaagde] ter zake de vermeende schending door [eiseres] van haar verplichting uit de koopovereenkomst tot het afgeven van een vermogensinstandhoudings-verklaring. Wat van die verplichting ook zij, deze is niet opgenomen in de notariële akte, zodat aan een mogelijke schending daarvan in het kader van deze procedure niet veel gewicht toekomt.
Aan het voorgaande doet niet af dat de renteverplichting op grond van de Vendor Loan ondanks de verrekening is doorgelopen ten aanzien van het resterende deel van de Vendor Loan, hoewel aangenomen moet worden dat [eiseres] die rente niet meer heeft betaald (omdat zij ten onrechte is uitgegaan van een volledig teniet gaan van de Vendor Loan). [eiseres] zal die rentevergoeding alsnog moeten betalen, maar het feit dat zij dat sinds de verrekeningsverklaring niet heeft gedaan, is onvoldoende om alleen op grond daarvan de executie te mogen doorzetten.
Op grond van het voorgaande is de beslissing dat [gedaagde] de executie moet staken totdat zij uit hoofde van de Vendor Loan (opnieuw) een opeisbare vordering heeft op [eiseres], dat wil zeggen tot het moment waarop de tweede aflossingstermijn verschuldigd wordt. Hierop wordt een dwangsom gesteld die op een lager bedrag wordt bepaald dan gevorderd. Omdat het hier gaat om de schorsing van een executoriale titel vanwege een voorlopig gerechtvaardigd geacht beroep op verrekening door de schuldenaar, vergt het belang van [gedaagde] als schuldeiser dat over die gerechtvaardigdheid in een bodemprocedure zal worden geoordeeld. Uit haar vordering blijkt dat ook [eiseres] dit onderkent. Daarom zal de schorsing van de executie worden uitgesproken onder de voorwaarde dat die bodemprocedure binnen twee maanden na heden aanhangig wordt gemaakt. Het gaat hier om de vraag of [eiseres] een vordering tot schadevergoeding heeft. De stelplicht daarvoor ligt bij haar. Daarom zal zij die bodemprocedure moeten beginnen.
Er is geen rechtsgrond voor toewijzing van de vordering onder III en deze wordt daarom afgewezen.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- dagvaarding € 128,65
| - griffierecht | € | 735,00 | |
| - salaris advocaat | € | 1.177,00 | |
| - nakosten | € | 189,00 | (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 2.229,65 |
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
gebiedt [gedaagde] de tenuitvoerlegging van de grosse van de notariële akte betreffende de Vendor Loan d.d. 6 juni 2025 te staken, tot het moment waarop de tweede aflossingstermijn bedoeld in de Vendor Loan verschuldigd wordt, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 100.000,-, een en ander onder de voorwaarde dat [eiseres] binnen twee maanden na datum van dit vonnis een bodemprocedure als bedoeld in 4.6 aanhangig maakt,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.229,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
| Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.3144/1980 |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.