Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Rotterdam, 9 september 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14387Zaaknummer C/10/695160 / HA ZA 25-192 (eindvonnis)
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 9 september 2026
- Publicatiedatum
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/10/695160 / HA ZA 25-192 (eindvonnis)
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Erfrecht. Bewijsopdracht. Gedaagde (een Spaanse vennootschap) is in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat bij de overdracht van een drietal woningen aan haar sprake is geweest van een rechtsgeldige Aportación de Socios en dat dat betekent dat geen sprake is van een schuld aan de aandeelhouders c.q. een vorderingsrecht van de nalatenschappen op gedaagde. Gedaagde is niet geslaagd in het eerste deel van de bewijsopdracht. Er is dus een schuld van gedaagde aan de nalatenschappen van de overledenen.
De rechtbank
stelt de hoogte van de vordering van de nalatenschappen van vader en moeder op [gedaagde] vast op € 736.500,- te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 19 maart 2024 tot aan de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt [gedaagde] om binnen zes maanden na de datum van dit vonnis het onder 3.1 genoemde bedrag met rente aan de nalatenschappen van vader en moeder betalen door het verlenen van alle benodigde medewerking aan uitbetaling op een door de vereffenaars op te geven bankrekening van het in depot gegeven bedrag van € 600.000,-, verminderd met de depotkosten, en door het restant bedrag vervolgens te betalen door overboeking op een door de vereffenaars opgegeven bankrekening;
veroordeelt [gedaagde] in de beslag- en proceskosten van € 19.985,36, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de beslag- en proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
| Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Steenderen-Koornneef en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026. 3120 |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Team Handel en Haven
Zaaknummer: C/10/695160 / HA ZA 25-192
Vonnis van 9 september 2026
in de zaak van
[eiseres 1] en [eiseres 2], in hun hoedanigheid van vereffenaars in de nalatenschappen van [naam 1] en [naam 2],
kantoorhoudende te Delft,
eiseressen,
advocaat: mr. J.H. Rodenburg,
tegen
de vennootschap naar Spaans recht
[gedaagde],
gevestigd te Tenerife (Spanje),
gedaagde,
advocaat: mr. R.J.M.H. Orgel.
Partijen worden hierna ‘de vereffenaars’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1 Het verdere verloop van de procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van 11 februari 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- de akte uitlating en overleggen producties van [gedaagde];
- de akte houdende toevoeging vereffenaar van de vereffenaars;
- de akte houdende antwoord op akte uitlating en overlegging stukken, tevens akte houdende overlegging producties van de vereffenaars; - de antwoordakte van [gedaagde], met producties;
- de akte houdende uitlating producties van de vereffenaars.
2 De verdere beoordeling
In deze zaak staat centraal of tot de nalatenschappen van [naam 1], overleden op [datum 1] (hierna: moeder), en [naam 2], overleden [datum 2] (hierna: vader), een vordering op [gedaagde] behoort. [gedaagde] is een Spaanse vennootschap die in 1996 is opgericht door vader en moeder. De aandelen in de onderneming zijn inmiddels volledig overgedragen aan hun twee kleinkinderen.
Wat in het vonnis van 11 februari 2026 (hierna: het tussenvonnis) is overwogen en beslist wordt hier overgenomen. [gedaagde] is in dat tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat bij de overdracht van de drie (in Nederland gelegen) woningen door vader en moeder aan [gedaagde] sprake is geweest van een rechtsgeldige Aportación de Socios (hierna: AdS) en dat dat betekent dat geen sprake is van een schuld aan de aandeelhouders c.q. een vorderingsrecht van de nalatenschappen op [gedaagde]. Een AdS is een Spaanse rechtsfiguur, waarbij aandeelhouders financiële middelen inbrengen in een onderneming die vervolgens worden opgenomen in het eigen vermogen van de onderneming. Volgens [gedaagde] staat daar geen schuld c.q. vorderingsrecht tegenover.
[gedaagde] heeft ter voldoening aan de bewijsopdracht gewezen op de verklaring van de voormalige boekhouder van [gedaagde]. Daarnaast heeft [gedaagde] gewezen op de jaarrekening 2023 waarin de AdS is opgenomen. [gedaagde] heeft ook een deskundigenverklaring overgelegd van [naam 3] (fiscaal jurist Nederland-Spanje en werkzaam bij Doorakkers international tax law) en een fiscale opinie van [naam 4] (fiscaal jurist bij Civra). Bij de aanvullende antwoordakte heeft [gedaagde] een aanvullende deskundigenverklaring overgelegd van [naam 3] en een aanvullende verklaring van de voormalige boekhouder.
De vereffenaars stellen zich op het standpunt dat [gedaagde] niet is geslaagd in de bewijsopdracht en hebben ter onderbouwing van hun standpunt een nota overgelegd die is opgesteld door [naam 5] (advocaat bij Tulp Abogados te Madrid).
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] niet is geslaagd in het eerste deel van de bewijsopdracht. [gedaagde] is er niet in geslaagd te bewijzen dat ten tijde van de overdracht van de woningen, dus in 2006 en 2007, sprake is geweest van een (rechtsgeldige) AdS. Hieronder wordt toegelicht hoe tot dit oordeel is gekomen.
Uit de (ongedateerde) verklaringen van de voormalig boekhouder van [gedaagde] (producties 5, 6 en 20) volgt alleen dat de AdS volgens de boekhouder naar behoren is geregistreerd in Spanje en dat alles tijdig is ingediend bij de belastingdienst en het handelsregister, maar uit de verklaring volgt niet dat ten tijde van de overdracht gebruik is gemaakt van een AdS. Bovendien ontbreken bij de verklaring ook stukken ter onderbouwing van de verklaring van de boekhouder. De aanvullende verklaring van de voormalig boekhouder die als productie 26 is overgelegd door [gedaagde], leidt niet tot een ander oordeel, omdat de voormalig boekhouder daarin alleen verklaart dat hij van vader seinerzeit heeft gehoord dat hij de woningen heeft ingebracht in [gedaagde]. Onderliggende stukken waaruit volgt dat de inbreng ten tijde van de overdracht van de woningen in 2006 en 2007 heeft plaatsgevonden ontbreken echter.
Dat in de jaarrekening 2023 een AdS is opgenomen onderbouwt niet dat bij de overdracht sprake was van een rechtsgeldige AdS. In haar antwoordakte heeft [gedaagde] gewezen op de jaarrekening van het jaar 2011, maar daaruit volgt ook niet dat ten tijde van de overdracht van de woningen in 2006 en 2007 sprake was van een AdS. Eerdere Spaanse jaarrekeningen zijn niet overgelegd. Als [gedaagde] deze niet meer heeft, komt dat voor haar rekening en risico.
De door [gedaagde] overgelegde deskundigenverklaring en aanvullende deskundigenverklaring van [naam 3] onderbouwen ook onvoldoende het bestaan van een AdS ten tijde van de overdracht van de woningen. In de eerste deskundigenverklaring wordt door [naam 3] toegelicht hoe één en ander in Spanje is geregeld, maar uit het overzicht van de stukken waarop hij zich heeft gebaseerd volgt dat hij alleen gebruik heeft gemaakt van de jaarstukken uit 2023 en de hiervoor vermelde, niet met stukken onderbouwde, verklaring van de voormalige boekhouder van [gedaagde]. [naam 3] licht vervolgens niet toe, waaruit volgt dat bij [gedaagde] bij de overdracht van de woningen in 2006 en 2007 sprake is van een rechtsgeldige AdS.
Ook in de aanvullende deskundigenverklaring die als productie 25 is overgelegd door [gedaagde] ontbreekt deze toelichting. In deze verklaring gaat [naam 3] nog uitgebreider in op het wettelijk kader en hoe één en ander in Spanje is geregeld, maar in zijn verklaring mist een concrete toelichting waaruit volgt dat ten tijde van de overdracht van de woningen gebruik is gemaakt van een AdS. Spaanse stukken die dateren van ten tijde van de overdracht ontbreken immers en [naam 3] heeft zich alleen gebaseerd op latere Spaanse jaarstukken vanaf 2011 waarin een AdS is opgenomen. Deze onderbouwen niet een AdS ten tijde van de overdracht in 2006 en 2007, omdat hierin niet is opgenomen per wanneer sprake is van een AdS.
De fiscale opinie van de heer [naam 4] is voorts opgesteld met als aanname dat er sprake is geweest van een rechtsgeldige AdS (voetnoot 3 van de opinie). Deze opinie kan daarom niet als bewijs dienen van een rechtsgeldige AdS. Gelet hierop kan geen waarde worden gehecht aan zijn standpunt dat het feit dat in de Nederlandse jaarrekening de post wel is opgenomen, geen aanwijzing is voor het bestaan van een civielrechtelijke verhouding.
Gelet op het voorgaande is [gedaagde] met de door haar overgelegde stukken en toelichting er niet in geslaagd te bewijzen dat tijde van de overdracht van de drie (in Nederland gelegen) woningen door vader en moeder aan [gedaagde] sprake is geweest van een rechtsgeldige AdS. Daarbij heeft de rechtbank het volgende meegewogen.
In de Nederlandse jaarstukken is de vordering wel opgenomen vanaf de jaren 2006 en 2007. Dit zijn weliswaar geconsolideerde jaarstukken en niet de volledige jaarrekeningen, maar deze stukken zouden daarom juist een samenvatting moeten bevatten van de Spaanse jaarstukken en niet hiermee tegenstrijdig moeten zijn. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd waarom – vanwege het ontbreken van de rechtsfiguur van een AdS in de Nederlandse wetgeving – een vordering is opgenomen in de Nederlandse jaarstukken, terwijl [gedaagde] zich juist op het standpunt stelt dat de nalatenschappen van vader en moeder geen vordering op haar hebben.
De vereffenaars hebben daarnaast erop gewezen, onder verwijzing naar de nota van [naam 5], dat in de Nederlandse jaarstukken nadrukkelijk staat “bijgeleend in 2007” en dat het bijgeleende bedrag overeenkomt met de waarde van de woningen vermeerderd met kosten. Ook hebben zij erop gewezen dat in de koopakte expliciet de term ‘rekening-courant’ is gehanteerd en dat deze kwalificatie aansluit bij de jaarrekening, waarin de bedragen zijn opgenomen onder de rekening-courantverhouding met aandeelhouders, waarbij deze bovendien onder vermelding van de familienaam zijn gespecificeerd. [gedaagde] heeft onvoldoende hierop gereageerd en toegelicht waarom desondanks geen sprake is van een vorderingsrecht van vader en moeder op [gedaagde].
Volgens [naam 5] had daarnaast, als sprake was geweest van een AdS, een eventuele waardestijging van de onderliggende activa (met name het onroerend goed) tot uitdrukking moeten komen in de waarde van de aandelen. Daar is volgens [naam 5] echter geen sprake van geweest, want de aandelen van [gedaagde] zijn in 2014 voor hetzelfde bedrag verkocht als in 2008. Dit wijst er eerder op dat de schuld nog bestaat, dan dat sprake is geweest van een AdS. [gedaagde] heeft in haar antwoordakte hier niet op gereageerd.
Het is voorts opmerkelijk dat, hoewel dit misschien niet vereist is, een expliciet of impliciet besluit van aandeelhouders/schuldeisers van omzetting van de schuld naar eigen vermogen ontbreekt. Het gaat immers om een aanzienlijk bedrag dat als eigen vermogen in de vennootschap is ingebracht. Daarnaast volgt uit de leveringsaktes van de woningen ook niet dat sprake is geweest van inbreng, omdat de woningen zijn overgedragen aan [gedaagde] met als titel koop.
De conclusie is dus dat [gedaagde] niet in het eerste deel van de bewijsopdracht is geslaagd. [gedaagde] heeft niet bewezen dat bij de overdracht van de drie (in Nederland gelegen) woningen door vader en moeder aan [gedaagde] sprake is geweest van een rechtsgeldige AdS. Hierdoor hoeft niet meer te worden ingegaan op de vraag of [gedaagde] in het tweede deel van de bewijsopdracht is geslaagd. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat ook als later (bijvoorbeeld in 2010) de vordering is omgezet in een AdS het op de weg van [gedaagde] had gelegen om dit te stellen en te onderbouwen hoe dat gegaan is, maar dat heeft [gedaagde] niet gedaan.
Nu [gedaagde] niet in de bewijsopdracht is geslaagd is er dus sprake van een schuld van [gedaagde] aan de nalatenschappen van vader en moeder. Deze schuld is, gelet op rechtsoverweging 4.11 van het tussenvonnis, niet verjaard. De vereffenaars hebben de schuld berekend op een bedrag van € 736.500,-, zijnde de koopsommen van de drie woningen bij elkaar opgeteld zonder extra kosten (€ 127.500,- + € 414.000,- + € 195.000,- = € 736.500,-). [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van dit bedrag, behalve dat er een deugdelijke berekening moet worden gemaakt van de vorderingen. Waarom een deugdelijke berekening moet worden gemaakt heeft [gedaagde] onvoldoende toegelicht. [gedaagde] heeft immers niet gesteld dat zij op de schuld (gedeeltelijk) heeft afgelost of dat de rekening-courantverhouding ook andere vorderingen bevat. De rechtbank is daarom van oordeel dat [gedaagde] het door de vereffenaars gevorderde bedrag onvoldoende heeft bestreden, zodat de hoogte van de vordering van de nalatenschappen van vader en moeder op [gedaagde] wordt vastgesteld op een bedrag van € 736.500,- en [gedaagde] veroordeeld wordt om dit bedrag te betalen aan de nalatenschappen van vader en moeder. Er is gelet hierop geen reden om een deskundige te benoemen om de hoogte van de vordering op [gedaagde] vast te stellen, zodat deze vordering wordt afgewezen.
De gevorderde rente wijst de rechtbank af, omdat de vereffenaars niet hebben onderbouwd op grond waarvan [gedaagde] een enkelvoudige rente van 4% verschuldigd is vanaf de leveringsdatum van de woningen. De rechtbank zal daarom de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW toewijzen vanaf de datum van de dagvaarding, omdat niet is gesteld dat [gedaagde] per een eerdere datum in verzuim is.
[gedaagde] wordt dus veroordeeld om een bedrag van € 736.500,- te vermeerderen met de wettelijke rente te betalen aan de nalatenschappen van vader en moeder. Er staat een bedrag van € 600.000,- in depot, nadat één van de erfgenamen ( [naam 6]) conservatoir beslag heeft gelegd op de woningen. [gedaagde] wordt niet gevolgd in haar stelling dat de depotovereenkomst ziet op [naam 6] in privé, omdat uit de overgelegde stukken voldoende volgt dat [naam 6] deze overeenkomst met [gedaagde] is aangegaan in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschappen. De vereffenaars zijn daarom als rechtsopvolgers van [naam 6] in de hoedanigheid van vereffenaar gerechtigd tot het depotbedrag, zodat de rechtbank zal bepalen dat het bedrag van € 600.000,- dat in depot staat, verminderd met de eventuele depotkosten, aan de vereffenaars moet worden uitbetaald en dat [gedaagde] veroordeeld wordt om het restant bedrag met rente aan de nalatenschappen te betalen.
De rechtbank ziet geen reden om [gedaagde] te veroordelen om pas na twaalf maanden na de betekening van dit vonnis het hiervoor genoemde bedrag te betalen, omdat onvoldoende is onderbouwd waarom een dergelijke lange termijn nodig is. In haar conclusie van repliek hebben de vereffenaars aangegeven te kunnen leven met een termijn van zes maanden, zodat de rechtbank daarbij zal aansluiten en [gedaagde] veroordeeld wordt om het bedrag van € 736.500,- binnen zes maanden na de datum van dit vonnis te voldoen. [gedaagde] dient zich wel te realiseren dat de wettelijke rente doorloopt. Betekening van het vonnis acht de rechtbank niet nodig.
De gevorderde beslagkosten zijn op grond van artikel 706 Rv toewijsbaar, omdat zoals hiervoor is overwogen de vereffenaars de rechtsopvolgers zijn van [naam 6] die het beslag heeft gelegd. De beslagkosten worden op basis van de overgelegde stukken tot en met heden begroot op:
| - griffierecht | € | 314,00 | |
| - salaris advocaat | € | 3.723,00 | (1 punt x € 3.723,00) |
| - (over)betekeningskosten | € | 399,39 | |
| Totaal | € | 4.436,39 |
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de vereffenaars worden begroot op:
| - kosten van de dagvaarding | € | 135,97 | |
| - griffierecht | € | 320,00 | |
| - salaris advocaat | € | 14.904,00 | (4 punten × € 3.723,00) |
| - nakosten | € | 189,00 | (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 15.548,97 |
De gevorderde wettelijke rente over de beslag- en proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dit vonnis wordt, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv). Dit betekent dat wanneer het geschil ook nog aan een hogere rechter wordt voorgelegd, in afwachting van die uitspraak voorlopig toch al naleving van dit vonnis kan worden afgedwongen door de partij die in het gelijk is gesteld, zij het op eigen risico (de hogere rechter kan anders oordelen).
3 De beslissing
De rechtbank
stelt de hoogte van de vordering van de nalatenschappen van vader en moeder op [gedaagde] vast op € 736.500,- te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 19 maart 2024 tot aan de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt [gedaagde] om binnen zes maanden na de datum van dit vonnis het onder 3.1 genoemde bedrag met rente aan de nalatenschappen van vader en moeder betalen door het verlenen van alle benodigde medewerking aan uitbetaling op een door de vereffenaars op te geven bankrekening van het in depot gegeven bedrag van € 600.000,-, verminderd met de depotkosten, en door het restant bedrag vervolgens te betalen door overboeking op een door de vereffenaars opgegeven bankrekening;
veroordeelt [gedaagde] in de beslag- en proceskosten van € 19.985,36, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de beslag- en proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
| Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Steenderen-Koornneef en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026. 3120 |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.