Uitspraak · Internationaal privaatrecht

Rechtbank Rotterdam, 9 oktober 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:14395Zaaknummer 12153761 CV EXPL 26-7868

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
9 oktober 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
12153761 CV EXPL 26-7868
Rechtsgebied
Civiel recht, Internationaal privaatrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

luchtvaartzaak; toepassing Peskova-arrest

5 De beslissing

De kantonrechter:

 wijst de vordering af;

 veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Vervoerder vastgesteld op € 217,50;

 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

654

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK ROTTERDAM

Locatie Rotterdam

Zaaknummer: 12153761 CV EXPL 26-7868

Uitspraak: 9 oktober 2026

vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

[eiseres],

vestigingsplaats: [vestigingsplaats 1] (Duitsland),

eiseres,

gemachtigde: mr. D.E. Lof,

tegen

[gedaagde],

vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2], gemeente Haarlemmermeer,

gedaagde,

gemachtigden: mr. G.I. Niesert en [gemachtigde].

Partijen worden hierna ‘[eiseres]’ respectievelijk ‘de Vervoerder’ genoemd.

1 Het verloop van de procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

  • de dagvaarding van 24 februari 2026, met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord, met bijlagen;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

2 De feiten

2.1.

Passagier [persoon A] heeft een door de Vervoerder op 20 oktober 2025 uit te voeren vlucht ([kenmerk 1]) geboekt van Barcelona naar Rotterdam (hierna: ‘de vlucht’).

2.2.

De afstand van de vlucht, die om 16.10 uur zou vertrekken en om 18.25 uur zou landen, bedraagt 1.198 kilometer.

2.3.

De Vervoerder heeft de vlucht vertraagd uitgevoerd, waardoor genoemde passagier zijn eindbestemming met een aankomstvertraging van drie uur en vijf minuten heeft bereikt. Hij heeft zijn vordering op de Vervoerder aan [eiseres] gecedeerd.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] heeft geëist:

  • de Vervoerder te veroordelen tot betaling aan haar van € 250,- aan hoofdsom, met rente, en € 37,50 (15%) aan buitengerechtelijke kosten,
  • de Vervoerder te veroordelen in de proceskosten, met rente, en
  • het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.

Zij baseert haar eis op ‘Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91’ (hierna: ‘de Verordening’) en de daaromtrent gevormde jurisprudentie. Zij stelt dat de Vervoerder vanwege de door genoemde passagier ondervonden vertraging gehouden is om hem – en als gevolg van de cessie nu [eiseres] – te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 250,-. Naast de hoofdsom maakt [eiseres] jegens de Vervoerder aanspraak op wettelijke rente en op een vergoeding voor verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden.

3.3.

De Vervoerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat strekt tot afwijzing van de vordering. Op wat zij daartoe naar voren heeft gebracht en op wat [eiseres] verder nog heeft aangevoerd, wordt hierna, voor zover van belang voor de uitkomst, teruggekomen.

4 De beoordeling

4.1.

Nu de Vervoerder de vlucht met een aankomstvertraging van meer dan drie uur heeft uitgevoerd, heeft genoemde passagier – en door de cessie nu [eiseres] – op grond van artikel 5 lid 1 sub c-iii in verbinding met artikel 7 lid 1 sub a van de Verordening en de daaromtrent gevormde jurisprudentie in beginsel recht op een compensatie van € 250,-.

4.2.

In beginsel, nu de Vervoerder niet verplicht is die compensatie te betalen als sprake is van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening. In dat artikellid is bepaald dat een luchtvaartmaatschappij niet verplicht is compensatie te betalen als zij kan aantonen dat de annulering – hier: de langdurige vertraging – het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.

4.3.

Hierbij is uitgangspunt dat stelplicht en bewijslast ten aanzien van de aanwezigheid van buitengewone omstandigheden bij de luchtvaartmaatschappij rusten. Zij moet in het voorkomende geval bovendien aantonen dat zij zelfs met inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen kennelijk niet had kunnen vermijden – behoudens indien zij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming had gebracht – dat de buitengewone omstandigheden waarmee zij werd geconfronteerd, tot annulering of langdurige vertraging van de vlucht leidden.

4.4.

Verder geldt volgens het zogeheten Pešková-arrest van het Europese Hof van Justitie (ECLI:EU:C:2017:342) dat de vertraging als gevolg van buitengewone omstandigheden van de totale vertraging mag worden afgetrokken en dat als de totale vertraging dan uitkomt op minder dan drie uur, de passagier in kwestie geen recht heeft op de onderhavige compensatie voor het door hem ondervonden ongemak, bestaande in tijdverlies.

4.5.

De Vervoerder heeft een beroep gedaan op deze regel en heeft – samengevat – het volgende aangevoerd. Het voor de vlucht bestemde toestel zou direct voorafgaand aan die vlucht een vlucht ([kenmerk 2]) uitvoeren van Amsterdam naar Barcelona. Dat is ook gebeurd, zij het met een aankomstvertraging van twee uur en 59 minuten. Dat toestel is dus geland in Barcelona om 18.19 uur in plaats van 15.20 uur. Die vertraging heeft een aantal oorzaken. Nadat de Vervoerder haar EOBT (Estimated Off Block Time) correct had vastgesteld op de geplande vertrektijd van 13.10 uur, heeft de luchtverkeersleiding haar eerst een slottijd (een specifieke tijd waarop zij mag vertrekken) opgelegd van 13.30 uur en daarna van 13.58 uur, samen dus al 48 minuten. Vervolgens is het toestel om 14.09 uur teruggekeerd naar de gate vanwege een technische storing. De EOBT is toen vastgesteld op 14.45 uur. Nadat het toestel vervolgens om 15.40 uur gereed was om te vertrekken, ontving de Vervoerder om 16.00 uur een slottijd van 16.22 uur met code 81 (capaciteitsproblemen in het luchtruim), met een aanvullende vertraging van 42 minuten tot gevolg. Deze vertraging van in totaal 90 minuten is dus veroorzaakt door opgelegde slotrestricties van de luchtverkeersleiding, wat een buitengewone omstandigheid oplevert. Die buitengewone omstandigheid werkt door op de door de onderhavige passagier geboekte, eerstvolgende vlucht van dit toestel. Genoemde vertragingsduur mag volgens het Pešková-arrest dan worden afgetrokken van de door die passagier ondervonden vertraging zodat minder dan drie uur overblijft. Aldus de Vervoerder.

4.6.

[eiseres] heeft dit standpunt bestreden. Volgens haar veroorzaakte de oorspronkelijk opgelegde slotrestrictie slechts een vertraging van 20 minuten en is de daarna opgelegde slotrestrictie, met een extra vertraging van 28 minuten tot gevolg, het resultaat van een operationele handeling van de Vervoerder. Uit de stellingen van de Vervoerder blijkt dat er daarna sprake is geweest van een technische storing, wat in beginsel geen beroep op een buitengewone omstandigheid rechtvaardigt. [eiseres] is van mening dat de Vervoerder had moeten aantonen dat dezelfde vertrektijd was opgelegd als die storing zich niet voorgedaan had. Nu ontbreekt het causale verband tussen de oorspronkelijk opgelegde restrictie wegens capaciteitsproblemen en de vervolgens opgetreden operationele gebeurtenissen die tot de door deze passagier ondervonden langdurige vertraging hebben geleid.

4.7.

Overwogen wordt dat volgens punt 15 van de considerans bij de Verordening (onder andere) geacht moet worden sprake te zijn van buitengewone omstandigheden als een besluit van het luchtverkeersbeheer voor een specifiek vliegtuig op een specifieke dag voor een langdurige vertraging van een of meer vluchten van dat toestel zorgt. Een buitengewone omstandigheid kan ook doorwerken op latere vluchten van dat toestel als er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen die omstandigheid en de vertraging van de latere vlucht(en).

4.8.

Uit de processtukken begrijpt de kantonrechter dat partijen het erover eens zijn dat de bij de uitvoering van de voorgaande vlucht van Amsterdam naar Barcelona opgelopen (eerste) vertraging van 20 minuten het gevolg is van buitengewone omstandigheden, te weten de beslissing van de luchtverkeersleiding om de slottijd op 13.30 uur (in plaats van 13.10 uur) vast te stellen op een moment dat het toestel al gereed stond voor vertrek. De luchtverkeersleiding heeft daaraan vertragingscode 81 (vertraging door capaciteitsproblemen of drukte in het luchtruim) meegegeven, zo blijkt uit de door de Vervoerder als bijlage 5 overgelegde stukken. Diezelfde code is, zo blijkt uit diezelfde bijlage, meegegeven aan het slotbericht waarbij de slottijd vervolgens vastgesteld werd op 13.58 uur. Uit een en ander kan dan ook de conclusie worden getrokken dat het toestel bij de uitvoering van de direct voorafgaande vlucht een vertraging van 48 minuten heeft opgelopen door buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening, die naar het oordeel van de kantonrechter ook doorwerken op de door de onderhavige passagier geboekte vlucht. Datzelfde geldt voor de vertraging die het toestel na het verhelpen van de technische storing heeft opgelopen. Uit genoemde bijlage 5 blijkt namelijk dat de luchtverkeersleiding om 16.00 uur, nadat het toestel weer gereed gemeld was voor vertrek, een nieuwe slottijd van 16.22 uur heeft opgelegd, met opnieuw vertragingscode 81.

4.9.

Wanneer al deze vertragingstijd onder toepassing van het Pešková-arrest wordt afgetrokken van de door de onderhavige passagier ondervonden aankomstvertraging van drie uur en vijf minuten, resteert een aankomstvertraging van beduidend minder dan drie uur. De vordering inclusief nevenvorderingen wordt daarom afgewezen.

4.10.

[eiseres] is hier de in het ongelijk gestelde partij en daarom moet zij de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van de Vervoerder tot vandaag vast op € 174,- aan gemachtigdensalaris (twee punten à € 87,-) en € 43,50 aan nakosten. Dit is in totaal € 217,50. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend.

4.11.

Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5 De beslissing

De kantonrechter:

 wijst de vordering af;

 veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Vervoerder vastgesteld op € 217,50;

 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

654

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.