Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Rotterdam, 30 september 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:14390Zaaknummer C/10/716738 / HA ZA 26-261

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30 september 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
C/10/716738 / HA ZA 26-261
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Erfrecht. Partijen vragen de rechtbank om de nalatenschap van hun vader te verdelen. De verdeling wordt vastgesteld en de rechtbank beslist op de geschilpunten tussen partijen over de wijze van aanvaarding van de nalatenschap, de rechtmatigheid van een aantal schenkingen, de wijze van vertegenwoordiging door gedaagden en de verzwijging van boedelbestanddelen door gedaagden.

De rechtbank

in conventie en in reconventie

3.1.

stelt de verdeling van de nalatenschap van erflater vast in die zin dat alle bestanddelen (zowel bezit als schuld) van de nalatenschap worden toebedeeld aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2], ieder voor de helft;

3.2.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan [eiseres], wegens overbedeling, te betalen € 1.725,44;

3.3.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Steenderen-Koornneef en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.

3120

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De beoordeling
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/716738 / HA ZA 26-261

Vonnis van 30 september 2026 bij vervroeging

in de zaak van

[eiseres],

woonplaats: [woonplaats 1],

eiseres, verweerster in reconventie,

advocaat: mr. I. Jonker,

tegen

1 [gedaagde 1],

woonplaats: [woonplaats 2],2. [gedaagde 2],

woonplaats: [woonplaats 2],

gedaagde, eisers in reconventie,

advocaat: mr. C. Vrieling.

Partijen worden hierna ‘[eiseres]’, ‘[gedaagde 1]’ en ‘[gedaagde 2]’ genoemd, omdat zij dezelfde achternaam hebben.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 11 maart 2026, met producties;

- de conclusie van antwoord, tevens van eis in reconventie, met producties.

1.2.

Op 27 augustus 2026 is de zaak op zitting met partijen besproken. [eiseres] was daarbij aanwezig, bijgestaan door mr. I. Jonker. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren aanwezig, bijgestaan door mr. C. Vrieling. Als toehoorders waren aanwezig [naam 1] (partner van [eiseres]) en [naam 2] (moeder van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]).

2 De beoordeling

De kern van de zaak

2.1.

Partijen zijn de erfgenamen van [erflater] (hierna: erflater). Zij vragen de rechtbank om de nalatenschap van erflater te verdelen. De rechtbank stelt in dit vonnis de verdeling van de nalatenschap vast en beslist op de geschilpunten tussen partijen over de wijze van aanvaarding van de nalatenschap, de rechtmatigheid van een aantal schenkingen, de wijze van vertegenwoordiging door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en de verzwijging van boedelbestanddelen door [gedaagde 1] en [gedaagde 2].

Wat is er gebeurd?

2.2.

Erflater is op [datum] overleden in Zwijndrecht. Hij woonde voor het laatst in de [naam zorginstelling] in Zwijndrecht na een gedwongen opname. Erflater heeft vier kinderen achtergelaten: [gedaagde 1], [gedaagde 2], [eiseres] en [naam 3] (hierna: [naam 3]).

2.3.

Erflater heeft in zijn testament van 2 april 2020 [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [eiseres] tezamen en voor gelijke delen tot zijn erfgenamen benoemd. [naam 3] is door erflater impliciet onterfd. Hij heeft een legaat gekregen ter grootte van de helft van het erfdeel dat hij gekregen zou hebben als erflater geen testament had gemaakt. Dit komt neer op een legaat ter grootte van zijn legitieme portie. Erflater heeft voorts [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot executeurs benoemd. Zij hebben deze benoeming aanvaard.

2.4.

[gedaagde 1], [gedaagde 2] en [eiseres] hebben op respectievelijk 15 november 2024, 9 januari 2025 en 12 maart 2025 de nalatenschap van erflater beneficiair aanvaard. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben geen ruimschoots voldoende verklaring afgelegd, zodat hun taak als executeur is geëindigd.

2.5.

Op 2 april 2020 heeft erflater een levenstestament laten opstellen. Hij heeft hierin aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een algemene volmacht gegeven om hem te vertegenwoordigen.

De eis van [eiseres]

2.6.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de nalatenschap van erflater zuiver hebben aanvaard, doordat zij na het overlijden van erflater handelingen hebben verricht die tot zuivere aanvaarding leiden. Daarnaast is [eiseres] van mening dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in strijd hebben gehandeld met het levenstestament dan wel onrechtmatig hebben gehandeld jegens erflater door het doen van schenkingen in strijd met het levenstestament en door na te laten in te grijpen in de financiële situatie van erflater. Volgens [eiseres] hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook hun aandeel in een drietal bestanddelen van de nalatenschap verbeurd, omdat zij bekend waren met deze bestanddelen, maar deze voor [eiseres] hebben verzwegen. [eiseres] wil dat de nalatenschap van erflater verdeeld wordt, rekening houdend met de bedragen die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan de nalatenschap verschuldigd zijn en met de verzwegen bedragen.

2.7.

Tegen deze achtergrond eist [eiseres], na eisvermindering ter zitting, dat:

  • voor recht wordt verklaard dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in strijd met het levenstestament hebben gehandeld dan wel onrechtmatig hebben gehandeld jegens erflater, met als gevolg dat zij een bedrag van € 33.776,30 zijn verschuldigd aan de nalatenschap, althans een bedrag van € 10.418,-, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag;
  • voor recht te verklaren dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een bedrag van totaal € 2.304,26 hebben verzwegen met als gevolg dat zij op grond van artikel 3:194 lid 2 BW hun aandeel in voornoemd bedrag hebben verbeurd;
  • voor recht te verklaren dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de nalatenschap van erflater zuiver hebben aanvaard en [eiseres] de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard;
  • de aan [eiseres] toekomende erfrechtelijke verkrijging vast te stellen op een bedrag van € 13.121,20 en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen om de erfrechtelijke verkrijging aan [eiseres] te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente;
  • [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten;
  • het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De reactie van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en de eis in reconventie

2.8.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat zij in strijd hebben gehandeld met het levenstestament of onrechtmatig hebben gehandeld jegens erflater, ook betwisten zij dat zij bedragen hebben verzwegen en de nalatenschap zuiver hebben aanvaard.

2.9.

In reconventie eisen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat de verdeling van de nalatenschap wordt vastgesteld door voor recht te verklaren dat het erfdeel per erfgenaam zal worden vastgesteld op € 1.725,44 en te bepalen dat zij hoofdelijk worden veroordeeld dit bedrag aan [eiseres] te voldoen. Ook eisen zij dat voor recht wordt verklaard dat [eiseres] de nalatenschap van erflater zuiver heeft aanvaard en dat [eiseres] wordt veroordeeld in de proceskosten. Tevens vorderen ze dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de nalatenschap niet zuiver aanvaard

2.10.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de nalatenschap niet zuiver hebben aanvaard, omdat zij de door [eiseres] beschreven handelingen als executeurs hebben verricht. Dit wordt hierna toegelicht.

2.11.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in het testament van erflater tot executeurs benoemd. Dit is door [eiseres] niet betwist. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben zij in die hoedanigheid de ABN AMRO-rekening van erflater opgeheven ter voorkoming van bankkosten. Uit wat [eiseres] heeft aangevoerd volgt niet dat dit onjuist is. Het opheffen van de bankrekening kan daarom niet als daad van zuivere aanvaarding worden aangemerkt. Als gevolg van het opheffen van de bankrekening is het restantsaldo aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] overgemaakt en is later de rente aan [gedaagde 1] overgemaakt omdat zijn bankrekening als tegenrekening was opgegeven. [eiseres] stelt niet dat het restantsaldo en de betaalde rente vervolgens door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan het verhaal van de schuldeisers is onttrokken en niet apart is gehouden om de schulden van de nalatenschap te voldoen. Deze handelingen kunnen daarom niet als daad van zuivere aanvaarding worden aangemerkt.

2.12.

Het opmaken van de boedelbeschrijving behoort daarnaast ook tot de taak van de executeurs. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de boedelbeschrijving op 7 november 2024 aan [eiseres] verzonden, toen zij nog executeurs waren. Het opmaken van de boedelbeschrijving kan daarom niet als daad van zuivere aanvaarding worden aangemerkt. Daarbij merkt de rechtbank op dat het ondoordacht is geweest van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om alle bestanddelen in de boedelbeschrijving op nihil te zetten, maar dat zij in de correspondentie wel duidelijk hebben aangegeven dat het een boedelbeschrijving was onder voorbehoud van wijzigingen. Ook volgt uit de overgelegde correspondentie dat zij deze boedelbeschrijving onder enige druk van [eiseres] snel hebben opgemaakt. Hierdoor en omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen professionele executeurs zijn, hebben zij er waarschijnlijk niet goed over nagedacht wat een boedelbeschrijving precies moet inhouden. Dit betekent echter niet dat geoordeeld moet worden dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hierdoor de nalatenschap zuiver hebben aanvaard.

2.13.

[eiseres] heeft voorts onvoldoende toegelicht waarom het zonder enig voorbehoud zich presenteren als executeurs in reactie op haar informatieverzoeken tot een daad van zuivere aanvaarding leidt. Daaruit volgt niet dat zij overeenkomsten zijn aangegaan strekkende tot vervreemding of bezwaring van goederen van de nalatenschap of deze op andere wijze aan het verhaal van schuldeisers hebben onttrokken.

2.14.

De conclusie is dus dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de nalatenschap van erflater niet zuiver hebben aanvaard, maar dat zij de nalatenschap hebben aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving. De door [eiseres] gevorderde verklaring voor recht wordt daarom afgewezen.

[eiseres] heeft de nalatenschap niet zuiver aanvaard

2.15.

[eiseres] heeft de nalatenschap van erflater ook aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden niet gevolgd in hun standpunt dat [eiseres] de nalatenschap van erflater zuiver heeft aanvaard, omdat zij informatie heeft opgevraagd. Het enkel opvragen van informatie is geen daad van zuivere aanvaarding, omdat dit geen beschikkingshandeling is. De door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gevorderde verklaring voor recht wordt daarom afgewezen.

2.16.

De rechtbank ziet voorts geen belang om voor recht te verklaren dat [eiseres] de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, wat zij eist, omdat deze keuze al in het boedelregister is geregistreerd.

Er is geen sprake van handelen in strijd met het levenstestament of onrechtmatig handelen

2.17.

Volgens [eiseres] hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in strijd gehandeld met het levenstestament dan wel onrechtmatig gehandeld jegens erflater door het doen van schenkingen in strijd met het levenstestament en door na te laten in te grijpen in de financiële situatie van erflater. De rechtbank ziet dat anders. De door [eiseres] gevorderde verklaring van recht die hierop ziet wordt daarom afgewezen. Hieronder wordt toegelicht waarom.

Schenkingen

2.18.

Op grond van het levenstestament waren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als gevolmachtigde van erflater bevoegd om giften te doen aan de kinderen en de kleinkinderen van erflater als dat met het oog op onder meer belastingbesparing gunstig is. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben namens erflater in 2023 de volgende schenkingen gedaan:

aan bedrag datum

  • [eiseres] € 5.000,- 30 december 2023
  • [naam 2] € 2.418,- 21 november 2023
  • kleinkinderen € 8.000,- 30 december 2023 (4 x € 2.000,-)
2.19.

Hoewel [eiseres] gevolgd kan worden in haar stelling dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op grond van het levenstestament niet bevoegd waren om aan [naam 2] te schenken, omdat zij geen kind of kleinkind is, kan [eiseres] niet gevolgd worden in haar standpunt dat de schenking onrechtmatig is. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben namelijk toegelicht dat zij niet op grond van de volmacht, maar op verzoek van erflater de schenking aan [naam 2] hebben gedaan, omdat hij haar wilde bedanken voor al haar hulp. Dat erflater dat aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft gevraagd is door [eiseres] onvoldoende betwist. Ook is door haar niet betwist dat [naam 2] veel heeft gedaan voor erflater in de laatste vier jaar van zijn leven, zoals het wekelijks bezoeken van erflater, het drinken van koffie met hem, het doen van boodschappen met hem en het doen van huishoudelijke taken. Gelet hierop was er een onderliggende reden voor de schenking aan [naam 2] en dus geen noodzaak voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om in te grijpen. Van handelen in strijd met het levenstestament of onrechtmatig handelen is daarom niet gebleken.

2.20.

Ditzelfde geldt voor de schenking aan de kleinkinderen. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is de schenking aan de kleinkinderen op verzoek van erflater gedaan. Dit is door [eiseres] onvoldoende betwist. [eiseres] heeft de op dezelfde dag aan haar gedane schenking ook niet betwist. Bovendien mochten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op grond van het levenstestament schenkingen doen met het oog op een belastingbesparing. In het levenstestament staat echter niet aan welke zijde de belasting bespaard moet worden. Onbetwist is dat er sprake was van belastingvrije schenkingen aan de kleinkinderen en zij daarover geen belasting hoefden te betalen, zodat van een belastingbesparing weldegelijk sprake is. Gelet hierop kan niet geoordeeld worden dat de schenkingen aan de kleinkinderen onrechtmatig of in strijd met het levenstestament zijn gedaan.

2.21.

Omdat er wat betreft de schenkingen geen sprake is van wanprestatie of onrechtmatig handelen door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] richting erflater, wordt de gevorderde verklaring voor recht, voor zover die op de schenkingen ziet, afgewezen. Dit betekent dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet het bedrag van € 10.418,- hoeven terug te betalen aan de nalatenschap.

Nalaten in te grijpen in de financiële situatie

2.22.

Volgens [eiseres] hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in strijd gehandeld met het levenstestament, dan wel onrechtmatig gehandeld jegens erflater, door niet in te grijpen in de financiële situatie van erflater, terwijl hij buitensporig veel geld uitgaf, bewezen niet in staat was in zijn financiële belangen te voorzien en een excessief uitgavenpatroon hanteerde hetgeen resulteerde in een dermate snelle afname van zijn vermogen dat er nauwelijks vermogen resteerde.

2.23.

[eiseres] stelt daartoe dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich in hun hoedanigheid van gevolmachtigden op grond van het levenstestament niet als een goed vertegenwoordiger hebben gedragen, omdat het vermogen van erflater in 2023 met een bedrag van € 23.358,30 is ingeteerd naast de gebruikelijke uitgaven zonder sluitende verklaring. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wisten volgens [eiseres] dat de mentale staat van erflater in 2023 sterk achteruitging, maar hebben niet ingegrepen. Hierdoor moeten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] volgens [eiseres] een bedrag van € 23.358,30 terugbetalen aan de nalatenschap van erflater. Tijdens de zitting heeft [eiseres] het standpunt ingenomen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] inmiddels een bedrag van € 3.768,69 verklaard hebben, waardoor nog een bedrag van € 19.589,31 onverklaard is. De rechtbank kan [eiseres] hierin niet volgen. Hierna wordt toegelicht waarom niet.

2.24.

De rechtbank merkt als eerste op dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet worden gevolgd in hun standpunt dat zij pas per november 2023 gebruik hebben gemaakt van de volmacht, want uit de overgelegde WhatsApp-berichten volgt dat zij de bankrekening van erflater in de gaten hielden en deze aanvulden vanaf de spaarrekening. Zij hebben gelet hierop dus al eerder gebruik gemaakt van de volmacht. Dit betekent echter niet dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook de volledige controle hadden over de financiën van erflater. Door [eiseres] is namelijk niet betwist dat erflater een eigen bankpas had en nog graag, met onder andere de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geregelde mantelzorgverleners, op pad ging naar winkels en restaurants. Erflater betaalde dan zelf voor deze uitjes en trakteerde wie met hem meeging.

2.25.

Het door [eiseres] geschetste excessieve uitgavenpatroon van erflater vanaf het jaar 2023 tot en met het overlijden van erflater is door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voldoende verklaard en weersproken. [eiseres] heeft het door haar berekende bedrag van € 19.589,31 aan verteerd saldo zonder sluitende verklaring berekend door terug te rekenen vanaf het banksaldo op 1 januari 2025. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben echter verklaard dat in 2023 een inkomstenpost van € 9.000,- aan lijfrente wegviel en er in 2023 extra grote uitgaven zijn gedaan ten opzichte van andere jaren. Dit waren de hiervoor genoemde schenkingen van € 15.418,-, een aanslag van de belastingdienst van € 5.702,-, verhuiskosten van € 2.712,51, kosten voor een hoortoestel van € 1.010,22 en kosten voor een Ikea stoel voor € 558,99. Daarboven op kwamen nog de andere uitgaven van erflater voor uitjes en boodschappen. Onbetwist is door [eiseres] dat erflater tot zijn gedwongen opname in november 2023 vrij was om te gaan en staan waar hij wilde, zelf een betaalpas had en dus zelf zijn geld kon uitgeven. Ook heeft [eiseres] ter zitting verklaard dat zij het door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van erflater geschetste beeld, namelijk dat hij vasthoudend en eigenzinnig was en gemakkelijk geld uitgaf, herkent. In 2023 is er voorts nog een andere grote uitgavenpost geweest, want erflater heeft geld uitgegeven aan een gezamenlijke reis naar Spanje en gezamenlijke etentjes met [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Dat erflater deze kosten volledig betaalde, is gelet op de vader-zoonverhouding niet onredelijk. [eiseres] heeft onvoldoende onderbouwd dat dit niet de wens van erflater was. Daarnaast hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de door hen gegeven rekening en verantwoording ook toegelicht dat er kosten zijn gemaakt voor nieuwe kleding voor erflater, omdat hij enkele maanden nadat hij was opgenomen in Swinhove veel was afgevallen en bovendien regelmatig zijn ontlasting liet lopen. Hierdoor was er meer nieuwe kleding nodig dan gebruikelijk. Als alles bij elkaar wordt genomen, dan is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een excessief uitgaven patroon en onverklaarbare intering op het vermogen geweest.

2.26.

Nu er geen sprake is geweest van een excessief uitgavenpatroon hoefden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook niet in te grijpen. Daarnaast volgt uit de toelichting van [eiseres] niet dat de mentale gezondheid van erflater zodanig achteruit was gegaan dat hij in heel 2023 zijn financiën niet meer kon overzien. Uit de overgelegde WhatsApp-berichten volgt weliswaar dat erflater in de war was en niet goed wist wat hij deed met zijn geld, maar volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren dit zeldzame excessen. Erflater beschikte immers nog over een betaalpas en deed zelf boodschappen en betalingen. Er was daarom geen reden voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om eerder in te grijpen. Overigens blijkt uit de toelichting van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat zij er juist van alles aan hebben gedaan om ervoor te zorgen dat erflater het leven kon leiden dat hij wilde, maar dat zij er ook voor waakten dat er voldoende geld over bleef om van te leven en om de uitvaart van te betalen. Ze hebben onder andere zijn pinlimiet verlaagd, zorgden ervoor dat er niet te veel geld op zijn betaalrekening stond en ze spraken erflater aan op zijn uitgaven.

2.27.

Gelet op wat hiervoor is overwogen kan niet geoordeeld worden dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] erflater niet goed hebben vertegenwoordigd, want erflater kon tijdens de laatste fase van zijn leven nog, voor zover dat mogelijk was, het leven leiden dat hij wilde. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben zoveel mogelijk geprobeerd de autonomie van erflater in stand te houden. Dat dit tot gevolg heeft dat er voor de erfgenamen weinig over is na de betaling van de uitvaartkosten, betekent niet dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich niet als goed vertegenwoordiger hebben gedragen. Zij vertegenwoordigden immers erflater en niet zijn erfgenamen. Dat erflater voorts [eiseres] niet hetzelfde behandelde als [gedaagde 1] en [gedaagde 2], kan nu niet meer worden goed gemaakt. Gelet op het voorgaande is er dus geen grond om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen een bedrag van € 19.589,31 te betalen aan de nalatenschap van erflater.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben niet een bedrag van € 2.304,26 verzwegen

2.28.

[eiseres] vordert voorts een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun aandelen in de volgende bestanddelen hebben verbeurd (artikel 3:194 lid 2 BW):

- het restant van de overboeking van de betaalrekening na aftrek van de uitvaartkosten (€ 776,34);

- de teruggegeven borg huurwoning (€ 1.180,-);

- het restant van de ABN AMRO-rekening erflater (€ 347,92).

2.29.

Op grond van artikel 3:194 lid 2 BW verbeurt een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten.

2.30.

Onvoldoende is echter komen vast te staan dat sprake is geweest van verzwijging, laat staan van opzettelijke verzwijging met het oogmerk om [eiseres] te benadelen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben weliswaar in eerste instantie alle posten in de boedelbeschrijving op nihil gezet, maar zij hebben voldoende toegelicht waarom zij dat gedaan hebben. Zij waren immers in de veronderstelling dat de nalatenschap na het betalen van de uitvaartkosten nihil zou zijn. Wel hebben zij aangegeven dat sprake was van een voorlopige boedelbeschrijving, zodat deze nog kon worden aangepast. Later, toen ze alles op een rijtje hadden, hebben zij openheid van zaken gegeven aan [eiseres] en haar geïnformeerd over de stand van de nalatenschap. Niet geoordeeld kan daarom worden dat sprake is geweest van opzettelijke verzwijging. Wat de teruggegeven borg betreft merkt de rechtbank bovendien nog op dat pas bekend was dat de borg zou worden teruggegeven nadat een deurklink gemaakt was, wat volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] maanden heeft geduurd. Gelet op deze onduidelijkheid hadden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoogstens de borg als pm-post kunnen opnemen in de boedelbeschrijving. Dat ze dat niet gedaan hebben is onvoldoende om van verzwijging te kunnen spreken. Dit betekent dat de door [eiseres] gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen en bij de verdeling geen rekening hoeft te worden gehouden met verbeurde bestanddelen.

Verdeling

2.31.

Partijen willen dat nalatenschap door de rechtbank wordt verdeeld. Zij hebben ieder de hoogte van de te verdelen nalatenschap berekend. Zoals hiervoor is uiteengezet, kan [eiseres] niet worden gevolgd in haar stelling dat het saldo van de nalatenschap ongeveer € 40.000,- bedraagt, omdat de nalatenschap geen vordering op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bevat en omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen bestanddelen hebben verzwegen. Ook heeft [eiseres], gelet op de betwisting door [gedaagde 1] en [gedaagde 2], onvoldoende toegelicht waarom zij rekent met een bedrag van € 776,34 aan ‘overgebleven saldo na aftrek uitvaartkosten’. De rechtbank zal daarom uitgaan van de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gemaakte berekening van de hoogte van de te verdelen nalatenschap (randnummer 45 van de conclusie van antwoord). Dit betekent dat een bedrag van € 5.176,33 verdeeld moet worden. Omdat partijen het erover eens zijn dat een bedrag van € 1.200,- gereserveerd moet worden voor de grafsteen, is met dat bedrag bij de verdeling geen rekening gehouden. Ditzelfde geldt voor het legaat van [naam 3].

2.32.

[eiseres] heeft voorgesteld om alle bestanddelen (zowel bezit als schuld) van de nalatenschap aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2], ieder voor de helft, toe te delen en hen te veroordelen de waarde van de overbedeling aan haar te vergoeden. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn het met deze wijze van verdeling eens. De rechtbank zal daarom alle bestanddelen van de nalatenschap aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] toebedelen en hen veroordelen om hoofdelijk een bedrag van € 1.725,44 ten titel van overbedeling aan [eiseres] te voldoen. De hierover gevorderde wettelijke rente wordt afgewezen, omdat [eiseres] niet heeft onderbouwd op grond waarvan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] deze aan haar verschuldigd zijn.

De proceskosten worden gecompenseerd

2.33.

Gelet op de relatie tussen partijen worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad

2.34.

Dit vonnis wordt, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv). Dit betekent dat wanneer het geschil ook nog aan een hogere rechter wordt voorgelegd, in afwachting van die uitspraak voorlopig toch al naleving van dit vonnis kan worden afgedwongen door de partij die in het gelijk is gesteld, zij het op eigen risico (de hogere rechter kan anders oordelen).

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

3.1.

stelt de verdeling van de nalatenschap van erflater vast in die zin dat alle bestanddelen (zowel bezit als schuld) van de nalatenschap worden toebedeeld aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2], ieder voor de helft;

3.2.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan [eiseres], wegens overbedeling, te betalen € 1.725,44;

3.3.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Steenderen-Koornneef en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.

3120

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.