Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Rotterdam, 13 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14304Zaaknummer C/10/712603/ HA RK 25-1264
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 20 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/10/712603/ HA RK 25-1264
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Eindbeschikking deelgeschil (letselschade, artikel 1019w Rv.) na eerdere tussenbeschikking. De rechtbank verwijst het verzochte voorschot af omdat verzoeker onvoldoende heeft onderbouwd dat de reeds verschenen schade de betaalde voorschotten in relevante mate te boven gaat.
De rechtbank
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 6.511,08. en veroordeelt Achmea tot betaling daarvan aan [verzoeker], en bepaalt deze beschikking op dit onderdeel uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders verzochte af.
| Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026. 3246/ 106 |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/712603 / HA RK 25-1264
Beschikking van 13 oktober 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te [woonplaats], België,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
advocaat: mr. D. Tap,
tegen
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
te Apeldoorn,
verwerende partij,
hierna te noemen: Achmea,
advocaat: mr. B.M. Stroetinga.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de tussenbeschikking van 8 april 2026 (hierna: de tussenbeschikking) en de daarin genoemde processtukken,
- het bericht dat Achmea hoger beroep wenst in te stellen tegen de tussenbeschikking,
- het bericht van [verzoeker] dat uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de tussenbeschikking wenselijk is,
- het bericht van Achmea dat uitvoerbaar bij voorraadverklaring onwenselijk is,
- het bericht dat [verzoeker] het deelgeschil wenst voort te zetten,
- de brief van [verzoeker] van 7 juli 2026 met producties 17 tot en met 25,
- de akte van Achmea van 27 juli 2026.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2 De zaak tot nu toe
Voor de uitgebreide feiten verwijst de rechtbank naar de tussenbeschikking onder 3- de feiten. In het kort: [verzoeker] was in 2024 betrokken bij een ernstig verkeersongeval en heeft sindsdien lichamelijke en psychische klachten. Achmea heeft de aansprakelijkheid van haar verzekerde erkend. [verzoeker] werkt sinds het ongeval niet meer. Hij was als zelfstandig ondernemer werkzaam in de bouw. Hij heeft ook geen andere inkomsten.
Partijen hebben onderhandeld over de afwikkeling van de letselschade van [verzoeker]. Hierbij trad [persoon A] van [bedrijf] op als belangenbehartiger van [verzoeker].
Achmea heeft in eind oktober 2025 € 75.000,- betaald aan [verzoeker], bedoeld als slotbetaling.
Partijen verschilden van mening of een vaststellingovereenkomst was gesloten met finale kwijting. Achmea vond van wel, [verzoeker] van niet.
De rechtbank heeft in de tussenbeschikking geoordeeld dat geen vaststellingovereenkomst gesloten is en dat door [verzoeker] geen finale kwijting is verleend.
Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de door Achmea aangeboden vaststellingsovereenkomst strekte tot betaling van een slotuitkering van € 75.000,- ter vergoeding van alle schade, maar dat het aanbod niet door [verzoeker] is aanvaard. [verzoeker] had immers aan zijn tegenaanbod om tot een eindregeling te komen als expliciete voorwaarde de (integrale) vergoeding van zijn buitengerechtelijke kosten verbonden. Dat aanbod heeft Achmea niet aanvaard, ook niet in de correspondentie daarna.
De rechtbank heeft, overeenkomstig de ter zitting met partijen gemaakte afspraken, de andere beslissingen aangehouden en heeft bepaald dat partijen zich op 8 juni 2026 nader schriftelijk dienden uit te laten over het (gewenste) vervolg van de procedure.
Achmea heeft vervolgens bericht hoger beroep te willen instellen tegen de tussenbeschikking en [verzoeker] heeft bericht voortzetting te wensen van het deelgeschil. Partijen hebben zich nader inhoudelijk uitgelaten omtrent hun verzoeken en verweren in het deelgeschil: [verzoeker] bij brief van 7 juli 2026 en Achmea bij akte van 27 juli 2026. In die zaak wordt op 14 oktober 2026 vonnis in het incident gewezen.
3 Het verzoek en het verweer
[verzoeker] heeft zijn verzoek gewijzigd en verzoekt nu de rechtbank om Achmea te veroordelen een voorschot op de reeds verschenen schade aan hem te betalen van € 80.000,- en om Achmea te veroordelen in de kosten van dit deelgeschil, welke kosten [verzoeker] begroot op € 9.906,34, met het verzoek om deze uitspraak, en de tussenbeschikking, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren
Achmea concludeert tot afwijzing van deze verzoeken.
4 De beoordeling
Partijen hebben de rechtbank bericht dat zij inmiddels overeenstemming hebben bereikt over de buitengerechtelijke kosten.
Het gevraagde voorschot van € 80.000,-
[verzoeker] verzoekt een voorschot van € 80.000,-, als som ineens (lumpsum). Achmea verzet zich hier tegen. Achmea betwist het medisch causaal verband tussen de gestelde klachten/beperkingen en het ongeval. Verder betwist zij de omvang van de gestelde materiële en immateriële schade. [verzoeker] heeft in haar visie voorts nagelaten zijn schade in de vorm van verlies van arbeidsvermogen te beperken. Achmea stelt zich op het standpunt dat de schade tengevolge van het ongeval met de reeds betaalde voorschotten (inclusief het bedrag van € 75.000,-) geheel vergoed is.
De rechtbank zal het verzoek van [verzoeker] om Achmea te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 80.000,- afwijzen en licht dit hierna toe.
Ook als wordt aangenomen dat het toekennen van een voorschot zal bijdragen aan het buiten rechte afwikkelen van de zaak is de enkele financiele nood die [verzoeker] nu ervaart niet voldoende. Voor toewijzing van een voorschot op de reeds verschenen schade in deze procedure is noodzakelijk dat voldoende vast staat dat schade is geleden die, na aftrek van de reeds betaalde voorschotten, tenminste het bedrag van het voorschot bedraagt. Daarvan is in dit geval geen sprake. Achmea heeft, na de kennelijk reeds eerder verstrekte voorschotten van (in totaal) € 31.700,-, al € 75.000,- aan [verzoeker] betaald. Weliswaar deed zij dat als slotbetaling in het kader van de in haar visie gesloten vaststellingsovereenkomst, maar [verzoeker] heeft dat bedrag behouden en Achmea laten weten dat hij dat als voorschot beschouwt.
Dat betekent dus, dat duidelijk moet zijn dat de door het ongeval veroorzaakte schade tenminste € 186.700,- (betaalde voorschotten + € 80.000,-) bedraagt. Daarvan is geen sprake. Duidelijk is dat aan de zijde van [verzoeker] sprake is van enige (letsel)schade ten gevolge van het ongeval. Er is echter nog veel onduidelijk. Er is een rapport van de medisch adviseur van [verzoeker], maar dat geeft geen helder beeld. Enig smartengeld is aan de orde. Dat zal meer zijn indien sprake is van ernstig en blijvend letsel en minder indien het letsel van [verzoeker] minder ernstig en/of tijdelijk is. Om dat te kunnen bepalen is meer medische informatie nodig, maar die is niet voorhanden. Er is naast het advies van de medisch adviseur van [verzoeker] en de daarin genoemde medische informatie slechts een bericht van de fysiotherapeut, een overzicht van medicijngebruik en een brief van huisarts [persoon B] beschikbaar. Omdat niet kan worden vastgesteld in hoeverre de beperkingen die [verzoeker] noemt zijn veroorzaakt door het ongeval en of deze blijvend zijn, is ook het door [verzoeker] gestelde verlies arbeidsvermogen onvoldoende onderbouwd.
Daarbij komt het volgende. Ook indien [verzoeker] ten gevolge van het ongeval geheel (en mogelijk blijvend) arbeidsongeschikt zou zijn vloeit daaruit de door hem gestelde, reeds geleden, schade niet onmiddellijk voort. De aanvankelijke stelling van [verzoeker], dat een verlies aan verdienvermogen van € 3.107,- per maand door Achmea zou zijn erkend, is door Achmea betwist en daaraan wordt door [verzoeker] na de tussenbeschikking ook niet meer gerefereerd; die erkenning staat niet vast. De overeenkomst met [naam] die zou voortduren tot eind 2026 is, mede gelet op het verweer van Achmea, op zichzelf bezien onvoldoende onderbouwing voor de inkomsten die zouden zijn genoten als het ongeval wordt weggedacht, in aanmerking genomen de diverse vragen die de berekening van [verzoeker] oproept. Het beroep op de schadebeperkingsplicht behoeft ook nog aandacht.
Het voorschot wordt zoals reeds opgemerkt gevraagd op de reeds verschenen schade. Gelet op de aanzienlijke onduidelijkheid als hiervoor bedoeld over het causaal verband en de omvang van de schade bestaat ook onvoldoende grond voor toekenning van een lager voorschot (dan € 80.000). [verzoeker] heeft zijn verzoek onvoldoende onderbouwd om te kunnen vaststellen dat de reeds verschenen schade de betaalde voorschotten in relevante mate te boven gaat.
Kosten deelgeschil
De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten.
Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
[verzoeker] maakt aanspraak op € 9.906,34 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. Achmea heeft geen verweer gevoerd tegen het uurtarief; wel tegen het aantal uren. Partijen zijn het er kennelijk over eens dat de kosten die gemaakt waren conform de urenstaat van mr. Tap in productie 9, dus tot en met de zitting, 14,7 uur, redelijk waren. Achmea heeft hiertegen immers geen verweer gevoerd. De uren die daarna gemaakt zijn, betreffen volgens Achmea kosten die geen of onvoldoende verband houden met het deelgeschil en daar maakt Achmea bezwaar tegen.
De rechtbank is van oordeel dat het hoofdgeschil in deze procedure de - al dan niet geldigheid van de - vaststellingsovereenkomst betreft. Daarin is [verzoeker] in het gelijk gesteld. Omdat [verzoeker] daarmee grotendeels in het gelijk is gesteld, zal de rechtbank de kosten van het deelgeschil toewijzen, voor zover deze redelijk zijn. In redelijkheid zijn na de tussenbeschikking nog een aantal nadere werkzaamheden verricht. Echter, niet alle opgevoerde kosten in de kostenstaat die mr. Tap als productie 25 in het geding heeft gebracht beoordeelt de rechtbank als redelijk. Een deel daarvan betreft buitengerechtelijke kosten die onvoldoende verband houden met het deelgeschil. De rechtbank beoordeelt bovenop de 14,7 uren, hiervoor genoemd, nog 8 uur extra als redelijk.
De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW komen daarmee uit op 22,7 uren × € 225,- exclusief btw, dus op € 6.180,08 (€ 5.107,50 + € 1.072,58 (21 % btw)) te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 331,-, totaal op€ 6.511,08. Achmea zal tot betaling daarvan aan [verzoeker] worden veroordeeld.
De gevraagde uitvoerbaarheid bij voorraad
[verzoeker] vraagt de tussenbeschikking en deze eindbeschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Hij heeft daar belang bij omdat Achmea in hoger beroep wenst te gaan tegen de deelbeschikking. Achmea maakt daartegen bezwaar: de tussenbeschikking is al gewezen zonder uitvoerbaarverklaring bij voorraad, het verzoek is niet bij verzoekschrift gedaan en kan niet achteraf bij brief gedaan worden.
De rechtbank zal de gevraagde uitvoerbaarheid bij voorraad gedeeltelijk toewijzen. Ten aanzien van de tussenbeschikking geldt dat sprake is van een declaratoire beslissing; dat is niet een beslssing die zich leent voor executie en dus ook niet voor uitvoerbaar verklaring bij voorraad. Daarom wordt het verzoek afgewezen. Het verzoek om het voorschot wordt afgewezen. Bij uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan heeft [verzoeker] geen belang.
Ten aanzien van de veroordeling in de kosten van het deelgeschil zal de rechtbank de gevraagde uitvoerbaarheid bij voorraad toewijzen: [verzoeker] heeft alvast recht op en belang bij betaling. Het (eventuele) restitutierisico voor Achmea weegt niet zwaarder. Uitvoerbaarheid bij voorraad van een dergelijke beslissing kan in een verzoekschriftprocedure en ook in een deelgeschil ambtshalve worden uitgesproken.
5 De beslissing
De rechtbank
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 6.511,08. en veroordeelt Achmea tot betaling daarvan aan [verzoeker], en bepaalt deze beschikking op dit onderdeel uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders verzochte af.
| Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026. 3246/ 106 |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.